Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Toelating WSNP.

Uitspraak



GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.208.162/01

Rekestnummer rechtbank : C/10/513510 / FT EA 16/2666

arrest van 21 maart 2017

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. P.A. Loeff te Zwijndrecht.

Het geding

Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 27 januari 2017, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2017, waarbij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Hij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij brief van 6 maart 2017 is nog een aantal producties aan het hof toegezonden.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 maart 2017. Verschenen is: [appellant] , bijgestaan door zijn advocaat.

Ter zitting van het hof heeft mr. Loeff nog een aantal producties overgelegd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellant] heeft op 11 november 2016 bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde bijlage ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 76.014,60.

2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw ).

Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288 lid 1 aanhef en onder c Fw ).

3. De grieven en argumenten van [appellant] kunnen als volgt worden samengevat.

[appellant] betwist dat hij in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend niet te goeder trouw is geweest. Tot tweemaal toe is hij door een faillissement van een werkgever zijn baan kwijtgeraakt en hierdoor is hij in de financiële problemen geraakt. Het is mogelijk dat door deze werkgevers of het UWV te weinig loonheffing is afgedragen, waardoor dit nu door de Belastingdienst wordt nagevorderd. De terugvorderingen huur- en zorgtoeslag volgden omdat het inkomen niet goed was ingeschat vanwege nabetalingen van het UWV en vervolgens een inkomen wisselend uit een WW-uitkering en loon uit dienstbetrekking.

Ten aanzien van de schuld aan het CJIB heeft [appellant] aangevoerd dat deze schuld reeds in 2014 is voldaan. Ter onderbouwing heeft hij een kwitantie overgelegd.

Met betrekking tot de schulden aan KPN en Neckermann heeft [appellant] aangevoerd dat deze, anders dan op de schuldenlijst vermeld staat, buiten de vijfjaarstermijn zijn ontstaan.

Ten aanzien van de vraag of voldoende aannemelijk is dat [appellant] de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal kunnen nakomen heeft [appellant] aangevoerd dat bij hem geen sprake is van psychosociale problematiek. De rechtbank heeft ten onrechte uit de “eindrapportage sociale activering” de conclusie getrokken dat daarvan wel sprake is. Dat rapport is immers opgesteld door een jobcoach en niet door een arts of een psycholoog. Aan de bevindingen van de jobcoach mag geen doorslaggevend gewicht worden gehecht, nu deze niet de deskundigheid heeft om een diagnose te stellen.

4. Gelet op de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is ingediend als bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw.

Ten aanzien van de belastingschulden heeft [appellant] toegelicht dat niet bewust is nagelaten om het juiste inkomen door te geven aan de Belastingdienst. Zijn inkomen was niet goed ingeschat omdat hij, vanwege de faillissementen van zijn werkgevers, nabetalingen van het UWV had ontvangen en vervolgens een inkomen had wisselend uit een WW-uitkering en loon uit dienstbetrekking. Onder deze omstandigheden acht het hof het ontstaan van de schulden aan de Belastingdienst niet dusdanig verwijtbaar dat deze schulden een toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg zouden moeten staan. Daarbij heeft het hof ook in aanmerking genomen dat uit de schuldenlijst bij de verklaring ex artikel 285 Fw blijkt dat de Belastingdienst de vorderingen die wel op de schuldenlijst vermeld staan niet als ‘fraude’ heeft aangemerkt en dat is ingestemd met het voorstel dat is voorgelegd in het kader van de minnelijke schuldregeling, welke instemming in beginsel achterwege blijft indien sprake is van fraude.

Ten aanzien van de schulden aan KPN en Neckermann is in hoger beroep aannemelijk geworden dat deze vallen buiten de vijfjaarstermijn en dus niet in de weg staan aan de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Naar het oordeel van het hof is daarmee thans geen sprake van schulden die duiden op overbesteding. Voorts is voldoende aannemelijk geworden dat de schuld aan het CJIB reeds is voldaan en er verder geen openstaande schulden aan het CJIB zijn. Het feit dat [appellant] eerder in de schuldsaneringsregeling heeft gezeten en nadien weer nieuwe schulden heeft laten ontstaan is naar het oordeel van het hof onvoldoende grond om [appellant] niet toe te laten in het licht van de omstandigheid, dat [appellant] binnen de looptijd van die regeling alle toen openstaande schulden heeft afbetaald.

5. Verder is in hoger beroep voldoende aannemelijk geworden dat [appellant] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Daartoe wordt overwogen dat [appellant] , anders dan bij de rechtbank, door het tonen van sollicitatiebrieven heeft aangetoond dat hij (inmiddels) solliciteert naar betaald werk. Ook verricht [appellant] vrijwilligerswerk en toont hij zich gemotiveerd zijn schuldenproblematiek op te lossen. [appellant] heeft ter zitting verklaard dat destijds weliswaar de omgangsregeling met zijn kinderen lange tijd moeizaam verliep, maar dat dit nu de kinderen wat groter zijn wel goed gaat. Het hof is met [appellant] van oordeel dat de “eindrapportage sociale activering” van juli 2015 geen grond (meer) vormt om te oordelen dat [appellant] gebukt gaat onder psychosociale problematiek.

6. Nu niet gebleken is van beletselen die aan toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg staan, zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitspreken.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2017;

- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] uit;

- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, C.J. Verduyn en A.J. Coster en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2017 in aanwezigheid van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature