Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

In geschil is of de naheffingsaanslag fosfaatheffing en de naheffingsaanslag stikstofheffing terecht zijn opgelegd.

Uitspraak



BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 42/05 19 mei 2006

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van maatschap X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van Bureau Heffingen te Assen, thans de inspecteur van de Dienst Regelingen te Den Haag (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de naheffingsaanslagen in de fosfaatheffing en in de stikstofheffing over het jaar 2001.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 17 juni 2004 is aan belanghebbende over het jaar 2001 een naheffingsaanslag fosfaatheffing ten bedrage van ƒ 43.870, - met een verzuimboete van ƒ 438,70 opgelegd. Tevens is een naheffingsaanslag in de stikstofheffing ten bedrage van ƒ 1.737, - met een verzuimboete van ƒ 17,37 opgelegd.

1.2 Op het ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 15 december 2004 het bezwaar ongegrond verklaard. De boetes heeft de inspecteur ambtshalve teruggebracht tot nihil.

1.3 Belanghebbende is tegen de uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift met dagtekening 17 januari 2005 (met bijlagen), hetwelk op 18 januari 2005 bij het hof is ingekomen.

1.4 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) op 9 maart 2005 heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling van het beroep plaatsgevonden ter zitting van 26 april 2006, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de heer A, bijgestaan door de heren B en C en namens de inspecteur D. De gemachtigde van belanghebbende heeft de door hem overgelegde pleitnota voorgelezen. De inspecteur heeft eveneens een pleitnota voorgelezen en overgelegd.

1.5 Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting stelt het hof als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1 Belanghebbende exploiteert een akkerbouwbedrijf en voert in het kader van de Meststoffenwet een verfijnde boekhouding. Belanghebbende heeft met het varkenshouderijbedrijf E B.V. een één-op-één-contract gesloten voor de mestafzet ingaande per 1 januari 2001.

2.2 Op 20 december 2001 is belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte voor de verfijnde mineralenheffingen over het jaar 2001. Op 28 augustus 2002 heeft de inspecteur de “Verfijnde aangifte Minas 2001” ontvangen. Belanghebbende heeft op aangifte voor het heffingsjaar 2001 een bedrag van ƒ 43.930, - berekend aan fosfaatheffing en niets aan stikstofheffing. Belanghebbende heeft fosfaatheffing noch stikstofheffing voldaan.

2.3 Na het controleren van de aangiftegegevens van belanghebbende heeft de inspecteur vastgesteld dat belanghebbende een fosfaat- en stikstofoverschot heeft opgebouwd, waardoor de fosfaatheffing ƒ 43.870, - bedraagt en de stikstofheffing ƒ 1.737, -. Op 17 juni 2004 heeft de inspecteur aan belanghebbende derhalve naheffingsaanslagen tot op deze bedragen opgelegd.

2.4 Het fosfaatoverschot in het heffingsjaar 2001 is ontstaan doordat mest van het varkensbedrijf het gehele jaar 2001 door werd aangevoerd, terwijl belanghebbende de mest slechts kon aanwenden in het voorjaar, te weten voor het begin van het groeiseizoen. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende een deel van de aangevoerde mest moeten opslaan in een silo, welk deel vervolgens is aangewend in een ander jaar.

2.5 De accountant van E B.V. en haar directeur hebben respectievelijk bij de brieven van 9 februari 2001 en 21 augustus 2001 gericht aan de inspecteur en bij brief van 20 juli 2001 gericht aan het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, hierna: het Ministerie) het uit de één-op-één-mestcontracten voortvloeiende probleem van het mestoverschot bij akkerbouwers aangekaart. Op 16 augustus 2002 heeft de staatssecretaris van dit ministerie een brief geschreven waarin de mogelijkheden ter voorkoming en/of oplossing van het gesignaleerde probleem werden uiteengezet. Onder andere is daarin de mogelijkheid van registratie van de mestsilo als één van de oplossingen naar voren gebracht.

3. Het geschil en standpunten van partijen

3.1 In geschil is of de naheffingsaanslag fosfaatheffing en de naheffingsaanslag stikstofheffing terecht zijn opgelegd.

3.2 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de onderhavige naheffingsaanslagen het doel van de Wet, te weten het voorkomen van het op onverantwoorde wijze verdwijnen van mineralen in het milieu, voorbijschieten. Immers, de mineralen zijn opgeslagen in een silo van belanghebbende in afwachting van aanwending op een later tijdstip. Belanghebbende vindt de naheffingsaanslagen in strijd met het doel en de strekking van de wet- en regelgeving en met de algemene en hogere rechtsbeginselen. Volgens belanghebbende komt de inspecteur aan de toepassing van de betreffende artikelen van de Wet niet toe dan wel zijn deze artikelen onverbindend. Verder vindt belanghebbende het onbehoorlijk dat een antwoord van het Ministerie op de onder 2.5 vermelde brieven zo lang op zich heeft laten wachten. Belanghebbende beroep zich eveneens op toepassing van de hardheidsclausule.

3.3 De inspecteur is van mening dat de naheffingsaanslagen in overeenstemming met de wettelijke bepalingen terecht zijn opgelegd.

3.4 Partijen hebben ter zitting hun standpunten gehandhaafd. Voor een uitgebreidere motivering van de standpunten zij verwezen naar de gedingstukken.

4. De rechtsoverwegingen

4.1 Bij de wijziging van de Meststoffenwet per 1 januari 1998 is een stelsel van regulerende heffingen ingevoerd voor het ontoelaatbare mineralenverlies in de vorm van fosfaat en stikstof op landbouwbedrijven. Indien – zoals de artikelen 22, 23, 24 en 25 van de Meststoffenwet (tekst 2001) aangeven– gekozen wordt voor een verfijnde mineralenheffing wordt zoveel mogelijk van de werkelijke mineralenwaarden van aangevoerde en afgevoerde mineralen uitgegaan.

4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat de inspecteur overeenkomstig de artikelen 22, 23, 24 en 25 van de Meststoffenwet (tekst 2001) de onderhavige naheffingsaanslagen die betrekking hebben op het jaar 2001 heeft vastgesteld en opgelegd. Het stelsel van mestafzetovereenkomsten is pas vanaf 1 januari 2002 van kracht geworden. Gelet daarop kan het niet anders dan dat, naar het oordeel van het hof, de naheffingsaanslagen in stand moeten blijven.

4.3 Belanghebbende stelt dat de onderhavige naheffingsaanslagen in strijd zouden zijn met het doel en strekking van de Meststoffenwet. Wat daarvan ook zij, ingevolge artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, moet de rechter volgens de wet rechtspreken en mag hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. Verder is de Meststoffenwet wetgeving in formele zin zodat, naar het bepaalde in artikel 120 van de Grondwet , de rechter niet mag treden in de grondwettigheid daarvan. Het hof kan de Meststoffenwet wel toetsen aan eenieder verbindende verdragsbepalingen, echter de door de gemachtigde van belanghebbende niet gedefinieerde “algemene en hogere rechtsbeginselen” en “het rechtsgevoel” hebben daarin geen uitdrukking gevonden. De verwijzing van belanghebbende naar bepaalde jurisprudentie treft evenmin doel omdat daarin toetsing van wetgeving van een lagere wetgeving aan de orde was, welke toetssteen anders is dan die bij wetgeving in formele zin. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof niet, anders dan belanghebbende wil, de betreffende bepalingen van de Meststoffenwet opzij zet. Hieraan doet niet af dat – zoals belanghebbende stelt – door middel van de onder 2.5 vermelde brieven de inspecteur en het Ministerie in een vroeg stadium op de hoogte zijn gesteld van de problematiek van mestoverschotten in het eerste jaar bij mestafzetovereenkomsten. Dat belanghebbende en E B.V. hebben geanticipeerd op aangekondigde nieuwe wet- en regelgeving, waarvan de inhoud en de ingangsdatum nog niet vaststonden, blijft, naar het oordeel van het hof, voor hun rekening en risico.

4.4 De wens van belanghebbende, namelijk om de in de silo opgeslagen mest in het heffingsjaar 2001 buiten de heffing te houden, had in vervulling kunnen gaan indien hij één van de mogelijkheden die in de onder 2.5 vermelde brief van 16 augustus 2002 van de staatssecretaris van het Ministerie staat vermeld had gevolgd. Dat deze brief als “mosterd na de maaltijd” moet worden opgevat is naar het oordeel van het hof onjuist omdat de betreffende mogelijkheden al eerder aanwezig waren dan 16 augustus 2002. De mogelijkheid van registratie van de mestsilo was al opgenomen in het per 1 januari 2006 vervallen Besluit voorraden Meststoffenwet en Regeling voorraden Meststoffenwet. Bovendien wijzen – naar de inspecteur ter zitting stelt en het hof aannemelijk acht – de met de Verfijnde mineralenaangiften meegestuurde bijlagen op deze mogelijkheid, zodat belanghebbende hoe dan ook op de hoogte had kunnen zijn van deze mogelijkheid. Overigens blijkt uit de onder 2.5 vermelde brief van 21 augustus 2001 van de heer C dat de mogelijkheid van registratie van de mestsilo hem wel bekend was.

4.5 Verder is het hof niet bevoegd, indien zich bij de toepassing van de Meststoffenwet een onbillijkheid van overwegende aard mocht voordoen, een tegemoetkoming te treffen. Kortom, toepassing van de hardheidsclausule behoort niet tot zijn bevoegdheden.

4.7 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard moet worden.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht .

6. De beslissing.

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden op 19 mei 2006 door mr. F.J.W. Drion, raadsheer, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer in tegenwoordigheid van mr. De Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door voormelde voorzitter en griffier.

Op 24 mei 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature