Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Kennelijk onredelijk ontslag.

Geen toepassing kantonrechtersformule.

Uitspraak



Arrest d.d. 23 december 2008

Zaaknummer 107.001.250/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats en -gemeente appellant],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

advocaat: mr. P. Stehouwer, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

1. [persoonsnaam geïntimeerde 3] Installatietechniek V.O.F.,

gevestigd en kantoorhoudende te Sleen, gemeente Coevorden,

hierna te noemen: [de v.o.f.]

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats en -gemeente geïntimeerde 2],

hierna te noemen: [geïntimeerde 2],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats en -gemeente geïntimeerde 3],

hierna te noemen: [geïntimeerde 3],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: Installatietechniek c.s.,

advocaat: mr. S.A. Roodhof, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 21 december 2005 en 19 april 2006 door de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 18 juli 2006 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 19 april 2006 met dagvaarding van Installatietechniek c.s. tegen de zitting van 13 september 2006. De conclusie van de appeldagvaarding luidt:

''bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank

Assen, sector kanton, locatie Emmen, gewezen op 19 april 2006 onder zaak / rolnummer 165336 / CV EXPL 05-3190 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het in eerste instantie gevorderde toe te wijzen en geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen, in die zin dat als een van de geïntimeerden betaalt de andere geïntimeerden zijn bevrijd''t'', alsmede tot betaling van de kosten van dit geding in beide instanties.''

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

''het vonnis van de rechtbank Assen, Sector Kanton, locatie Emmen van 19 april 2006 met zaaknummer 165335 / VC EXPL 05-3190 zal vernietigen en tot betaling aan [appellant] van een vergoeding van € 62.927,24 bruto, dan wel een door uw Gerechtshof in goede justitie vast te stellen schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het einde van het dienstverband. Daarnaast wordt verzocht [de v.o.f.] te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.''

Bij memorie van antwoord is door Installatietechniek c.s. verweer gevoerd met als conclusie:

''bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zonodig met aanvulling van gronden, te bevestigen het vonnis van de rechtbank te Assen, sector Kanton, locatie Emmen, gewezen op 19 april 2006, met het zaaknummer 165335/CV EXPL 05-3190, tussen geïntimeerden als gedaagden als appellant als eiser en appellant in dien appèl, niet ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen, met veroordeling van appellant in de kosten van beide instanties.''

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft zes grieven opgeworpen.

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 2 van het vonnis de feiten vastgesteld. Tegen een onderdeel van deze vaststelling komt [appellant] op. Het hof zal de feiten opnieuw vaststellen op grond van hetgeen door partijen in eerste aanleg en in appel is gesteld en niet (voldoende) is betwist, mede gezien de in het geding gebrachte en in zoverre niet weersproken producties.

2. Omdat het hof de feiten zelfstandig vaststelt, heeft [appellant] geen belang bij (de behandeling van) grief 1.

3. Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.1. [appellant] (geboren [in] 1959) is op 23 september 1991 in de functie van elektromonteur voor onbepaalde tijd bij Installatietechniek c.s. in dienst getreden. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 2.354,18 bruto per maand (exclusief vakantietoeslag en emolumenten).

3.2. Installatietechniek c.s. exploiteren een elektrotechnisch installatiebedrijf en een loodgietersbedrijf, alsmede een kleinhandel in elektrotechnische artikelen, geluidsdragers, airconditioning en bliksemafleidingen. Er werken ongeveer 18 personen.

3.3. [appellant] is op 23 mei 2001 wegens arbeidsongeschiktheid uitgevallen. Dit uitvallen hield verband met nek- en schouderklachten en uitvalverschijnselen aan de linkerarm. [appellant] heeft zich die dag onder behandeling van zijn huisarts gesteld. Sindsdien is hij in verband met deze klachten behandeld door zijn huisarts en medisch specialist. Ook heeft hij Caesartherapie en (ortho)manuele therapie ondergaan.

3.4. Begin 2002 is [appellant], in overleg met de bedrijfsarts, weer begonnen met het verrichten van werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis. Blijkens een verslag van de bedrijfsarts verricht [appellant] in maart 2002 lichte magazijnwerkzaamheden. Hij moet met deze werkzaamheden doorgaan.

3.5. In mei 2002 vinden gesprekken plaats tussen de arbeidsdeskundige van het UWV, [appellant] en Installatiechniek c.s. Bij die gesprekken komt, blijkens de overgelegde gespreksverslagen, opgesteld door de arbeidsdeskundige van het UWV, naar voren dat [appellant] beperkt inzetbaar is in het magazijn. Hij ervaart tijdens het werk en daarna forse pijnen. Om die reden zijn er volgens de arbeidsdeskundige ernstige twijfels met betrekking tot de passendheid van het magazijnwerk. Bij Installatietechniek c.s. is volgens de arbeidsdeskundige vooralsnog geen passende functie voorhanden. In de verslagen wordt melding gemaakt van de toezegging van Installatietechniek c.s. om te proberen [appellant] via een proefplaatsing bij een zakenrelatie te detacheren en om hem aan te melden bij Entree.

3.6. Bij beslissing van het UWV van 29 april 2002 wordt aan [appellant] met ingang van 27 mei 2002 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheids-percentage van 35 - 45 toegekend. Nadat [appellant] bezwaar heeft gemaakt tegen deze beslissing, is deze beslissing ingetrokken en is deze vervangen door een nieuwe beslissing, waarbij aan [appellant] met ingang van 27 mei 2002 een WAO-uitkering is toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 - 100.

3.7. Blijkens een rapportage van 7 oktober 2002 van de arbeidsdeskundige van het UWV ondergaat [appellant] een behandeling bij een revalidatiearts en is hem afgeraden om gedurende deze behandeling arbeid te verrichten. De reïntegratieactiviteiten zullen weer worden opgepakt na afloop van de behandeling.

3.8. Uit een rapport van 1 mei 2003 van de arbeidsdeskundige blijkt dat [appellant] in januari van dat jaar bij wijze van therapie voor enkele uren per dag weer is begonnen in het magazijn. Het rapport vermeldt onder meer:

"Indien de belanghebbende dit lichamelijk aankan voor een min of meer volledige werkweek zal de werkgever hem t.z.t. de functie van magazijnmeester aanbieden."

Volgens het rapport vraagt een aantal punten aandacht en wellicht een voorziening. Het betreft allereerst de scholing van [appellant], die kennis van het gebruik van computers, administratief inzicht en andere relevante kennis van magazijnbeheer mist. "Met belanghebbende en zijn werkgever, dhr. [geïntimeerde 3], sprak ik af dat de werkgever op zoek gaat naar een adequate opleiding en daarvoor een begroting bij mij zal indienen."

Voorts heeft [appellant] volgens het rapport, in verband met zijn klachten behoefte aan een goed verstelbare bureaustoel met verstelbare hoofdsteun. "De werkgever zal in eerste instantie zelf op zoek gaan naar zo'n stoel en een offerte vragen."

Verder is ten behoeve van het zicht op de bovenste schappen een verrijdbaar opstapje nodig en verzoekt [appellant] voor het rijden in de eigen auto, die hij ook voor het werk gebruikt, om een verstelbare hoofdsteun.

In de conclusie van het rapport schrijft de arbeidsdeskundige dat [appellant] voorlopig ingedeeld blijft in de klasse 80-100% arbeidsongeschiktheid en dat te zijner tijd een nieuw medisch oordeel inzake (verwachte) belastbaarheid noodzakelijk is.

3.9. Op 28 oktober 2003 hebben Installatietechniek c.s. bij het Centrum voor Werk en Inkomen (het CWI) een ontslagvergunning voor [appellant] gevraagd in verband met diens inmiddels (ruim) twee jaar durende arbeidsongeschiktheid. [appellant] heeft verweer gevoerd. De vergunning is bij beslissing van 23 december 2003 geweigerd, omdat

"werknemer op dit moment 6 uur per dag werkt en niet wordt uitgesloten dat werknemer op termijn 8 uur per dag kan werken en werkgever niet heeft aangegeven dan wel niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit niet mogelijk is."

3.10. In het kader van de procedure bij het CWI heeft het UWV advies uitgebracht. Het schriftelijk advies van 19 november 2003 vermeldt onder meer:

"Belanghebbende heeft thans nog een uitkering WAO op basis van 80/100%. Recent medisch onderzoek heeft aangetoond dat er forse beperkingen zijn doch dat er geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. Ingeval van passende arbeid is 8 uur werken per dag mogelijk. Volledig herstel wordt niet verwacht. (...)De werkgever is van mening dat betrokkene onvoldoende (in uren) inzetbaar is in de functie van magazijnmeester. De voorgestelde aanpassingen (zie rapportage d.d. 1-5-2003) zijn echter onvoldoende of niet doorgevoerd."

3.11. [appellant] heeft zich na het aanvragen van de ontslagvergunning ziek gemeld.

3.12. In een brief van 25 februari 2004 aan Installatietechniek c.s. heeft FNV Bondgenoten namens [appellant] aangegeven dat [appellant] een MRI-scan had ondergaan en dat hij op 30 maart 2004 een afspraak heeft met de neurochirurg, waarbij de mogelijkheid van werkhervatting aan de orde zal komen. In de brief is Installatietechniek c.s. gevraagd om [appellant] na 30 maart 2004 op te roepen voor een gesprek over een werkhervatting in een passende functie. Installatietechniek c.s. hebben niet op deze brief gereageerd.

3.13. In een brief van 11 maart 2004 aan [appellant] maakten Installatietechniek c.s. aanspraak op terugbetaling door hem van teveel betaald salaris. Volgens Installatietechniek c.s. zouden zij [appellant] na mei 2003 ten onrechte het volledige salaris, in plaats van 70%, hebben doorbetaald. De gemachtigde van

[appellant] heeft de vordering van Installatietechniek c.s. betwist en heeft geprotesteerd tegen de door Installatietechniek c.s. toegepaste verrekening van hun vordering met de door Installatietechniek c.s. ontvangen bedragen uit hoofde van een afgesloten WAO-gat verzekering. Installatietechniek c.s. hebben, nadat [appellant] het aanhangig maken van een procedure had aangekondigd en Installatietechniek c.s. rechtskundig advies hadden ingewonnen, de uitkering betreffende de WAO-gat verzekering uitbetaald.

3.14. Op 19 juli 2004 heeft op het bedrijf van Installatietechniek c.s. een gesprek plaatsgevonden tussen partijen, nadat Installatietechniek c.s. [appellant] hadden opgeroepen weer op het werk te verschijnen. Partijen konden geen afspraken maken over een werkhervatting van [appellant].

3.15. Blijkens een rapport van de arbeidsdeskundige van het UWV van 30 augustus 2004 zijn onvoldoende functies en arbeidsplaatsen gevonden om ten aanzien van [appellant] over te gaan tot een schatting anders dan 80-100 % arbeidsongeschiktheid. In het rapport wordt het gesprek met [appellant] over zijn belastbaarheid als volgt weergegeven:

"Voor toename bleek in de praktijk dat de aangeboden aangepaste arbeid bij [geïntimeerde 3] Installatietechniek moeizaam vol te houden was. Half doorgevoerde aanpassingen vertroebelden het beeld van haalbaarheid na bijscholing. Hernieuwde uitval en wederzijdse irritaties verstoorden het reïntegratieproces dat nu volledig tot stilstand is gekomen. De toename van beperkingen en daarmee de afname van belastbaarheid maken nu wel duidelijk dat het magazijnwerk zoals dat zich bij deze werkgever voordoet, ook met bijscholing en aanpassingen, niet meer als passend kan worden aangemerkt. Belanghebbende zal niet in staat zijn binnen de structuur van de relevante arbeidsbehoefte van dit specifieke bedrijf rendabel te functioneren in de daar voorkomende functies, ook niet in het magazijn. Het thans toegenomen beperkte gebruik van beide armen in combinatie met de reeds bekende nekklachten zijn verantwoordelijk voor het wegvallen van zijn mogelijkheden bij deze werkgever."

In de conclusie van de arbeidsdeskundige is onder meer vermeld:

"Gegeven de huidige belastbaarheid zie ik binnen de kaders van het reguliere bedrijfsleven geen passende mogelijkheden ontstaan (...) Aanmelden inzake begeleiding en bemiddeling bij een reïntegratiebedrijf is niet aan de orde."

3.16. In een brief van 7 september 2004 aan Installatietechniek c.s. schreef de arbeidsdeskundige:

"Recentelijk werd de heer [appellant] opnieuw gezien door onze verzekeringsarts. Deze constateerde een toename van beperkingen. Deze toename van beperkingen, bij de reeds bestaande beperkte belastbaarheid, maken dat ik, kennisgenomen hebbende van de relevante arbeidsmogelijkheden binnen uw onderneming, van mening ben dat belanghebbende niet meer in staat is op rendabele wijze ingezet te worden als magazijnmedewerker."

3.17. Installatietechniek c.s. hebben vervolgens opnieuw een ontslagvergunning aangevraagd. De vergunning is hun door het CWI bij beslissing van 17 maart 2005 verleend.

3.18. Installatietechniek c.s. hebben de arbeidsovereenkomst met [appellant] daarop per 30 juni 2005 opgezegd.

Procedure in eerste aanleg

4. [appellant] stelt dat het hem verleende ontslag kennelijk onredelijk is, nu Installatietechniek c.s. hem geen enkele compensatie hebben willen verlenen, zij tekortgeschoten is in haar reïntegratieverplichtingen, haar houding het herstel van [appellant] belemmerd heeft en de verhoudingen onnodig onder druk heeft gezet en de uitval van [appellant] plaatsvond ten tijde van de werkzaamheden.

[appellant] maakt aanspraak op een schadevergoeding van ruim € 62.000,00 bruto. Bij de berekening van dit bedrag is hij uitgegaan van de kantonrechtersformule, waarbij hij de C-factor op 1,5 heeft gesteld.

5. De kantonrechter heeft het verweer van Installatietechniek c.s. gehonoreerd en de vordering van [appellant] afgewezen. Volgens de kantonrechter is onvoldoende aannemelijk geworden dat Installatietechniek c.s. de (in rechtsoverweging 3.8 vermelde) afgesproken maatregelen over aanpassing van de werkplek c.s. niet zijn nagekomen, nog daargelaten dat [appellant] vanwege zijn toegenomen beperkingen ook met die aanpassingen het werk niet kon verrichten. Volgens de kantonrechter heeft [appellant] zijn stelling dat zijn arbeidsongeschiktheid een (direct) gevolg is van zijn werk voor Installatietechniek c.s. onvoldoende onderbouwd. Nu Installatietechniek c.s. uiteindelijk aan de suppletieverplichting hebben voldaan, levert het feit dat daarin een achterstand heeft bestaan volgens de kantonrechter geen onredelijkheid van het ontslag op. De kantonrechter oordeelt tenslotte dat van Installatietechniek c.s., gelet op de uitkomst van de WAO-herbeoordeling van [appellant], niet verwacht mocht worden dat zij [appellant] zouden aanmelden bij een reïntegratiebedrijf of bij een andere werkgever. Al met al doen zich volgens de kantonrechter geen kenbare omstandigheden voor, die het gegeven ontslag kennelijk onredelijk doen zijn.

Wijziging van eis

6. De conclusie van de memorie van grieven van [appellant] wijkt enigszins af van de in de appeldagvaarding geformuleerde eis. Nu uit de memorie van grieven niet volgt dat [appellant] beoogd heeft zijn eis te wijzigen, gaat het hof er vanuit dat de conclusie in de memorie van grieven gezien moet worden als een samenvatting van de eis in de appeldagvaarding en dat [appellant] bedoeld heeft die eis te handhaven.

Bespreking van de (overige) grieven

7. Met de grieven 2 tot en met 5 komt [appellant] op tegen (diverse onderdelen van) het hiervoor weergegeven oordeel van de kantonrechter over het ontslag. De grieven leggen de vraag of het ontslag kennelijk onredelijk is op de in artikel 7:681 lid 2 sub b BW vermelde grond, het gevolgencriterium, - en daarmee het geschil tussen partijen - in volle omvang aan het hof voor.

8. Bij het antwoord op de vraag of een verleend ontslag kennelijk onredelijk is vanwege het gevolgencriterium dienen volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden van het geval te worden meegewogen (vgl. HR 1 december 1961, NJ 1962, 78 en 10 juni 2005, JAR 2005, 174). Daarbij kunnen verschillende aspecten een rol spelen, zoals de duur van het dienstverband, de leeftijd van de werknemer, diens vooruitzichten op ander werk en de hoogte van het salaris. Ook de redenen voor en de bijzonderheden rond het ontslag moeten worden vastgesteld en worden gewogen. Van belang is tevens of aan de werknemer een vergoeding is toegekend. Het enkele feit dat een vergoeding ontbreekt, maakt het ontslag echter niet kennelijk onredelijk.

9. In geval van arbeidsongeschiktheid kan van belang zijn - maar is niet zonder meer beslissend - de relatie tussen de arbeidsongeschiktheid en het werk, de vraag of en de mate waarin de werkgever een verwijt gemaakt kan worden van de arbeidsongeschiktheid, alsmede de wijze waarop de werkgever met de arbeidsongeschiktheid is omgegaan, met name ten aanzien van de reïntegratie, en de mate waarin de werknemer heeft meegewerkt aan zijn reïntegratie. De enkele omstandigheid dat een werknemer na een langdurig dienstverband wegens arbeidsongeschiktheid is ontslagen levert op zich zelf beschouwd geen grond op voor het toekennen van een vergoeding (HR 15 februari 2008, JAR 2008, 76).

10. Het hof zal, in het licht van het bovenstaande, de feiten en omstandigheden bespreken die naar zijn oordeel van belang zijn bij het antwoord op de vraag of het ontslag kennelijk onredelijk is.

11. Allereerst is van belang dat [appellant] bijna veertien jaar bij Installatietechniek c.s. in dienst is geweest. Er is derhalve sprake van een langdurig dienstverband. Gesteld noch gebleken is dat het functioneren van [appellant] in de periode voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid te wensen overliet.

12. Vervolgens speelt de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid van [appellant] een rol. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] zijn stelling dat hij een dubbele nekhernia heeft opgelopen (en vervolgens arbeidsongeschikt is geworden) doordat hij op 23 mei 2001 (te) zwaar werk moest verrichten bij Installatietechniek c.s. onvoldoende onderbouwd. [appellant] heeft deze, door Installatietechniek c.s. gemotiveerd weersproken, stelling slechts onderbouwd met schriftelijke verklaringen van gezinsleden inhoudende dat [appellant] op 23 mei 2001 met ernstige nekklachten is thuisgekomen uit zijn werk en met gegevens van zijn huisarts waaruit volgt dat [appellant] zich op 23 mei 2001 voor het eerst met (acute) nekklachten heeft gemeld. Uit deze gegevens blijkt echter niet van een (direct) verband tussen de op 23 mei 2001 te verrichten werkzaamheden en de nekklachten. Het had op de weg van [appellant] gelegen om zijn stellingen nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door het in het geding brengen van een rapport van een deskundige waarin het bestaan van een dergelijk verband wordt onderschreven. Het hof neemt in dit kader ook in aanmerking dat, zoals Installatietechniek c.s. onbetwist hebben gesteld, [appellant] voorafgaand aan het aanhangig maken van deze procedure nimmer kenbaar heeft gemaakt dat er een verband zou bestaan tussen het ontstaan van de nekklachten en de werkzaamheden op 23 mei 2001. Nu [appellant] zijn stellingen onvoldoende onderbouwd heeft, is voor bewijslevering geen plaats. Om die reden passeert het hof het door [appellant] gedane bewijsaanbod.

13. Indien en voor zover [appellant] Installatietechniek c.s. een verwijt heeft willen maken van het ontstaan van zijn arbeidsongeschiktheid - helemaal duidelijk is dat niet - mist dat verwijt gelet op hetgeen hiervoor is overwogen feitelijke grondslag. Het hof laat dan nog buiten beschouwing dat eventueel verwijtbaar handelen of nalaten van Installatietechniek c.s. niet gegeven is met het bestaan van een (direct) verband tussen de arbeidsongeschiktheid van [appellant] en diens werkzaamheden voor Installatietechniek c.s.

14. Verder dient beoordeeld te worden of, zoals [appellant] stelt maar Installatietechniek c.s. bestrijden, Installatietechniek c.s. op een incorrecte wijze zijn omgegaan met zijn arbeidsongeschiktheid.

15. [appellant] stelt allereerst dat Installatietechniek c.s. hem ten onrechte geen computercursus hebben aangeboden, niet hebben zorg gedragen voor een aangepaste stoel en een verrijdbaar trapje en ook hun verplichting om te zorgen voor een hoofdsteun in de auto van [appellant] niet zijn nagekomen. Aldus hebben Installatietechniek c.s., meent [appellant], de door de arbeidsdeskundige van het UWV in zijn rapport van 1 mei 2003 (aangehaald in rechtsoverweging 3.8) aangegeven voorzieningen niet getroffen. Installatietechniek c.s. stellen dat zij deze voorzieningen wel getroffen hebben.

16. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] zijn verwijt over het niet aanbieden van een computercursus onvoldoende onderbouwd. Installatietechniek c.s. hebben een brief van de leverancier van de in het magazijn gebruikte software in het geding gebracht waaruit volgt dat deze leverancier geen "in home"-cursussen geeft. [appellant] heeft de inhoud van deze brief onvoldoende weerlegd. De enkele verwijzing naar de website van de desbetreffende leverancier, waaruit anders zou volgen, is daartoe onvoldoende. Door twee medewerkers de opdracht te geven [appellant] te leren omgaan met het computersysteem en erop toe te zien dat aan die opdracht gevolg werd gegeven

- zoals Installatietechniek bij gelegenheid van het pleidooi in eerste aanleg hebben gesteld en door [appellant] niet is bestreden - hebben Installatietechniek c.s. onder deze omstandigheden gedaan wat van hen verwacht mocht worden.

17. Installatietechniek c.s. hebben hun verweer tegen de stelling van [appellant] dat geen goede bureaustoel en geen verrijdbaar trapje zijn aangeschaft naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Zij hebben weliswaar een factuur betreffende de aanschaf van een bureaustoel overgelegd, maar dat deze factuur betrekking heeft op een op de beperkingen van [appellant] afgestemde bureaustoel is, mede gelet op het (betrekkelijk geringe) factuurbedrag, onvoldoende aannemelijk, nog daargelaten dat Installatietechniek c.s. niet gesteld hebben dat de stoel ook door een deskundige is afgesteld op de persoon van

[appellant]. Een bewijsstuk voor de gestelde aanschaf van een verrijdbaar magazijntrapje ontbreekt.

18. Ten aanzien van de hoofdsteun voor de auto hebben Installatietechniek c.s. betoogd dat [appellant] deze zelf zou aanschaffen en dat hij de factuur bij Installatietechniek c.s. zou indienen, maar dat zij nimmer een factuur ontvangen hebben. [appellant] heeft dit betoog niet gemotiveerd weersproken, zodat van de juistheid ervan kan worden uitgegaan.

19. [appellant] stelt ook dat Installatietechniek c.s. in oktober 2003 ten onrechte een ontslagvergunning voor hem hebben aangevraagd. Het hof is, met [appellant], van oordeel dat het aanvragen van een ontslagvergunning door Installatietechniek c.s. op dat tijdstip prematuur was. In oktober 2003 was de reïntegratie van [appellant] nog maar enkele maanden geleden begonnen en bestond, gelet op het advies van het UWV (aangehaald in rechtsoverweging 3.10), uitzicht op een succesvol traject. Door op dat moment een ontslagvergunning aan te vragen hebben Installatietechniek c.s. naar het oordeel van het hof de voor een goed verloop van de reïntegratie noodzakelijke vertrouwensbasis tussen werkgever en werknemer ondergraven.

20. [appellant] verwijt Installatietechniek c.s. ook dat in oktober 2004 ten onrechte een inhouding is toegepast op zijn salaris. Dit verwijt is terecht, gelet op het feit dat Installatietechniek c.s. de inhouding, onder de dreiging van een procedure, ongedaan hebben gemaakt.

21. Installatietechniek c.s. verwijten [appellant] een passieve houding bij zijn reïntegratie. Zij maken dit verwijt echter nauwelijks concreet. Bovendien is gesteld noch gebleken dat zij [appellant] op diens passieve houding hebben aangesproken, hetgeen van Installatietechniek c.s. indien van een passieve houding sprake is geweest als goed werkgever wel verwacht had mogen worden.

22. De slotsom is dat Installatietechniek c.s. niet correct zijn omgegaan met de arbeidsongeschiktheid van [appellant]. Zij hebben niet alle voor een goede reïntegratie noodzakelijke voorzieningen aangeschaft en hebben door een premature ontslagaanvraag en een onjuiste inhouding op het salaris van [appellant] de vertrouwensbasis tussen partijen ondermijnd.

23. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt, anders dan [appellant] meent, echter niet dat het aan Installatietechniek c.s. te verwijten valt dat [appellant] zijn werkzaamheden voor Installatietechniek c.s. niet heeft kunnen voortzetten. Uit de rapporten van het UWV van 30 augustus en 7 september 2004 (aangehaald in rechtsoverwegingen 3.15 en 3.16) volgt dat de beperkingen van [appellant] zijn toegenomen en dat deze toegenomen beperkingen in de weg stonden aan een succesvolle reïntegratie van [appellant]. Van enig verband tussen de toegenomen beperkingen en het tekortschieten van Installatietechniek c.s. in hun verplichtingen is onvoldoende gebleken.

24. Tenslotte is van belang dat aan [appellant] geen enkele financiële compensatie in verband met het hem verleende ontslag is verstrekt. Daarbij neemt het hof wel in aanmerking dat Installatietechniek c.s. het salaris van [appellant] geruime tijd, vanaf het ontstaan van diens arbeidsongeschiktheid in mei 2001 tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst in juni 2005, hebben doorbetaald, althans de WAO-uitkering van [appellant] hebben aangevuld. Bovendien is de inkomensderving van [appellant] uiteindelijk het gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid.

25. Het enkele feit dat Installatietechniek c.s. aan [appellant] geen financiële compensatie voor de gevolgen van het ontslag heeft aangeboden, maakt het ontslag ondanks de duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag voor [appellant], gelet op hetgeen in de vorige rechtsoverweging is overwogen, nog niet kennelijk onredelijk. Nu Installatietechniek c.s. echter niet correct zijn omgegaan met de arbeidsongeschiktheid is het ontslag zonder toekenning van enige vergoeding naar het oordeel van het hof wel kennelijk onredelijk.

26. Voor zover de grieven gericht zijn tegen het (eind)oordeel van de kantonrechter dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is, slagen deze.

27. [appellant] maakt aanspraak op een schadeloosstelling van ruim € 62.000,-- bruto. Dit bedrag is gebaseerd op de kantonrechtersformule met een C-factor van 1,5. Daargelaten of en in hoeverre deze formule maatstaf dient te zijn bij de vaststelling van schadevergoedingen op grond van kennelijk onredelijk ontslag, in de omstandigheid dat de schade van [appellant] uiteindelijk niet het gevolg is van het ontslag maar van de arbeidsongeschiktheid ziet het hof reden om aan

[appellant] een vergoeding toe te kennen die aanmerkelijk lager is dan het door hem gevorderde bedrag. Het hof acht, gelet op al hetgeen is overwogen omtrent de duur van het dienstverband, het functioneren van [appellant] en de (te wensen overlatende) houding van Installatietechniek c.s. ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid van [appellant] een schadevergoeding van € 10.000,-- op haar plaats. De vordering van [appellant] zal worden toegewezen tot dit bedrag. Over dit bedrag is wettelijke rente verschuldigd vanaf 1 juli 2005, de dag met ingang waarvan de arbeidsovereenkomst tussen partijen geëindigd is (vgl. Hoge Raad 21 november 2008, LJN: BE 9995).

28. Beide partijen zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. Het ontslag is weliswaar kennelijk onredelijk, en in zoverre zijn Installatietechniek c.s. in het ongelijk gesteld, maar niet alle door [appellant] aan zijn vordering ten grondslag gelegde gronden zijn gehonoreerd en aan

[appellant] zal een veel lagere vergoeding worden toegekend dan door hem wordt gevorderd. Om die reden zal het hof de proceskosten van het geding in eerste aanleg en in appel compenseren.

29. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat grief 6, die gericht is tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, ook slaagt.

De beslissing:

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 19 april 2006;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [de v.o.f.], [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] hoofdelijk, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd, om aan [appellant] te betalen een bedrag van

€ 10.000,-- bruto, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2005 tot aan het tijdstip van voldoening van deze vordering;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van het geding in eerste aanleg en in appel, in die zin dat partijen belast blijven met de kosten;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mrs. Zuidema, voorzitter, Breemhaar en De Hek, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 23 december 2008 in bijzijn van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature