Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Saxion/studenten

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

Zaaknummers gerechtshof 200.061.929, 200.061.931 en 200.061.934

(zaaknummers rechtbank: 97493, 99208 en 101513)

arrest van de derde civiele kamer van 18 oktober 2011

inzake

de stichting

Stichting Saxion,

gevestigd te Rijssen/Holten,

appellante,

advocaat: mr. F.J. van der Vaart,

tegen:

(zaaknummer 200.061.929)

[A],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.J.A. van Dijk,

(zaaknummer 200.061.931)

[B],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.J.A. van Dijk,

en

(zaaknummer 200.061.934)

1. [G1],

wonende te [woonplaats],

2. [G2],

wonende te [woonplaats],

3. [G3],

wonende te [woonplaats],

4. [G4],

wonende te [woonplaats],

5. [G5],

wonende te [woonplaats],

6. [G6],

wonende te [woonplaats],

7. [G7]

wonende te [woonplaats],

8. [G8],

wonende te [woonplaats],

9. [G9],

wonende te [woonplaats],

10. [G10],

wonende te [woonplaats],

11. [G11],

wonende te [woonplaats],

12. [G12],

wonende te [woonplaats],

13. [G13],

wonende te [woonplaats],

14. [G14],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. A.J.A. van Dijk.

1. De gedingen in eerste aanleg

Voor de gedingen in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de drie vonnissen van 18 november 2009 die de rechtbank tussen appellante (hierna ook te noemen: Saxion) als gedaagde en geïntimeerden (hierna gezamenlijk ook te noemen: de studenten) als eisers heeft gewezen; in de zaken nummer 99208 ([G] c.s.) en 101513 ([B]) heeft Saxion voorwaardelijk een vordering in reconventie ingesteld. Van de drie vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. De gedingen in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedures blijkt uit:

- de appeldagvaardingen van 15 februari 2010,

- de memories van grieven met producties,

- de memories van antwoord met producties,

- de notities van de op 28 september 2011 gehouden pleidooien, bij welke gelegenheid de advocaat van geïntimeerden, mr. Van Dijk, enkele nieuwe producties in het geding heeft gebracht.

3. De vaststaande feiten

Tegen de door de rechtbank in de bestreden vonnissen onder 2. vastgestelde feiten zijn geen bezwaren aangevoerd, zodat het hof van die feiten zal uitgaan.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 De drie zaken kunnen gezamenlijk worden behandeld, omdat de feiten en de geschillen in de zaken in hoger beroep vrijwel geheel gelijk zijn, met dien verstande dat in de zaken met de nummers 200.061.931 ([B]) en 200.061.934 ([G] c.s.) Saxion met haar grieven ook de afwijzing van haar voorwaardelijke eis in reconventie aan de orde stelt.

4.2 De zaken gaan, kort weergegeven, om het volgende.

4.2.1 Saxion is een hogeschool in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (verder: WHW). Zij bood vanaf februari 2002 in haar vestigingen in Deventer en Enschede de opleiding “Master of Arts Health Care and Social Work” aan. Dat is een tweejarige, zogenaamde postinitiële masteropleiding, die in deeltijd kan worden gevolgd.

4.2.2 Saxion heeft de opleiding ter accreditering voorgelegd aan de zogeheten Dutch Validation Council (verder: DVC). DVC is volgens de door Saxion overgelegde “Handleiding voor de registratie en accreditatie van mastersopleidingen” van maart 2000 een in het jaar 1997 opgerichte stichting naar Nederlands recht, waarin de HBO-raad, universiteiten, Fion, MKB-Nederland, Nuffic en VNO-NCW waren vertegenwoordigd. DVC heeft op 30 maart 2001 de opleiding geaccrediteerd en het bestuur van Saxion gemachtigd aan afgestudeerden de titel master of arts toe te kennen. De geldigheidsduur van deze zogenaamde kandidaats-accreditatie gold voor een periode van vier jaar. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (verder: OC&W) heeft het van deze accreditatie opgemaakte certificaat op 12 december 2001 in Perscentrum Nieuwspoort aan Saxion overhandigd.

4.2.3 Geïntimeerden zijn allen student of ex-student aan deze opleiding. Zij zijn met de opleiding begonnen in de periode van 2002 tot en met 2004.

4.2.4 In de door Saxion uitgegeven en voor aanvang van de studie door geïntimeerden ontvangen informatiebrochure staat onder meer:

“Als afgestudeerde in Master of Arts Health Care and Social Work beschikt u over een academisch denk- en werkniveau (…).”;

“In de masteropleiding verwerft u beroepscompetenties in samenhang met academische competenties. Deze academische competenties duiden het niveau aan waarop men mag verwachten dat u als afgestudeerde functioneert.”

en

“Een aansprekende titel

De opleiding leidt op tot Master of Arts. Als afgestudeerde heeft u recht op de titel MA.”.

In de studiegids 2003-2004 staat onder meer:

“Afgestudeerde studenten mogen de titel Master of Arts (MA) voeren.”

In de studiegids 2004-2005 staat onder meer:

“Afgestudeerde studenten mogen op grond van de kandidaatsregistratie van de DVC voor drie cohorten (2002, 2003 en 2004) de titel Master of Arts voeren. Maar vanwege de nieuwe wetgeving en de komst van de NAO staat dit ter discussie. De titel zou dan kunnen worden: (professional) Master of Health Care/Social Work.”

4.2.5 Alle geïntimeerden, met uitzondering van Peters, Toonen en Hollants, hebben de opleiding met succes afgerond en hebben daarvoor een getuigschrift/diploma uitgereikt gekregen. In dat getuigschrift/diploma staat onder meer het volgende:

“Ingevolge de registratie in het kandidaatsregister van de Dutch Validation Council verleent het College van Bestuur van Saxion Hogescholen aan de geëxamineerde de graad Master of Arts Health Care and Social Work. Dit geeft betrokkene het recht de graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen. Ook mag betrokkene de titel Master of Arts voeren, afgekort tot MA achter de naam.”

De geïntimeerden Peters, Toonen en Hollants stonden tijdens de procedure in eerste aanleg nog ingeschreven aan de opleiding en hadden nog geen getuigschrift/diploma ontvangen.

4.2.6 Op 22 maart 2005 heeft de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO, in mei 2003 door het Ministerie van OC&W ingesteld naar aanleiding van de op 1 september 2002 in het Nederlands hoger onderwijs ingevoerde bachelor-masterstructuur), een besluit genomen strekkende tot positieve beoordeling van de aanvraag Toets nieuwe opleiding hbo-master Health Care and Social Work van Saxion Hogescholen.

4.2.7 Zowel de afgestudeerde als de (nog) niet afgestudeerde geïntimeerden ontvingen in mei 2008 of september 2008 een brief waarin Saxion hen onder meer het volgende mededeelt:

“Wij zijn onlangs geconfronteerd met wat de wet voorschrijft rondom graadverstrekking, hetgeen betekent dat het ons niet is toegestaan om de genoemde graad van Master of Arts te verstrekken bij diplomering.”

In de brief van mei 2008 wordt aan de betrokken niet-afgestudeerden medegedeeld dat bij diplomering een getuigschrift met daarop vermeld de graad Master of Health Care & Social Work zal worden verstrekt. In de brief van september 2008 wordt aan de afgestudeerden eenmalig de mogelijkheid geboden het reeds verstrekte getuigschrift om te wisselen voor een getuigschrift met de graad Master Health Care and Social Work.

4.2.8 Saxion heeft de minister van OC&W bij brief van 25 september 2008 verzocht haar toe te staan de studenten aan de opleiding alsnog de MA-titel toe te kennen.

4.2.9 Op 8 oktober 2008 heeft een voorlichtingsbijeenkomst plaatsgehad, waarbij tussen Saxion en de studenten van gedachten is gewisseld over de ontstane problematiek met betrekking tot de MA-titel.

4.2.10 Op 5 december 2008 heeft de minister van OC&W vragen van een lid van de Tweede Kamer over de kwestie beantwoord. Op de vraag of de minister alsnog erkenning wil realiseren van de afgegeven diploma’s aan de groep studenten bij Saxion antwoordt de minister:

“Nee. In de gevallen bij andere hogescholen heb ik niet ingegrepen. Dat zal ik hier evenmin doen. De wet is vanaf de invoering van de bamastructuur en accreditatie duidelijk geweest over wat deze inhielden voor de instellingen en de opleidingen. Ingeval van ingrijpen van mijn kant zou dat precedentwerking hebben en zou onduidelijkheid ontstaan over het niveau van wo-masters. Ook zijn enkele hogescholen al veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding; er is ten aanzien van deze studenten van Saxion geen sprake van een unieke situatie.”

4.3 De studenten hebben in eerste aanleg, kort gezegd, gevorderd

dat de rechtbank

primair:

a. de studieovereenkomsten tussen Saxion en hen zal vernietigen onder opheffing van de daaruit voor hen voortvloeiende verplichting om het genoten onderwijs en ontvangen getuigschriften en diploma’s aan Saxion terug te leveren;

b. Saxion zal veroordelen tot terugbetaling aan ieder van hen het per eiser aan Saxion betaalde studiegeld ad € 12.300,=;

en subsidiair:

c. de studieovereenkomst tussen Saxion en hen zal ontbinden;

d. Saxion zal veroordelen tot terugbetaling aan ieder van hen het per eiser aan Saxion betaalde studiegeld ad € 12.300,=;

alsmede (primair en subsidiair):

e. voor recht zal verklaren dat Saxion onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en dat Saxion gehouden is de uit dat onrechtmatig handelen ontstane, door hen geleden en nog te lijden, schade aan hen te vergoeden;

f. Saxion zal veroordelen tot betaling aan hen van de door hen geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

g. Saxion zal veroordelen in de kosten van de procedure.

Zij hebben aan deze vorderingen, kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat Saxion niet bevoegd was de MA-titel toe te kennen aan studenten die de opleiding Master of Arts Health Care and Social Work volgden en dat Saxion dat al in 2002 wist, althans behoorde te weten. Zij verwijten Saxion dat zij haar jegens hen in acht te nemen informatieplicht heeft geschonden en stellen wat de vernietigingsvordering betreft primair dat sprake is van door Saxion gepleegd bedrog, subsidiair dat de studieovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling. De subsidiaire vordering is gegrond op toerekenbare tekortkoming van Saxion in de nakoming van de onderwijsovereenkomst.

4.4 De rechtbank heeft in de bestreden vonnissen, de vorderingen onder a., voor zover gegrond op dwaling, en de vorderingen onder b., e., f. en g. toegewezen.

4.5 Met grief I keert Saxion zich tegen de vaststelling in rov. 4.3 respectievelijk 4.4 van de vonnissen van 18 november 2009 dat de opleiding waarom het gaat een opleiding op hbo-niveau is. Die vaststelling is echter niet dragend voor de verdere beoordeling van de rechtbank. Bij bespreking van de grief heeft Saxion, mede na de weergave van de zaken onder 4.2, geen belang meer.

Het beroep op dwaling van de studenten

4.6 Grief II is gericht tegen het citaat in rov. 4.5 respectievelijk 4.6 van de vonnissen, waarin de rechtbank de tekst van art. 7.10a WHW weergeeft, zoals deze op 1 september 2002 (invoering bachelor-masterstructuur) luidde. Volgens de toelichting van Saxion is in wezen niet sprake van een grief, maar gaat het haar om een attenderen op de omstandigheid dat de tekst van dit artikel nadien diverse malen is gewijzigd. Saxion wijst er vooral op dat eerst met de wetswijziging bij de Aanpassingswet invoering bachelor-masterstructuur, die op 1 maart 2005 in werking is getreden en waarbij aan de leden 1 en 2 van art. 7.10a WHW een volzin werd toegevoegd, duidelijk werd - zo leest het hof - dat het instellingen in het hoger beroepsonderwijs niet is toegestaan om aan de graad master de woorden “of arts” of “of science” toe te voegen. Saxion stelt dat in het tweede lid van art. 7.10a WHW, zoals dit luidde vóór 1 maart 2005, niet stond dat een hbo-instelling die toevoegingen niet mocht gebruiken. In het voetspoor daarvan keert Saxion zich met de grieven III en IV tegen de beslissing van de rechtbank (rechtsoverwegingen 4.9 en 4.10, respectievelijk 4.10 en 4.11) dat Saxion in elk geval sinds 1 september 2002 wist, althans behoorde te weten, dat het haar niet toegestaan was om de graad MA toe te kennen en dat die MA-graad niet rechtsgeldig kon worden verleend. Grief V is gericht tegen het oordeel (rov. 4.12, respectievelijk 4.13, tweede deel) dat Saxion de indruk heeft gewekt wetenschappelijk onderwijs aan te bieden dan wel dat zij bevoegd was om de universitaire graad MA te verlenen, waarbij die bevoegdheid werd benadrukt door stelselmatig te verwijzen naar “de kwaliteitsoordelen” van de DVC. Grief VII is gericht tegen de conclusie van de rechtbank in rov. 4.16 respectievelijk 4.17 dat Saxion onjuiste mededelingen heeft gedaan die tot de dwaling van de studenten hebben geleid.

4.7 Deze grieven kunnen gezamenlijk worden behandeld. Het hof merkt voor zoveel nodig allereerst op dat beide partijen ervan uitgaan dat deze overeenkomst vatbaar is voor vernietiging op grond van een wilsgebrek als dwaling. Waar het bij de vernietigingsactie gelet op de stellingen van de studenten om gaat, is of de onderwijsovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, en of de dwaling te wijten is aan een inlichting van Saxion, tenzij zij mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten (art. 6:228 lid 1 onder a. BW). In dit verband acht het hof het volgende van belang. Aan de studenten is door de naam van de opleiding “Master of Arts Health Care and Social Work” en de verspreiding van de informatiebrochure, waarin is te lezen dat de afgestudeerde recht heeft op de titel MA, voorgehouden dat de MA-titel (of MA-graad; het hof zal hierna in navolging van partijen van de MA-titel spreken) zou worden behaald na het met succes afronden van de studie. Uit de feiten volgt dat Saxion die titel (graad) niet mocht toekennen, reden waarom Saxion de (afgestudeerde) studenten - in het jaar 2008 - ook heeft verzocht het getuigschrift om te wisselen voor een getuigschrift met de graad “Master Health Care and Social Work”. Het staat daarmee vast dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling van de studenten, die het gevolg is van onjuiste inlichtingen van Saxion. Of het verstrekken van die inlichtingen Saxion te verwijten valt, is in dit verband niet van belang, maar komt later aan de orde bij de schadevordering van de studenten. Saxion mocht niet aannemen dat de studenten de overeenkomst ook zonder deze inlichtingen zouden hebben gesloten. Saxion heeft (tot in het jaar 2004) in haar informatie zelf het gewicht van de MA-titel benadrukt en het is zonder meer aannemelijk dat het de studenten bij het volgen van deze opleiding juist om deze titel ging, omdat deze, zoals zij aanvoeren, maatschappelijk en financieel van grotere waarde is dan de titel “master” gevolgd door slechts de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld waarop de opleiding betrekking heeft. Met de toevoeging van de woorden “of arts” dan wel “of science” aan de mastertitel, is blijkens de memorie van antwoord bij wetsontwerp 28 024 (kamerstukken vergaderjaar 2001-2002, 28 024, nr. 232 c) ook beoogd het wetenschappelijk onderwijs te onderscheiden van het hbo-onderwijs, met name in verband met de internationale afstemming, die is ingezet na de ondertekening in 1999 door een aantal Europese landen, waaronder Nederland, van de zogenaamde Bologna-verklaring. Aan een en ander doet niet af dat de inhoud van de opleiding niet is veranderd sinds het moment dat Saxion de toevoeging “of arts” niet meer gebruikt. Het gaat bij de titel immers vooral om de werking tegenover derden, wat Saxion zelf niet zonder reden zal hebben benadrukt: “een aansprekende titel”.

4.8 Saxion beroept zich in de toelichting op grief IV op de formele rechtskracht van haar besluiten om in december 2008 nieuwe getuigschriften in de plaats van de oude te stellen. Zij voert hierbij onder meer aan dat, hoewel zij een bijzondere onderwijsinstelling is, uit de wetsgeschiedenis van de WHW voortvloeit dat zij bij het afgeven van getuigschriften moet worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 Algemene wet bestuursrecht. Het hof laat in het midden of dit betoog juist is, omdat het niet ter zake dienend is. Ook wanneer het hof van de formele rechtskracht van de “besluiten” van december 2008 zou uitgaan, doet dat immers niet af aan de hiervoor besproken dwaling van de studenten.

4.9 Het hof is kortom evenals de rechtbank van oordeel dat de studenten zich terecht op dwaling in de zin van art. 6:228 lid 1 onder a. BW beroepen. In zoverre falen de grieven II, III, IV, V en VII. Saxion beroept zich erop (grief VII) dat de bevoegdheid tot vernietiging is vervallen doordat zij tijdig een wijziging van de overeenkomst heeft voorgesteld die het nadeel die de studenten bij instandhouding van de overeenkomst lijden, op afdoende wijze opheft (art. 6:230 lid 1 BW). Saxion keert zich daarmee tevens tegen de rechtsoverwegingen 4.16 respectievelijk 4.17 en 4.23 respectievelijk 4.24 van de bestreden vonnissen. Het hof volgt Saxion niet in haar betoog, omdat, hoezeer het voorstel ook redelijk mag worden genoemd, het niet in staat is het nadeel van de studenten op afdoende wijze op te heffen, reeds omdat het alsnog behalen van een MSc-titel (waarmee het nadeel zou zijn opgeheven) een onzeker, namelijk van toekomstige ontwikkelingen en alsnog door de studenten te leveren inspanningen afhankelijk, deel van dit voorstel is.

4.10 Saxion doet in de toelichting op grief VII verder een beroep op art. 3:55 lid 1 BW. Volgens Saxion hebben de studenten de studieovereenkomst bevestigd in de zin van deze bepaling doordat zij, nadat de verjaringstermijn een aanvang had genomen, zijn doorgegaan met de opleiding. Dat geldt in het bijzonder voor geïntimeerden sub 12, 13, respectievelijk 14 (Peters, Toonen en Hollants), aldus Saxion. Geïntimeerden betwisten dit gemotiveerd en stellen onder meer dat de bevoegdheid tot vernietiging hen eerst ten dienste stond (art. 3:52 lid 1 BW) toen zij door Saxion bij brief van 10 september 2008 werden geïnformeerd. Het hof acht dit verweer gegrond. Allereerst staat vast dat de meeste studenten in september 2008 al waren afgestudeerd. Ten aanzien van hen bij wie dat toen niet het geval was, kan het enkele na 10 september 2008 ingeschreven blijven staan bij Saxion niet als bevestiging in de zin van art. 3:55 lid 1 BW gelden, temeer nu hun advocaat, mr. Van Dijk, al bij brief van 12 november 2008, in aansluiting op de voorlichtingsbijeenkomst van 9 oktober 2008 (het hof verwijst naar rov. 4.2.9), - mede namens Peters, Toonen en Hollants - aan Saxion heeft verzocht om uiterlijk op 19 november 2008 het standpunt van de minister op het verzoek van Saxion bij brief van 25 september 2008 bekend te maken, waarbij Saxion werd aangezegd dat bij gebreke daarvan de studenten zich niet langer tot overleg gehouden achten en zouden overwegen een procedure tegen Saxion aanhangig te maken. Vervolgens is op 11 december 2008 de inleidende dagvaarding uitgebracht, mede namens Peters, Toonen en Hollants. De grief faalt.

4.11 De gegrondheid van het beroep op dwaling brengt mee dat de overeenkomst vernietigd dient te worden. De vernietiging werkt in beginsel terug tot het tijdstip waarop de overeenkomsten zijn gesloten. Saxion voert in grieven X en XI (de laatste ziet op de beslissing in reconventie) aan dat de rechtbank bij de uit de vernietiging voortvloeiende verplichting tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde ten onrechte geen enkele waarde heeft toegekend aan het door de studenten genoten onderwijs en dat daarom sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van de studenten.

Het hof acht de grief gegrond. Het gaat ten aanzien van het ontvangen onderwijs om een prestatie die naar zijn aard niet ongedaan kan worden gemaakt in de zin van art. 6:201 lid 2 BW. Op grond van deze bepaling treedt, voor zover dit redelijk is, vergoeding van de waarde van de prestatie (het gegeven onderricht) op het ogenblik van de ontvangst daarvoor in de plaats, onder meer indien de ontvanger door de prestatie is verrijkt. Die verrijking moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf genoemd in art. 6:212 BW. In dit verband is allereerst van belang dat de vernietiging toewijsbaar is op grond van dwaling, niet op grond van het primair gestelde, door Saxion gepleegde bedrog. De rechtbank heeft deze laatste grondslag verworpen en het hof verenigt zich met die beslissing. Het genoten onderwijs heeft hoe dan ook geleid tot enige verrijking van de studenten. Zij hebben immers onderwijs genoten, dat, zoals Saxion onweersproken heeft gesteld, ook nu nog in deze vorm wordt gegeven. Het mag zijn dat de studenten de MA-titel er niet mee hebben behaald, maar de studenten hebben met de vernietiging kosteloos onderwijs gekregen, waarmee thans de mastertitel bedoeld in art. 7.10a lid 2 WHW kan worden behaald en welke titel de studenten die de studie met goed gevolg hebben afgesloten ook hadden kunnen ontvangen (via omwisseling van de getuigschriften). Nu het betoog van Saxion verder niet (gemotiveerd) is betwist en bij gebreke van enige concrete aanwijzing in andere richting bepaalt het hof de verrijking in redelijkheid op een derde deel van het studiegeld dat de studenten hebben betaald. Het hof laat daarbij, in aansluiting op rov. 4.7 en de onvoldoende weersproken stellingen van de studenten over het (hoge) niveau van de eerder door hen voltooide opleidingen, zwaar meewegen dat aannemelijk is dat het de studenten nu juist ging om het behalen van de MA-titel. Nu de rechtbank Saxion, uitvoerbaar bij voorraad, heeft veroordeeld het studiegeld terug te betalen en Saxion aan de vonnissen heeft voldaan, is haar vordering in hoger beroep tot terugbetaling van hetgeen zij ingevolge de vonnissen van 18 november 2009 heeft voldaan, voor een derde deel van het terugbetaalde studiegeld toewijsbaar, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van betaling.

De gestelde onrechtmatigheid

4.12 De grieven (voor zover van toepassing: tegen de beslissingen in conventie) kunnen voor het overige worden herleid tot de klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het handelen van Saxion jegens de studenten onrechtmatig is en dat die onrechtmatige daad aan haar kan worden toegerekend. (rov. 4.21). Voor dat oordeel is dragend - kort weergegeven - de overweging dat Saxion wist, althans behoorde te weten, dat zij in elk geval sinds september 2002 (de datum waarop de bachelor-masterstructuur in de WHW werd ingevoerd) niet bevoegd was de MA-titel toe te kennen aan studenten die de opleiding Health Care and Social Work hadden voltooid, en dat Saxion niet kan worden gevolgd in haar betoog dat eerst sinds 22 maart 2005 duidelijk was (rov. 4.11 en volgende).

4.13 Het hof overweegt allereerst dat het verwijt dat de studenten Saxion maken hierin is gelegen, dat de wettelijke situatie ten aanzien van de bevoegdheid van instellingen van hoger en wetenschappelijk onderwijs om titels (graden) te verlenen duidelijk was vanaf 1 september 2002. In dat verband heeft de verlening van het certificaat op 30 maart 2001 en de overhandiging daarvan door de minister van OC&W op 12 december 2001 aan Saxion slechts beperkte betekenis. Saxion mocht in elk geval niet de zekere gedachte koesteren dat zij bevoegd was die titel na 1 september 2002 nog te verlenen. Daarvoor is het volgende redengevend. Het hof deelt de beslissing van de rechtbank dat in elk geval sinds die datum duidelijk was dat Saxion als instelling van hoger beroepsonderwijs niet bevoegd was de MA-titel toe te kennen. Aan art 7.10a WHW, zoals dat op die datum is gaan luiden, kan redelijkerwijs niet die uitleg worden gegeven dat een hogeschool die bevoegdheid had. Het eerste lid van het artikel ziet duidelijk op de bevoegdheden van een instellingsbestuur in het wetenschappelijk onderwijs; een zodanig bestuur is bevoegd om de graad “bachelor” respectievelijk “master” te verlenen aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding respectievelijk het afsluitend examen in het wetenschappelijk onderwijs heeft afgelegd. Dit artikellid bepaalt verder dat achter deze graad bachelor of master de woorden “of arts” dan wel “of science” wordt toegevoegd, afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een masteropleiding is afgelegd. Het tweede lid van het artikel ziet op de bevoegdheden van een instellingbestuur in het hoger beroepsonderwijs en bepaalt dat zodanig bestuur de graad bachelor en de graad master verleent aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd. Saxion stelt dat in het tweede lid van art. 7.10a WHW, zoals dit luidde vóór 1 maart 2005, niet stond dat een hbo-instelling de toevoegingen “of arts”en “of science” niet mocht gebruiken. Dat staat daar inderdaad niet, maar het hof kan Saxion niet volgen in haar kennelijke gevolgtrekking dat een instelling in het hoger beroepsonderwijs die toevoeging om die reden, evenals een instellingsbestuur in het wetenschappelijk onderwijs, mocht gebruiken. De WHW maakt nu juist een duidelijk onderscheid tussen het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs en art. 7.10a strekt kennelijk ertoe om de door de instellingen in deze soorten onderwijs te verlenen titels (graden) van elkaar te onderscheiden. In dit verband zijn ook de handelingen van de Eerste Kamer met betrekking tot wetsontwerp 28 024 (vergaderjaar 2001-2002, 28 024, nr. 232c, bladzijde 39) van belang. Daar is te lezen dat de minister in antwoord op vragen van leden van de Eerste Kamer antwoordt:

Het is juist dat de hogescholen in beginsel zelf binnen het kader van het voorgestelde artikel 7.10 a aangeven welke benaming zij voor een graad gebruiken. De instelling voegt aan de graad de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld toe waarop de opleiding betrekking heeft. De toevoegingen “of arts”en “of science” zijn evenwel voorbehouden aan wetenschappelijke bachelor- en masteropleidingen. Het accreditatieorgaan toetst of “de vlag de lading dekt”.

Dit antwoord laat geen ruimte voor twijfel.

4.14 Daarbij komt het volgende. Saxion stelt zelf in de memorie van grieven dat de wetgeving vóór de wetswijziging van 1 maart 2005 allerminst duidelijk was. Naar het oordeel van het hof had het, mede gelet op de belangen van de studenten - aan wie Saxion de MA-titel in het vooruitzicht had gesteld bij het met goed gevolg afronden van de studie - dan op de weg van Saxion gelegen te trachten die duidelijkheid te verkrijgen, en wel bij het departement, en zo zij die duidelijkheid niet kon verkrijgen, dit aan de studenten mede te delen. Daartoe was temeer aanleiding, nu de HBO-raad in zijn brief van 27 juni 2002 aan de voorzitters van de colleges van bestuur van de hogescholen (productie 29 in eerste aanleg) had bericht dat de toevoegingen “of science” en “of arts” niet zijn toegestaan. Deze brief is blijkens de aanhef geschreven, omdat door verscheidene hogescholen vragen waren gesteld over de van toepassing zijnde graden, titulatuur en overige aspecten in verband met de invoering van de wijziging van de WHW als gevolg van de invoering van de bachelor-masterstructuur en het stelsel van accreditatie. Saxion werpt in hoger beroep tegen dat de brief niet is geadresseerd en niet is ondertekend. Afgaande op de overgelegde productie, is het eerste onjuist, het tweede juist. Nu Saxion niet stelt dat de brief haar niet heeft bereikt, gaat het hof ervan uit dat dit wel het geval is. De boodschap in de brief is duidelijk en eventuele niet-ondertekening doet daaraan niet af. De tegenwerping van Saxion dat deze brief niet meer is dan “een van de vele uitingen waarmee zij rekening had te houden” acht het hof onbegrijpelijk, nu de HBO-raad de overkoepelende vereniging van hogescholen in Nederland, dus een belangenvereniging, is en geacht mag worden de belangen van die hogescholen bij uitstek te behartigen. Saxion laat overigens na duidelijk te maken op welke andere uitingen zij in dit verband doelt.

4.15 Saxion beroept zich verder op de brief van DVC van 17 december 2002 (productie 10) en de - niet gedateerde - “overgangsregeling NAO voor kwaliteitsbeoordelingen door de Dutch Validation Council (DVC)”, die kennelijk in die brief in het vooruitzicht wordt gesteld. Saxion heeft niet duidelijk gemaakt wanneer zij van deze overgangsregeling kennis heeft genomen. Hoe dat zij, en daargelaten de status van dit stuk, daaruit moet naar het oordeel allereerst worden afgeleid dat de NAO, het accreditatieorgaan bedoeld in art. 5a.2 WHW, bereid was de accreditaties van de post-initiële masteropleidingen, die door DVC waren uitgevoerd en positief waren beoordeeld, over te nemen. De tekst van dit stuk vermeldt echter ook:

Dit houdt in, dat een instelling de desbetreffende opleiding als HBO-master kan voordragen en dat de NAO hierover een positief oordeel uitspreekt.

en:

Voor de titulatuur geldt de WHW, dat wil zeggen dat een positieve toets voor een HBO-master niet tot een Master of Arts- of Master of Science-titel leidt.

Het hof begrijpt niet hoe Saxion aan deze regeling het vertrouwen kon ontlenen dat zij de MA-titel na 1 september 2002 nog mocht blijven verlenen. De in het certificaat van 30 maart 2001 aan Saxion verleende bevoegdheid om deze titel te verlenen kwam volgens deze regeling immers op losse schroeven te staan. Ook als Saxion de overtuiging was toegedaan dat zij de MA-titel mocht verlenen, omdat zij zelf ook wetenschappelijk onderwijs geeft, kan zij daaraan, gelet op het voorgaande en gegeven het feit dat zij een hbo-instelling was en is, in elk geval na 1 september 2002 niet de zekerheid ontlenen dat zij gerechtigd was die - aan instellingen van wetenschappelijk onderwijs voorbehouden - titel te verlenen.

4.16 Opmerking verdient overigens dat Saxion in hoger beroep erkent dat zij vanaf 1 maart 2005 onrechtmatig jegens de studenten heeft gehandeld door hen toen niet erop te wijzen dat zij de MA-titel niet meer mocht verlenen. Voor het wachten met het doen van mededeling tot in het jaar 2008 heeft zij geen verklaring gegeven. Dat zij hoopte op een (gunstige) overgangsregeling, rechtvaardigt niet dat zij de studenten van de - in elk geval op dit punt onzekere - stand van zaken in het ongewisse liet.

4.17 Het hof is kortom evenals de rechtbank van oordeel dat Saxion sinds 1 september 2002 redelijkerwijs moest weten dat zij de MA-titel niet (meer) mocht verlenen, althans dat over die bevoegdheid vanaf dat moment op zijn minst grote onzekerheid bestond. Door de studenten daarover niet in te lichten heeft zij gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij jegens de studenten in acht diende te nemen en dus onrechtmatig. Deze onrechtmatige daad kan, anders dan Saxion betoogt, aan haar worden toegerekend. Er is immers sprake van schuld in de zin van verwijtbaar handelen van Saxion. Zij heeft in een situatie waarin volgens haar zelf al onduidelijkheid bestond over de geldigheid van de bevoegdheid toegekend met het DVC-certificaat van 30 maart 2001, de brief van de HBO-raad van 27 juni 2002 en andere informatie over de bevoegdheid tot verlening van de MA-titel door een hogeschool in de wind geslagen en het er kennelijk bij gelaten. Maar zou daarover anders geoordeeld worden, dan heeft te gelden dat sprake is van een oorzaak die krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening komt. Het is immers maatschappelijk onaanvaardbaar dat de studenten de prijs zouden moeten betalen voor de volgens Saxion in de periode van 1 september 2002 tot 1 maart 2005 bestaande onduidelijkheid over bedoelde bevoegdheid van Saxion.

4.17 Grief XII richt zich tegen de veroordeling van Saxion in de kosten in conventie en in reconventie. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van de studenten vrijwel geheel toewijsbaar zijn en dat de vordering in reconventie slechts voor een derde deel toewijsbaar is. Saxion heeft dus als vrijwel geheel in conventie en in reconventie in het ongelijk gestelde partij te gelden. De grief faalt.

4.18 Saxion heeft bewijs van haar stellingen aangeboden door dr. A. Peters en dr. A. van Es, beiden destijds lid van de council van DVC, en drs. L.M.L.H.A. Hermans, de minister van OC&W die Saxion op 12 december 2001 het certificaat heeft overhandigd, als getuige te doen horen. Dit aanbod heeft, samengevat, betrekking op de verlening van het DVC-certificaat en de het accreditatiesysteem zoals dat medio 2002 gold, de accreditering door en de bevoegdheden van de NAO, de vraag of met de door Saxion verleende master of arts titel een drs.-titel kon worden gebruikt en de vraag of het door Saxion gegeven onderwijs als universitair onderwijs is te kwalificeren. Uit het voorgaande volgt dat het hof dit aanbod niet terzake dienend acht. Het hof gaat er daarom aan voorbij.

5 Slotsom

De grieven falen alle behoudens de grief die betrekking heeft op de afwijzing van het beroep op verrijking van de studenten. De bestreden vonnissen zullen in zoverre vernietigd worden. Nu Saxion aan de vonnissen heeft voldaan, zal haar vordering tot terugbetaling worden toegewezen voor een derde deel van het gerestitueerde studiegeld, te vermeerderen met de niet weersproken wettelijke rente.

Het hof zal Saxion als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Het hof zal bij het in de drie zaken toe te kennen salaris een derde deel van het salaris overeenkomstig het liquidatietarief toekennen, omdat de memories van antwoord en het pleidooi in de drie zaken gelijkluidend zijn.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de in de drie zaken gewezen vonnissen van de rechtbank Almelo van 18 november 2009 voor zover daarbij het beroep van Saxion op verrijking van de studenten en (indien van toepassing) de daarop gegronde vordering in reconventie is afgewezen;

veroordeelt de studenten ieder aan Saxion terug te betalen een derde deel van het op grond van de betreden vonnissen gerestitueerde studiegeld, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment dat de betaling aan de studenten heeft plaatsgevonden tot de dag dat de terugbetaling plaats vindt;

bekrachtigt die vonnissen voor het overige;

veroordeelt Saxion in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de geïntimeerden in elk van de drie zaken begroot op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 485,- voor griffierecht in de zaken met nummer 200.061.931 (Van Dijk-Joosse) en nummer 200.061.931 ([B]) en op € 1.188,- voor griffierecht in de zaak met nummer 200.061.934 ([G] c.s.);

verklaart de veroordelingen tot terugbetaling en de veroordelingen in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.H. van Ginkel, V. van den Brink en L.M. Croes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature