Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden; verzuim ?

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM

sector civiel recht

zaaknummer: 200.014.173

(zaaknummer gerechtshof ’s-Hertogenbosch 05/0453

zaaknummer rechtbank Maastricht 77840 HA ZA 02-839)

arrest na verwijzing van de vierde civiele kamer van 1 december 2009

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in hoger beroep, verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. J.W. Pieters,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in hoger beroep, verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. J.J.M. Hermans.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 9 juni 2009 verwijst het hof naar het tussenarrest van die datum.

1.2

Daarna heeft de vrouw een akte overlegging producties genomen waarbij zij prod. A tot en met H in het geding heeft gebracht.

1.3

Vervolgens heeft de man bij antwoordakte zich uitgelaten over de producties van de vrouw en daarbij heeft hij nieuwe producties overgelegd, prod. B tot en met D.

1.4

Ten slotte hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor arrest.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep

2.1

Het hof verwijst naar en blijft bij hetgeen in het tussenarrest van 9 juni 2009 is overwogen. In dat tussenarrest heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor uitlating en overlegging stukken aan de zijde van de vrouw, waarop de man dan kan reageren.

2.2

Uit de door de vrouw bij haar laatste akte overgelegde stukken, waaronder de brieven van haar advocaat aan de advocaat van de man van 25 november 1996, 9 december 1996 en 27 januari 1997 blijkt niet dat de vrouw de man bij schriftelijke aanmaning in gebreke heeft gesteld waarbij hem een redelijke termijn is gegund, zoals artikel 6:82 BW voorschrijft.

2.3

Resteert dus de vraag of in dit geval artikel 6:83 sub c BW van toepassing is. Dit artikel bepaalt dat verzuim zonder ingebrekestelling plaatsvindt wanneer de schuldeiser uit de mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.

2.4

De man stelt in zijn antwoordakte dat uit de overgelegde correspondentie op geen enkele wijze blijkt dat hij in de nakoming van de verbintenis tekort zou schieten en hij legt ter onderbouwing van zijn standpunt een aantal brieven over die zijn geschreven door zijn advocaat aan de advocaat van de vrouw in de periode van 25 januari 2000 en 2 mei 2002, alsmede twee brieven van de advocaat van de vrouw aan de advocaat van de man, een van 5 juni 2002 en een van 11 augustus 2008, en kopieën van enige bankafschriften. De vrouw heeft geen gelegenheid gehad op deze stukken te reageren zodat het hof op deze stukken van de man geen acht kan slaan. Naar het oordeel van het hof heeft de man de stelling van de vrouw dat de man zich op het standpunt stelde dat het convenant geldig was, dat zij herhaalde pogingen heeft gedaan de man op andere gedachten te brengen en dat hij niet gehouden was om anderszins met de vrouw te delen c.q. te verrekenen onvoldoende bestreden. De vrouw heeft via haar advocaat in een brief van 25 november 1996 aan de man zelf en in de brieven van 9 december 1996 en 27 januari 1997 aan de advocaat van de man duidelijk gemaakt dat zij de nietigheid van het echtscheidingconvenant inroept en verdeling van het deelgenootschap volgens de huwelijkse voorwaarden verlangt en zij kondigt daarin een procedure aan als de man een buitengerechtelijke ontbinding van het convenant niet accepteert. In de brieven van 5 december 1996 en 29 januari 1997 schrijft de advocaat van de man aan de advocaat van de vrouw dat het convenant geldig is en dat partijen zich daaraan moeten houden. Voorts is in de brief van notaris [A.] aan de advocaat van de vrouw van 3 oktober 1998 te lezen dat de man zich op het standpunt stelt dat hij aan al zijn verplichtingen jegens de vrouw heeft voldaan en hij niet gehouden is aan enige verdeling mee te werken. Hiermee heeft de vrouw haar stelling voldoende onderbouwd. In deze omstandigheden is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:83 sub c BW, te weten dat de vrouw in redelijkheid uit de uitlatingen van of namens de man kon opmaken dat de man aan een andere wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden niet zou meewerken. Dit heeft toe gevolg dat verzuim is ingetreden zonder ingebrekestelling op 18 februari 1998, zoals de vrouw heeft gesteld. Dit betekent dat de vierde grief van de vrouw slaagt.

2.5

Nu de Hoge Raad het gehele arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 11 april 2006 heeft vernietigd, in cassatie alleen de klacht die betrekking heeft op de ingangsdatum van de door de vrouw gevorderde rente gegrond is beoordeeld en het hof na verwijzing van oordeel is dat de vierde grief van de vrouw slaagt, dient het hof te beslissen conform het dictum van het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 11 april 2006.

2.6

Het hof ziet aanleiding de proceskosten in hoger beroep na verwijzing te compenseren als na te melden omdat partijen elkaars gewezen echtelieden zijn.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep na verwijzing:

verklaart de vrouw niet ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep tegen het tussenvonnis van 25 februari 2003;

bekrachtigt het tussenvonnis van 25 juni 2003;

vernietigt het eindvonnis van 3 november 2004 voorzover daarbij de afrekening overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden tussen partijen is vastgesteld en, in zoverre opnieuw rechtdoende in conventie en in reconventie:

stelt overeenkomstig het bepaalde in de huwelijkse voorwaarden van partijen de afrekening tussen partijen vast en bepaalt dat de man aan die vrouw dient uit te keren de somma van € 61.218,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 1998;

bekrachtigt het eindvonnis van 3 november 2004 voor het overige.

compenseert de proceskosten in hoger beroep en in hoger beroep na verwijzing aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.M. Mens, P.L.R. Wefers Bettink en C.G. ter Veer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 december 2009.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature