Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Opzegging huurovereenkomst.

Uitspraak



Arrest d.d. 30 maart 2010

Zaaknummer 107.002.214/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[X] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. C. van Meines, kantoorhoudende te Gouda,

[Y] U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.H. Lanting, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 31 augustus 2005 en 22 augustus 2007 door de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 2 november 2007 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 22 augustus 2007 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 14 november 2007.

De conclusie van de memorie van grieven, tevens houdende aanvulling eis, luidt:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Assen van 22 augustus 2007, onder rolnummer 52484/HA ZA 05/475, gewezen, te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

a. Een verklaring voor recht te geven dat de overeenkomst tussen appellante en geïntimeerde ten onrechte is opgezegd en op onjuiste gronden, althans onrechtmatig, althans met inachtneming van een korte opzegtermijn;

b. Geïntimeerde te veroordelen aan appellante te voldoen een bedrag ter vergoeding van de door hen geleden schade ad € 175.441,--, te vermeerderen met een bedrag van € 25.063,-- per maand vanaf 1 juni 2005 tot en met de dag dat [appellante] weer zal worden toegelaten tot de veiling.

c. Geïntimeerde te veroordelen aan appellante te voldoen een bedrag van € 12.825,--;

d. Geïntimeerde te veroordelen om aan appellante te voldoen een bedrag van € 5.331,20 terzake de display karren, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de vervaldatum van de factuur tot aan de dag der algehele voldoening;

e. Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties (eerste aanleg en hoger beroep)."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank van Assen van 22 augustus 2007, zonodig met verbetering van de gronden, te bekrachtigen, en mitsdien de vorderingen van [appellante] af te wijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in beide instanties."

Vervolgens hebben partijen hun zaak schriftelijk doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's. De pleitnota van [appellante] bevat tevens een eiswijziging.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft zeven grieven opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de wijzigingen van eis

1. Nu [geïntimeerde] geen bezwaar maakt tegen de eiswijziging bij memorie van grieven, terwijl het hof ook niet ambtshalve van bezwaren is gebleken, zal het hof recht doen op de aldus gewijzigde eis.

Tegen de eiswijziging ter gelegenheid van het schriftelijke pleidooi in hoger beroep maakt [geïntimeerde] wél bewaar. Dit bezwaar zal hierna onder 37 aan de orde komen.

De feiten

2. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 t/m 2.3) van het bestreden vonnis d.d. 22 augustus 2007 de feiten vastgesteld. Hierover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

3. In deze zaak staat het volgende vast.

3.1 [geïntimeerde] biedt sinds 1 januari 2004 aan handelaren die de door [geïntimeerde] daartoe gestelde voorwaarden accepteren, de mogelijkheid om deel te nemen aan door [geïntimeerde] georganiseerde veilingen.

3.2 [appellante] heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en op 18 december 2003 het daartoe bestemde formulier waarin de door [geïntimeerde] gestelde voorwaarden zijn opgenomen, ondertekend en aan [geïntimeerde] verzonden. Deze voorwaarden luiden, voor zover thans van belang, als volgt:

"(…)

2. Er mag uitsluitend A1- en A2- kwaliteit aangevoerd worden, waarbij verwezen wordt naar de productspecificaties van de VBN en het aanvoerreglement van [geïntimeerde].

(…)

4. De aanvullende handelaar moet actief inkopen bij en boxhouder zijn bij [geïntimeerde] Eelde. (…)

5. Per hoofdgroep (snijbloemen/kamerplanten/tuinplanten) zullen er één of meer aparte veilgroepen gecreëerd worden onder de naam "Aanvullende Handel", waarin geveild mag worden. Het aanvoeren in andere veilgroepen is verboden. De desbetreffende veilgroepnummers worden aan u medegedeeld bij de aanmelding. (…)

6. Bij excessen in de aanvoer, waarbij sprake is van het te heftig verstoren van de markt, behoudt [geïntimeerde] Eelde zich het recht de aanvoer te weigeren.

7. FHE behoudt zich altijd het recht voor om aanvullende handelaren tijdelijk van deelname uit te sluiten. Hiervoor wordt in de regel slechts eenmaal gewaarschuwd, waarna bij een tweede overtreding uitsluiting volgt. Indien het veilen van een aanvullende handelaar gestopt moet worden vanwege het niet naleven van de regels, is elke grond voor een heroverweging van een besluit tot veilen in de toekomst, verdwenen.

(…)"

3.3 Bij brief van 25 oktober 2004 heeft [geïntimeerde] de overeenkomst met [appellante] opgezegd. Deze brief luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

"We hebben vernomen dat u vorige week als gevolg van een geschil over € 150,- transportkosten gestopt bent met het leveren van boeketten aan de firma's Philipps en Bestflora. We hebben tevens geconstateerd dat u bvo (buiten de veiling om) aan de firma Krikke boeketten levert; we hebben u deze klant aangereikt onder de voorwaarde dat de afrekening via [geïntimeerde] Eelde zou lopen. Bovendien voert u naast de ledervaren en salal geen groenproducten en/of andere snijbloemen meer aan, terwijl we ook voor deze producten duidelijke afspraken hebben. Tenslotte blijft u, ondanks herhaaldelijke verzoeken van onze zijde, volharden in het veilen van hardware op uw plantenaanvoernummer.

Helaas heeft u het voor ons op deze manier wel erg duidelijk gemaakt dat er alleen met u samen te werken valt als een en ander onder uw regels plaatsvinden. Dat gaat echter niet, en daarom zijn bovenstaande feiten voor ons voldoende aanleiding om onze samenwerking per 1 november a.s. op te zeggen. Het betreft hiermee de contracten en afspraken met betrekking tot de huur van de boxruimte en het aanvullend veilen van bloemen, planten en hardware.

(…)"

3.4 Bij brief van 29 oktober 2004 heeft [appellante] hiertegen bezwaar gemaakt en [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de als gevolg van de opzegging door haar te lijden schade. Deze brief luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

"Bij onze terugkomst van onze vakantie lag tot onze verbazing uw fax van 25 oktober 2004 voor ons neus, dat wij een mening verschil hadden over € 150,00 was aan beiden zijde bekent en dat U afnemers dan geen boeketten zouden ontvangen was ook U bekent, wij wilden eerst het mening verschil oplossen ik ben hiervoor ook nog bij Kees Hoekstra langs geweest op Donderdag 14 oktober maar die had weer eens geen tijd, dat U de Firma Krikke hiervan niet op de hoogte heeft gesteld (dat wij geen boeketten meer zouden leveren) is aan U te verwijten en dat wij deze man niet voor het blok wilde zetten is onze keus geweest en dit is inderdaad niet via de veiling gelopen.

Ik geloof alleen niet dat deze voorvallen U het recht geeft om ons de veiling uit te zetten als een dief in de nacht. En ook onze box ruimte op te zeggen en zeker niet op zo'n korte termijn.

(…)"

3.5 Bij brief van 16 november 2004 heeft [geïntimeerde] haar brief van 25 oktober 2004 nader toegelicht en aan [appellante] voorstellen gedaan, onder meer om een uitgebreide aanvoerovereenkomst aan te gaan. Deze brief luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

"(…)

Aangezien we hiertoe mondeling nog niet gekomen zijn, willen wij u graag hierbij toelichten waarom wij u op 25 oktober een brief hebben gestuurd. Populair gezegd "was de maat vol", aangezien door een opeenstapeling van problemen uw handelswijze ons schade berokkent.

Een van de hoofdonderdelen van de problematiek is uw aanvoerwijze van het aanvullend assortiment snijgroen (waarvan de aanvoermogelijkheid destijds door uw overname van het bedrijf van de heer W. Huizer in uw bezit kwam). In de eerste helft van het jaar (tot week 33) heeft u zéér onregelmatig aangevoerd, danwel zelfs helemaal niet aangevoerd. Na een indringend gesprek met Tom Stellingwerf van de afdeling Import heeft u van week 34 tot 42 regelmatiger aangevoerd. Na week 42 heeft u zonder overleg de aanvoer opnieuw stopgezet, en heeft u ondanks ons dringend verzoek uw aanvoerwijze niet aangepast.

(…)

Ook de service en de toegevoegde waarde naar nieuwe klanten is een hoofdonderdeel: wij hebben diverse nieuwe klanten weten te interesseren voor kant- en klaar gemaakte boeketten die door u geleverd konden worden (monopoliepositie). Dit betrof zowel Nederlandse als Duitse klanten, met levering via klokservice. Ondanks duidelijke afspraken over assortiment, samenstelling en kwaliteit, bent u er ook hier niet in geslaagd betrouwbaar aan te leveren. Door verkeerde boeketsamenstellingen en slechte kwaliteit zijn klanten gestopt met bestellen, met als gevolg dat wij in Eelde een deel van onze toegevoegde waarde zijn kwijtgeraakt. Hiermee ontstond een herhaling van de situatie van een jaar geleden, waarbij u ook na een paar goede eerste boeketleveringen de klanten van u vervreemdde door het niet nakomen van afspraken.

Toen u vervolgens drie CC's bloemen voor één van onze Duitse kanten verkeerd liet transporteren, en dit € 150,- extra zou gaan kosten om de fout te herstellen, liet u weten die kosten niet te zullen accepteren en dat u anders helemáál niets meer zou leveren. Vanuit klokservice zijn genoemde kosten tóch doorbelast aan [appellante], aangezien hier de fout gemaakt is en niet aan veiling- of koperzijde. Vervolgens bent u boeketten aan een koper bij ons onder dak b.v.o. gaan leveren/afrekenen!

Daarnaast speelt als hoofdonderwerp het veilen van hardware: in mei 2004 heeft u reeds het aanvoernummer voor het veilen van hardware bij ons opgezegd met als reden dat het financieel niet uit kon. Vervolgens bent u echter hardware gaan veilen op één van uw andere aanvoernummers, welke daar a) niet voor bedoeld is en b) ook een afwijkend laag provisiepercentage heeft. Ondanks diverse aanmaningen (zowel mondeling als schriftelijk) om met deze handelswijze te stoppen, bent u hiermee door blijven gaan. Op een gegeven moment hebben wij u ook belast voor de aldus door ons gedorven provisie, maar heeft u nooit enige reactie gegeven op onze correspondentie

Wat de box betreft geldt het volgende: zowel in april als juli heeft u de huur van de box opgezegd. Uw opzegging van april heeft u weer ingetrokken, en uw opzegging per 1 juli die bij ons op 1 juli binnenkwam, hebben wij niet geaccepteerd. Wij hebben u op de opzegtermijn van drie maanden gewezen, waartegen u zich nadrukkelijk heeft verzet. De in onze brief van 25 oktober genoemde huurbeëindiging van de box per 1 november 2004 was dan ook eerder bedoeld om u tegemoet te komen inzake de huur van een toch al niet door u gewenst object. Wij begrijpen inmiddels dat u deze handreiking niet uit de brief heeft kunnen lezen, en verontschuldigen ons voor het wellicht té bondige taalgebruik. Inmiddels hebben wij medewerking verleend aan het weghalen van de kantoorkeet uit uw voormalige box.

(…)

U heeft 11 november jl. wel nog aangegeven "alles of niets" te willen waar het Eelde betreft: óf het hele pakket weer aanvoeren, óf niet(s).

In onze ogen ligt het iets genuanceerder en stellen wij het volgende voor:

• Aanvoer van een aanvullend pakket planten is mogelijk volgens de vorig jaar afgesproken condities. Hierbij geldt nadrukkelijk de bepaling "aanvullend", omdat anders onze eigen kwekers door een handelaar in de wielen gereden wordt.

• Aanvoer van hardware is mogelijk onder de daarvoor geldende voorschriften op een apart aanvoernummer.

• Aanvoer van boeketten is mogelijk volgens het principe van vrije marktwerking: u kunt er zelf voor kiezen om via de klok te verkopen of via klokservice aan te bieden.

• Aanvoer van bladgroen is niet mogelijk: dit is een dermate kritisch (hoofd)product dat we daar in de continuïteit van aanlevering géén risico's kunnen nemen. U heeft de betrouwbare aanlevering van de door u overgenomen rechtsvoorganger die in dit segment mocht aanvoeren, helaas niet kunnen continueren, hetgeen maakt dat wij u in dit segment niet (weer) als aanvoerder kunnen accepteren.

Hiermee kunt u dezelfde positie handhaven als waarmee u vorig jaar in Eelde begonnen bent. Om echter niet in dezelfde 'strijd' terecht te komen als hierboven geschetst, stellen wij tevens met u een uitgebreide aanvoerovereenkomst aan te gaan, indien u wilt blijven aanvoeren op Eelde. U heeft aangegeven dat dit systeem overigens ook uw voorkeur heeft, aangezien er dan zakelijk beoordeeld kan worden of de regels goed gevolgd én gehanteerd worden, in plaats van dat één van beide partijen het idee krijgt dat het de andere partij om iets anders te doen is.

(…)"

3.6 Bij brief van 3 december 2004 van haar raadsman heeft [appellante] de voorstellen van [geïntimeerde] als vervat in de brief van 16 november 2004 afgewezen en [geïntimeerde] gesommeerd binnen een termijn van 7 dagen [appellante] toe te laten als aanvullend handelaar.

3.7 Bij brief van 28 december 2004 heeft [geïntimeerde] hierop afwijzend gereageerd, waarbij zij verwezen heeft naar het bepaalde in de Veilingreglementen van [geïntimeerde] alsmede het bepaalde in het Reglement "Herinrichting aanvullende handel [geïntimeerde] Eelde".

Het geschil

4. [appellante] vordert - na wijziging van eis in hoger beroep - een verklaring voor recht dat de overeenkomst ten onrechte is opgezegd en op onjuiste gronden, althans onrechtmatig, althans met inachtneming van een te korte opzegtermijn, en voorts vergoeding van de dientengevolge door [appellante] geleden schade bestaande uit winstderving over de opzegtermijn, zijnde een bedrag van € 175.441,- te vermeerderen met een bedrag van € 25.063,- per maand vanaf 1 juni 2005 tot en met de dag dat [appellante] weer zal worden toegelaten tot de veiling, alsmede vergoeding van de schade ten bedrage van € 12.825,- die zij heeft geleden als gevolg van niet terugverdiende investeringen.

5. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. Daartoe heeft zij in essentie het volgende overwogen.

5.1 Het stond [geïntimeerde] in beginsel vrij om de overeenkomst op te zeggen op grond van de in de brieven van 25 oktober en 16 november 2004 gestelde redenen, bezien in samenhang met de daaraan voorafgaande correspondentie tussen partijen (producties bij de conclusie van antwoord).

5.2 De vraag of [geïntimeerde] vóór 25 oktober 2004 een (toereikende) waarschuwing aan [appellante] heeft gegeven, kan volgens de rechtbank in het midden blijven, nu de in de brief van 16 november 2004 vervatte voorstellen van [geïntimeerde] aan [appellante] om de samenwerking te laten voortduren hetzelfde effect sorteren als een waarschuwing. Nu het [appellante] is geweest die vervolgens de beide voorstellen heeft afgewezen, kon en kan [appellante] in redelijkheid niet van [geïntimeerde] verlangen dat [geïntimeerde] terug zou komen op de inhoud van de brief van 25 oktober 2004 en de daarin vervatte opzegging, ook niet wanneer vast zou komen te staan dat voorafgaand aan de opzegging per 25 oktober 2004 [appellante] niet (toereikend) is gewaarschuwd dat de samenwerking tijdelijk of definitief door [geïntimeerde] zou worden beëindigd wanneer zich bepaalde problemen of incidenten zouden blijven voordoen, aldus de rechtbank.

5.3 De stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] een te korte opzegtermijn in acht heeft genomen, heeft de rechtbank als zijnde onvoldoende onderbouwd gepasseerd.

De vordering tot betaling van de factuur ter zake van de zogenaamde displaykarren heeft de rechtbank afgewezen, omdat zij aanneemt dat [appellante] daar geen belang meer bij heeft.

6. Het hof stelt voorop dat niet is gegriefd tegen rechtsoverweging 4.1 van het bestreden vonnis d.d. 22 augustus 2007, waarin de rechtbank overweegt dat het ervoor moet worden gehouden dat geen afzonderlijke overeenkomst tussen [geïntimeerde] en Four Flowers & Greens (hierna: FF&G) tot stand is gekomen, maar een overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellante], op grond waarvan [appellante] op eigen naam of op naam van FF&G producten ter veiling mocht aanbieden, zodat ook hiervan ook in hoger beroep dient te worden uitgegaan.

Overigens blijkt dit laatste niet uit het aanmeldingsformulier d.d. 18 december 2003 (productie 1 bij de dagvaarding in prima), dat zowel door partijen als door de rechtbank tot uitgangspunt is genomen voor hetgeen tussen partijen is overeengekomen, terwijl dit wél blijkt uit de door [appellante] ondertekende offerte d.d. 12 december 2003 (productie 9 bij de conclusie van antwoord). Op dit stuk wordt echter enkel door [geïntimeerde] een beroep gedaan ter onderbouwing van haar stelling dat uit een "ander door [appellante] voor akkoord getekend stuk blijkt dat er per kwartaal zou worden geëvalueerd om te bezien of er voldoende perspectief is om te verlengen." Nu geen van beide partijen zich in deze procedure op het standpunt heeft gesteld dat de tussen hen geldende overeenkomst (mede) in laatstgenoemd stuk is neergelegd, zal het hof er derhalve evenals de rechtbank van uitgaan dat de overeenkomst tussen partijen in beginsel wordt beheerst door de in het aanmeldingsformulier van 18 december 2003 neergelegde voorwaarden.

7. Het hof stelt voorts vast dat ook geen grief is gericht tegen het door de rechtbank tot uitgangspunt genomen oordeel dat de opzegging in art. 7 van vorenbedoelde voorwaarden is geregeld, en dat ingevolge deze bepaling opzegging van de overeenkomst in beginsel slechts kan plaatsvinden wanneer daarvoor is gewaarschuwd (rechtsoverweging 4.4 van het bestreden vonnis), terwijl ook [geïntimeerde] deze uitleg omarmt. Ook in hoger beroep zal hiervan derhalve worden uit gegaan.

8. Grief I is gericht tegen het door de rechtbank gehanteerde uitgangspunt dat er geen zware eisen mogen worden gesteld aan de voorwaarden waaronder opzegging van de overeenkomst met een aanvullende handelaar mag plaatsvinden, en voorts tegen het oordeel van de rechtbank dat de door [geïntimeerde] gestelde feiten toereikend zijn om de overeenkomst op te zeggen. Grief II houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellante] niet de juistheid van de door [geïntimeerde] gestelde feiten heeft bestreden. Grief VI houdt in dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.11 ten onrechte heeft overwogen dat de opzegtermijn van één week ruim voldoende was om de voorraden tijdig te veilen, zodat daar voor [appellante] geen extra kosten uit voortvloeiden.

9. Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken.

10. Het hof stelt voorop dat bij gebreke aan een wettelijke of contractuele regeling daaromtrent de vraag of de opzegging in een concreet geval het beoogde rechtsgevolg heeft gehad, beantwoord moet worden aan de hand van de redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval (HR 3-12-1999, NJ 2000, 120).

11. Gelet op het vorenoverwogene, is het hof met de rechtbank van oordeel dat, nu de overeenkomst tussen partijen wordt gekenmerkt door een grote mate van vrijblijvendheid, er geen zware eisen mogen worden gesteld aan de voorwaarden waaronder opzegging van de overeenkomst mag plaatsvinden. Bijzondere omstandigheden om tot een ander oordeel te komen, zoals een bijzondere afhankelijkheid van [appellante] bij het voortbestaan bij dit contract, zijn gesteld noch gebleken.

12. Het hof zal bij de beoordeling of de opzegging rechtsgevolg heeft gehad, uitgaan van de in de brieven d.d. 25 oktober en 16 november 2004 genoemde opzeggingsgronden, zoals hierna (verkort) weergegeven. Nu de door [geïntimeerde] gestelde - door [appellante] betwiste - aanvoer van "verboden producten" in deze brieven niet als opzeggingsgrond wordt genoemd, zal het hof deze gestelde reden voor opzegging buiten beschouwing laten.

13. De brief van 25 oktober 2004 noemt als volgende gronden voor opzegging:

- dat [appellante] als gevolg van een geschil over € 150,- transportkosten gestopt is met het leveren van boeketten aan de firma's Philipps en Bestflora;

- dat [appellante] buiten de veiling om aan de firma Krikke boeketten levert; volgens [geïntimeerde] heeft zij deze klant aan [appellante] aangereikt onder de voorwaarde dat de afrekening via [geïntimeerde] zou lopen;

- dat [appellante] naast de ledervaren en salal geen groenproducten en/of andere snijbloemen meer aanvoert; volgens [geïntimeerde] hebben zij ook voor deze producten duidelijke afspraken;

- dat [appellante], ondanks herhaaldelijke verzoeken van de zijde van [geïntimeerde], blijft volharden in het veilen van hardware op haar plantenaanvoernummer.

14. De brief van 16 november 2004 bevat deels een toelichting op voormelde opzeggingsgronden, en deels een uitbreiding daarvan. [geïntimeerde] geeft aan dat de opzegging het gevolg was van het feit dat voor haar "de maat vol was", aangezien door een opeenstapeling van problemen de handelswijze van [appellante] haar schade berokkent.

Als nieuwe opzeggingsgrond wordt genoemd:

- de levering door [appellante] van boeketten met verkeerde samenstelling en slechte kwaliteit.

15. In de toelichting op grief II betoogt [appellante] dat zij slechts enkele "incidenten" heeft erkend, zoals het eenmalig aanleveren van boeketten met een schimmelziekte, het eenmalig buiten de veiling om leveren en het voorheen veilen van hardware op haar plantenaanvoernummer. Voor het overige bestrijdt [appellante] de door [geïntimeerde] aangevoerde redenen voor de opzegging. Het hof zal het door [appellante] in dit verband gestelde hierna verkort weergeven.

De verkeerde samenstelling en kwaliteit van boeketten

16. [appellante] betwist uitdrukkelijk dat de samenstelling en kwaliteit van de boeketten in zijn algemeenheid niet naar tevredenheid was. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] hieromtrent nimmer klachten jegens haar geuit. Voorts stelt [appellante] dat er hieromtrent geen afspraken tussen partijen bestonden.

Het buiten de veiling om leveren

17. [appellante] stelt dat het buiten de veiling om leveren niet was verboden op grond van de tussen partijen geldende overeenkomst.

Het veilen van hardware

18. [appellante] stelt dat deze kwestie ruim vóór de opzegging was afgehandeld.

De gehuurde box

19. [appellante] stelt dat opzegging van de huur niet als reden voor opzegging staat vermeld in de brieven van 25 oktober en 16 november 2004.

De aanvoer van het aanvullend assortiment snijgroen

20. [appellante] betwist dat zij het aanvullend assortiment zeer onregelmatig dan wel zelfs helemaal niet heeft aangevoerd. Voorts stelt zij dat er tussen partijen geen afspraken bestonden over de hoeveelheden producten die dienden te worden aangevoerd.

21. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de aan de opzegging voorafgaande - door [geïntimeerde] overgelegde - correspondentie tussen partijen, blijkt dat zich - náást de door [appellante] erkende incidenten - meerdere "incidenten" hebben voorgedaan, waarbij [appellante] zich (in de opvatting van [geïntimeerde]) niet hield aan de overeengekomen voorwaarden c.q. aan de in de loop van de relatie door [geïntimeerde] gestelde eisen. Het betreft hier voor zover thans van belang - de aanvoer van "verboden producten" buiten beschouwing latend (zie hiervoor onder 12) - het (opnieuw) opzeggen van de huur van de box (brief van 8 juli 2004), het (opnieuw) aanvoeren van hardware op een onjuist aanvoernummer (brief van 15 september 2004 en de als productie 8 bij de conclusie van antwoord overgelegde brief van 25 oktober 2004), het onvoldoende aanvullen van snijbloemen onder de naam Four Flowers & Greens (brieven van 8 juli 2004 en 29 juli 2004), het onvoldoende c.q. onregelmatig aanvullen van snijgroen (brief van 29 juli 2004).

22. Nu in genoemde brief van [geïntimeerde] aan [appellante] d.d. 25 oktober 2004 (productie 8 bij de conclusie van antwoord) staat dat [geïntimeerde] wederom heeft moeten constateren dat [appellante] hardware aanvoert op nummer 572104 (FF&G), ondanks haar toezeggingen te zullen stoppen, heeft [appellante] naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat de kwestie van de hardware reeds vóór de opzegging was afgehandeld.

23. Anders dan [appellante] betoogt, heeft [geïntimeerde] de kwestie van de huur van de box in haar brief van 16 november 2004 wél aan de orde gesteld. Uit deze brief en uit de daaraan voorafgaande brief van [geïntimeerde] aan [appellante] d.d. 8 juli 2004 (productie 5 bij de conclusie van antwoord) blijkt dat [appellante] op 1 juli 2004 de huur van de box opnieuw - per 1 juli 2004 - heeft opgezegd, welke opzegging [geïntimeerde] destijds niet heeft geaccepteerd. In genoemde brief van 8 juli 2004 stelde [geïntimeerde] mede naar aanleiding van deze opzegging voor om de relatie met [appellante] per 1 augustus 2004 te beëindigen. Dat [geïntimeerde] bij haar brief van 25 oktober 2004 zélf de huur van de box heeft opgezegd, als onderdeel van de contractuele relatie tussen partijen, neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat [appellante] redelijkerwijs heeft dienen te begrijpen dat haar opzegging van de huur van de box per 1 juli 2004, zijnde in strijd met art. 4 van de in het aanmeldingsformulier d.d. 18 december 2003 neergelegde voorwaarden, voor [geïntimeerde] één van de redenen vormde om de relatie met [appellante] te beëindigen.

24. Naar het oordeel van het hof brengt het vorenoverwogene mee dat sprake is van een reeks van "incidenten" waarbij [appellante] zich niet hield aan de overeengekomen voorwaarden c.q. de aanwijzingen van [geïntimeerde], hetgeen tot de opzegging heeft geleid. Daarbij overweegt het hof dat, anders dan [appellante] betoogt, voor opzegging van de overeenkomst niet vereist is dat [appellante] enig tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst valt te verwijten.

Het hof laat daarbij in het midden of juist is de door [appellante] betwiste stelling van [geïntimeerde] dat de aanvoer van het aanvullend assortiment snijgroen onvoldoende dan wel onregelmatig was, nu het hof dit punt niet beslissend acht voor de beoordeling.

25. In de toelichting op grief VI betoogt [appellante] dat niet relevant is dat zij wellicht haar voorraden nog kon veilen. Zij stelt dat zij bepaalde investeringen heeft gedaan met het oog op de overeenkomst van aanvullend handelaar, waaronder de aanschaf van een vrachtwagen voor een totaalbedrag van € 12.825,- inclusief BTW, welk bedrag zij ter gelegenheid van het schriftelijk pleidooi in hoger beroep heeft gewijzigd in een bedrag van € 67.500,- exclusief BTW (+ € 12.825,- BTW), terwijl zij bij die gelegenheid voorts heeft gesteld dat zij een oplegger heeft gekocht ten bedrage van € 64.700,- exclusief BTW. Voorts stelt [appellante] dat zij de op basis van de duurovereenkomst te verwachten winsten c.q. inkomsten als gevolg van de opzegging niet meer binnen de te verwachten termijn kon generen.

26. Het hof stelt het volgende voorop.

Bij de beoordeling van de vraag of bij de opzegging een redelijke termijn in acht is genomen, moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen en zijn derhalve ook aard en gewicht van de redenen voor opzegging van belang (HR 21-4-1995, NJ 1995, 437).

Zoals hiervoor reeds overwogen, wordt de overeenkomst tussen partijen gekenmerkt door een grote mate van vrijblijvendheid, zodat er geen zware eisen mogen worden gesteld aan de voorwaarden waaronder opzegging van de overeenkomst mag plaatsvinden. Dit brengt mee dat [geïntimeerde] in beginsel een relatief korte opzegtermijn mocht hanteren, temeer nu partijen nog maar gedurende een korte periode zaken met elkaar deden. Daarbij komt nog dat, zoals hiervoor overwogen, sprake is geweest van een reeks van "incidenten" tussen partijen en dat [appellante] voorafgaand aan de opzegging is gewaarschuwd als bedoeld in art. 7 van de overeenkomst.

Voor een relatief korte opzegtermijn pleit tevens de aard van de onderhavige handel. Het hof leidt uit de toelichting op de grief af dat [appellante] erkent dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, een termijn van één week lang genoeg was om haar voorraden te kunnen veilen.

Wat betreft de door [appellante] gestelde investeringen met het oog op de onderhavige overeenkomst is het hof van oordeel dat [appellante] deze onvoldoende heeft onderbouwd. Met name heeft [appellante] niet onderbouwd dat zij de door haar aangeschafte vrachtwagen enkel en alleen met het oog op de aanvullende handel bij [geïntimeerde] heeft gekocht.

Ook heeft [appellante] niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat het plotseling wegvallen van de inkomsten c.q. winsten uit de aanvullende handel bij [geïntimeerde] haar in een zodanig moeilijke positie bracht dat een opzegtermijn van één week te kort moet worden geacht.

De opzegtermijn van een week acht het hof al met al niet onredelijk kort.

27. Het hof concludeert op grond van al het vorenstaande dat, beoordeeld aan de hand van de redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval, de opzegging in beginsel rechtsgevolg heeft gehad, behoudens de uitkomst van de bij grief V te bespreken kwestie van de waarschuwing. De grieven I, II en VI falen derhalve.

28. Het hof kan in het midden laten of, zoals de rechtbank in rechtsoverweging 4.10 van het bestreden vonnis heeft overwogen, "vanaf het begin van de samenwerking de verhouding tussen partijen bij herhaling onder druk is komen te staan door de problemen die zich bij voortduring bleven voordoen" en of de aard van de problemen en de incidenten die zich bij voortduring voordeden er blijk van geven "dat de verhouding tussen partijen zodanig verstoord is geraakt dat van [geïntimeerde] in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij [appellante] zonder meer zou blijven toestaan deel te nemen aan de door haar georganiseerde veilingen". Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de omstandigheden zoals hiervoor weergegeven reeds de opzegging, en doet het in dit verband niet ter zake of de verhouding tussen partijen hierdoor onder druk kwam te staan c.q. verstoord is geraakt.

29. Bij een bespreking van de tegen deze overweging van de rechtbank gerichte grieven III en IV heeft [appellante] dan ook geen belang.

30. Grief V houdt in dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.10 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat de brief van 16 november 2004 hetzelfde effect sorteert als een waarschuwing.

31. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

In de brief van 16 november 2004 worden aan [appellante] twee voorstellen gedaan om de samenwerking te laten voortduren, welke voorstellen [appellante] bij brief van 3 december 2004 heeft afgewezen. Het hof is anders dan de rechtbank van oordeel dat deze brief niet hetzelfde effect sorteert als een waarschuwing, aangezien een waarschuwing naar haar aard vooraf dient te worden gegeven.

32. Grief V slaagt derhalve.

33. Het slagen van grief V brengt mee dat aan de orde komt het verweer van [geïntimeerde] dat zij [appellante] voorafgaande aan de opzegging meerdere malen heeft gewaarschuwd.

34. Het hof stelt voorop dat het begrip waarschuwing in art. 7 van de overeenkomst redelijkerwijs in deze zin dient te worden uitgelegd dat wordt gewaarschuwd voor tijdelijke dan wel definitieve uitsluiting van de veiling. De enkele "waarschuwing" dat door de aanvullende handelaar in strijd met de regels wordt gehandeld, volstaat derhalve niet, al kunnen dergelijke "waarschuwingen" bij de te maken beoordeling wel een rol spelen.

35. Het hof is van oordeel dat de hiervoor genoemde brief d.d. 8 juli 2004 een waarschuwing in vorenbedoelde zin bevat (zie ook de pleitnota van [geïntimeerde], p. 11). In deze brief wijst [geïntimeerde] er immers niet alleen op dat zij in de loop van de tijd diverse malen heeft aangegeven dat zij ontevreden is over de wijze waarop [appellante] de aanvulling van snijbloemen verzorgt, maar schrijft zij tevens het volgende:

"Aangezien u intussen ook uw boxruimte hebt opgezegd, voor ons een voorwaarde om aanvullend assortiment te mogen leveren, stellen wij voor om met ingang van 1 augustus 2004 de relatie met [appellante] te beëindigen. Hiermee vervallen uw rechten om na die datum nog snijbloemen aan te vullen."

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante], mede in het licht van alle voorgaande schriftelijke opmerkingen over het door [appellante] niet volgen van de regels, hieruit redelijkerwijs dienen af te leiden dat als zij in de toekomst opnieuw in strijd zou handelen met de regels, [geïntimeerde] de overeenkomst niet zou willen voortzetten. Daarmee heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof voldaan aan de in art. 7 van de overeenkomst neergelegde waarschuwingsplicht, zoals deze plicht redelijkerwijs dient te worden uitgelegd.

36. Het onderhavige verweer slaagt derhalve.

37. Het vorenoverwogene brengt mee dat de door [appellante] gevorderde schadevergoeding dient te worden afgewezen. Het hof kan derhalve voorbijgaan aan het bezwaar van [geïntimeerde] tegen de eisvermeerdering van [appellante] ter gelegenheid van het schriftelijk pleidooi in hoger beroep.

38. Grief VII houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het geschil met betrekking tot de displaykarren is opgelost. [appellante] betwist uitdrukkelijk dat de displaykarren zijn teruggekomen en dat het geschil is opgelost.

39. In haar antwoord op deze grief stelt [geïntimeerde] dat partijen met betrekking tot de displaykarren inderdaad een oplossing hebben bereikt. Ter gelegenheid van het schriftelijk pleidooi heeft zij dit als volgt toegelicht. Toen de displaykarren van [appellante] uit Duitsland retour waren gekomen, wilde [appellante] ze niet meer terugontvangen. Toen is tussen [appellante] en Breugem namens [geïntimeerde] afgesproken dat aan [appellante] € 280,- per rek zou worden betaald. Op 1 september 2005 heeft [geïntimeerde] ter zake van 8 rekken een bedrag van € 2.240,- afgerekend, op welk bedrag een schuld van [appellante] ad € 256,98 in mindering is gebracht. [geïntimeerde] heeft € 1.938,02 overgemaakt. Op 18 november 2005 zijn 7 rekken weer teruggebracht. Daarvoor is € 1.960,- betaald.

40. Het hof constateert dat deze gestelde gang van zaken is terug te vinden in de door [geïntimeerde] overgelegde e-mailcorrespondentie (productie 2 bij de conclusie na comparitie d.d. 28 juni 2006 van [geïntimeerde]). In het licht van deze e-mailcorrespondentie had naar het oordeel van het hof van [appellante] mogen worden verwacht dat zij haar grief duidelijker had toegelicht. Nu [appellante] dit heeft nagelaten, heeft zij de door [geïntimeerde] gestelde beëindiging van het geschil met betrekking tot de displaykarren onvoldoende (onderbouwd) betwist, zodat het hof dit als vaststaand zal aannemen.

41. Grief VII faalt derhalve.

42. Het hof passeert de verschillende bewijsaanbiedingen van [appellante], in hoger beroep gedaan, als niet ter zake dienend.

De slotsom

43. Het vonnis d.d. 22 augustus 2007 waarvan beroep voor zover tussen [appellante] en [geïntimeerde] gewezen dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellante] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (2 punten in tarief V).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 22 augustus 2007 waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 5.916,-- aan verschotten en € 5.264,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Janse, voorzitter, Zandbergen en Tjallema, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 30 maart 2010 in bijzijn van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature