Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

bewijswaardering; mondelinge reisovereenkomst gesloten?

Uitspraak



GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.075.895/01

Rolnummer rechtbank : 292122 / HAZA 07-2396

arrest d.d. 12 november 2013

inzake

Advanced Travel Partners Nederland B.V.,

gevestigd te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer,

appellante,

hierna te noemen: ATP,

advocaat: mr. J.P. Heering te 's-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.L. Groen te Waddinxveen.

Het geding

Bij tussenarrest van 23 november 2010 heeft het hof een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 25 januari 2011. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Op 10 mei 2011 is de comparitie voortgezet en is tevens mevrouw[A] als getuige gehoord. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Bij memorie van grieven (met producties) heeft ATP vier grieven aangevoerd tegen de bestreden vonnissen van 7 januari 2009 en 14 juli 2010. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

De door de rechtbank in het bestreden tussenvonnis van 7 januari 2009 vastgestelde feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

2.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1

ATP exploiteert een bij de Algemene Nederlandse Vereniging van Reisondernemingen (ANVR) aangesloten reisbureau. Vanaf 2002 boekte [geïntimeerde] zowel zakelijk als privé geregeld reizen bij ATP. [geïntimeerde] wenste met zijn echtgenote en zoon in februari 2007 een reis te maken naar India. Over deze reis hebben zowel de echtgenote als de persoonlijke assistent van [geïntimeerde] vanaf november 2006 diverse malen contact gehad met ATP. Eind 2006 heeft [geïntimeerde] aan ATP te kennen gegeven niet (langer) tevreden te zijn over de door ATP geboden service. Op 17 januari 2007 hebben twee medewerkers van ATP, te weten [B] (verder: [B]) en [C] (verder: [C]), een bezoek gebracht aan [geïntimeerde] om de rimpelingen in de verhoudingen glad te strijken. Zij hebben bij dat bezoek een "bevestiging/betalingsverzoek" voor € 34.146,14, een reisschema voor een India-reis van 16 tot 24 februari 2007 en het boekje "ANVR Informatie 2007, alles wat je moet weten als je op reis gaat" bij [geïntimeerde] achtergelaten. Op 31 januari 2007 heeft ATP van een van de geboekte hotels in India vernomen, dat de aldaar gemaakte boeking was geannuleerd. In verband daarmee heeft ATP het aan [geïntimeerde] overhandigde reisschema aangepast. Bij e-mailbericht van 2 februari 2007 schreef [B] aan [geïntimeerde]: "Beste Luc en Karin, Ik heb begrepen dat jullie van de reis naar India willen afzien vanwege jullie mening over de incorrecte communicatie. (…) Ik hoop dat jullie dit weekend toch nog even jullie gedachten over deze reis willen laten gaan en zal maandag contact met jullie opnemen." [geïntimeerde] stuurde op 7 februari 2007 aan [B] een SMS met de tekst: "Mir, India ga ik skippen, ben ziek bel je morgen". [B] reageerde bij e-mailbericht als volgt: "Zeer jammer dat jullie hebben besloten om de bevestigde reis naar India te annuleren…. (…) Aangezien we ca 1 week voor vertrek de reis moeten annuleren zullen de kosten volgens de voorwaarden van de hotels en de ANVR 90% bedragen. Uiteraard zal ik mijn best doen om deze te verlagen maar dat zal zeer moeilijk worden. (…)". [geïntimeerde] en zijn familie hebben de reis niet gemaakt.

2.2

In deze procedure vordert ATP betaling van een bedrag van € 21.801,32, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding. ATP stelt daartoe dat [geïntimeerde] ingevolge artikel 9, lid 2 sub a van de ANVR-reisvoorwaarden een bedrag van 75 % van de reissom, te weten € 25.609,61, aan haar verschuldigd is. Uit coulance heeft ATP niet dit gehele bedrag bij [geïntimeerde] in rekening gebracht, maar slechts de bij haar in verband met de annulering in rekening gebrachte kosten.

2.3

Bij het bestreden tussenvonnis van 7 januari 2009 heeft de rechtbank – voor zover thans van belang – ATP toegelaten te bewijzen dat partijen op 17 januari 2007 een reisovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot de India-reis. Vervolgens heeft ATP [B] en mevrouw L.Hezemans-van der Graaf als getuigen doen horen. In contra-enquête heeft [geïntimeerde] zichzelf, zijn echtgenote en zijn persoonlijk assistent, D. Gonzales, doen horen.

2.4

Bij het bestreden eindvonnis van 14 juli 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat ATP niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs en de vordering derhalve afgewezen.

3.1

In hoger beroep vordert ATP de vernietiging van de bestreden vonnissen en toewijzing van haar inleidende vorderingen. Haar grieven zijn gericht tegen de overwegingen in de vonnissen van 7 januari 2009 en 14 juli 2010 die de rechtbank hebben gebracht tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat tussen patijen een overeenkomst is gesloten met betrekking tot de India-reis. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Nu geen grieven zijn gericht tegen het tussenvonnis van 5 december 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast, houdt het hof het ervoor dat het hoger beroep zich niet uitstrekt tot dat vonnis.

3.2

In hoger beroep heeft ATP nog [C] als getuige doen horen. ATP meent dat zij heeft bewezen dat de in geding zijnde overeenkomst tot stand is gekomen op dezelfde wijze als alle eerdere reisovereenkomsten, te weten op informele manier, op basis van vertrouwen. De overeenkomst is volgens ATP tot stand gekomen in december 2006 toen de echtgenote van [geïntimeerde] telefonisch haar fiat heeft gegeven voor de reis. Dat dit het geval was, blijkt ook uit het feit dat de persoonlijke assistent van [geïntimeerde] op 1 of 2 januari 2007 per e-mail heeft aangegeven dat er voor [geïntimeerde] een visum moet worden aangevraagd. Deze visumaanvraag heeft [geïntimeerde] met zijn eigen handtekening geaccordeerd. ATP heeft het visum voor [geïntimeerde] geregeld en [geïntimeerde] heeft de ter zake aan hem verzonden rekening op 21 februari 2007 voldaan. ATP voert subsidiair aan dat zij voornoemde verklaringen en gedragingen in de gegeven omstandigheden heeft opgevat en mocht opvatten als instemming van [geïntimeerde] met de aangeboden reisovereenkomst. Zij meent dat een bewijsvermoeden dat in december 2006 een reisovereenkomst met betrekking tot de India-reis tot stand is gekomen, gerechtvaardigd is, zodat het aan [geïntimeerde] is om tegenbewijs te leveren.

3.3

Het hof volgt ATP hierin niet.

De omstandigheid dat partijen gewend waren op informele (mondelinge) wijze overeenkomsten te sluiten en deze niet schriftelijk te bevestigen, brengt slechts met zich mee dat uit het ontbreken van een schriftelijke bevestiging niet kan worden afgeleid dat geen overeenkomst is gesloten. Uit deze omstandigheid vloeit met name niet voort dat het bestaan van de mondelinge overeenstemming niet meer hoeft te worden bewezen. De bewijslast met betrekking tot deze mondelinge overeenkomst berust volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op ATP. Voor een bewijsvermoeden is geen plaats. De omstandigheid dat ATP een visum heeft aangevraagd voor [geïntimeerde] maakt dit niet anders, omdat [geïntimeerde] sowieso een reis naar India wilde maken, hetgeen de aanvraag van een visum verklaart. Dit betekent dat de vraag is of ATP erin is geslaagd te bewijzen, dat tussen partijen een mondelinge overeenkomst met betrekking tot de India-reis is gesloten. Met de rechtbank beantwoordt het hof deze vraag ontkennend, het hof overweegt daartoe als volgt.

3.4

[B] heeft verklaard dat zij sedert oktober 2006 in gesprek was met de echtgenote en de persoonlijk assistent van [geïntimeerde] over het voornemen een reis naar India te maken. [B] zou daarop een reisschema hebben voorgesteld, waaraan mevrouw [geïntimeerde] op enig moment (in december 2006, voor de kerstdagen) telefonisch haar akkoord zou hebben gegeven. Van dat akkoord heeft [B] geen telefoonnotitie gemaakt. Zij heeft ook anderszins (bijvoorbeeld door middel van een bevestiging) daarvan niets op papier gezet. Op basis van (enkel) deze verklaring kan niet worden aangenomen dat de overeenkomst is gesloten. Immers – nog daargelaten dat dit door [geïntimeerde] wordt betwist – het gestelde akkoord van mevrouw [geïntimeerde] met het reisschema waarvan de details waaronder de reissom nog niet vaststonden, impliceert niet het akkoord van [geïntimeerde] met de reisovereenkomst. Dit klemt te meer, omdat i) een reisovereenkomst meer inhoudt dan alleen een reisschema (bijvoorbeeld ook de daarvoor verschuldigde reissom) en ii) [geïntimeerde] daarvoor al aan [B] had meegedeeld dat hij ontevreden was over ATP en daarom overwoog de relatie te beëindigen. Het lag daarom geenszins in de rede dat de echtgenote van [geïntimeerde] (in december 2006) namens [geïntimeerde] instemde met de reisovereenkomst waarvan de details waaronder de reissom nog niet vaststonden, terwijl bovendien de rimpelingen in de relatie met ATP nog niet waren gladgestreken (waarvoor een afspraak stond op 17 januari 2007). De telefonische instemming van de echtgenote van [geïntimeerde] met het reisschema voorafgaande aan het gesprek op 17 januari 2007 met [geïntimeerde], kon ATP – wat er verder ook zij van de eerder gebruikelijke wijze van contracteren – daarom in redelijkheid niet opvatten als een akkoord van [geïntimeerde] met de reisovereenkomst als geheel. De omstandigheid dat de persoonlijke assistent van [geïntimeerde] aan ATP heeft gevraagd een visum voor India te verzorgen voor [geïntimeerde] doet hieraan niet af. De verklaring van [C] dat zij ervan uitging dat de reisovereenkomst voor 17 januari 2007 was gesloten, maakt een en ander niet anders, nu haar veronderstelling louter was gebaseerd op uitlatingen van [B]. Uit de diverse getuigenverklaringen is niet naar voren gekomen – en naar het hof begrijpt is dit ook niet langer de stelling van ATP (zie MvG sub 21 en sub 28) – dat nadien, bijvoorbeeld op 17 januari 2007, de reisovereenkomst tot stand is gekomen. Voor zover ATP dit nog wel subsidiair stelt, deelt het hof het oordeel van de rechtbank op de door de rechtbank aangegeven gronden.

3.5

Dit betekent dat het hoger beroep faalt. Het bestreden eindvonnis zal worden bekrachtigd. Nu in het bestreden tussenvonnis geen te executeren beslissingen zijn opgenomen, zal het hof in het dictum geen beslissing opnemen ten aanzien van dat vonnis. ATP zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen eindvonnis van de rechtbank Rotterdam, sector civiel van 14 juli 2010;

- veroordeelt ATP in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 640,-- aan griffierecht en € 2.682,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.D. Kiers-Becking, M.J. van der Ven en A.E.A.M. van Waesberghe en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2013 in aanwezigheid van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature