Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Auteursrecht. De gronden waarop Stell zijn makerschap aannemelijk gemaakt acht, overtuigen het hof [..] niet. Ook overigens ziet het geen redenen om uitgesloten te achten dat Intersign, althans een ander dan Stell de maker is van de elementen over welker overname hij zich beklaagt. [..] Nu het hof Stell niet als de maker kan aanmerken en gesteld noch gebleken is dat Stell anderszins als auteursrechthebbende op de catalogus kan worden aangemerkt, doet niet meer terzake of de catalogus wel voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt.

Uitspraak



25 september 2007

eerste civiele kamer

rolnummer 2006.01184 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de rechtspersoon naar Duits recht

Stell GmbH,

gevestigd te Bocholt (Duitsland),

appellant,

procureur: mr J.M. Bosnak,

tegen:

1. de vennootschap onder firma [geïntimeerde sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats]; en haar vennoten:

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats] (Duitsland);

3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats];

geïntimeerden,

procureur: mr R. de Lange.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 11 september 2006 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Zutphen tussen appellant (hierna aan te duiden als Stell) als eiser en geïntimeerden (hierna aan te duiden als [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] of gezamenlijk als [geïntimeerden]) als gedaagden in kort geding heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Stell heeft bij exploot van 5 oktober 2006 aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft Stell vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van Stell zoals bij inleidende dagvaarding geformuleerd alsnog zal toewijzen met veroordeling van [geïntimeerden] in de volledige proceskosten van beide instanties op grond van richtlijnconforme uitleg van artikel 14 van de Europese richtlijn 2004 /48/EG.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden en hebben zij bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Zij hebben geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Stell in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans hem die zal ontzeggen en het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van Stell tot volledige vergoeding van de in beide instanties door [geïntimeerden] gemaakte proceskosten zoals bedoeld in artikel 14 van de Europese richtlijn 2004 /48/EG.

2.4 Daarna hebben [geïntimeerden] akte verzocht van een schriftelijke verklaring en overlegging van nog enkele producties.

2.5 Ter zitting van 9 juli 2007 hebben partijen de zaak doen bepleiten, Stell door mr J.U. van der Werff, advocaat te Zutphen, en [geïntimeerden] door mr R. de Lange, advocaat te Zevenaar; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht en aan beide partijen is akte verleend van het in het geding brengen van nieuwe stukken. Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.3 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen als zodanig geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4 Bespreking van grief 1

4.1 De eerste rechter heeft het door Stell gedane beroep op auteursrecht verworpen omdat zij voldoende aannemelijk achtte dat Stell auteursrechtelijk bezien niet de maker is van zijn catalogus, maar hij juist de inhoud van de catalogus van Intersign als voorbeeld heeft genomen. Daartegen richt zich grief I. Bij de beoordeling van deze grief stelt het hof voorop dat het er, anders dan de eerste rechter tot uitgangspunt nam, niet om gaat of voldoende aannemelijk is dat Stell niet de maker van de catalogus is, maar of voldoende aannemelijk is dat zij dat wél is. Die vraag heeft de eerste rechter impliciet ontkennend beantwoord.

4.2 Stell heeft het standpunt ingenomen dat [geïntimeerde sub 1] met haar op internet verschenen catalogus het auteursrecht van Stell op de door deze gevoerde catalogus heeft geschonden, niet door deze catalogus integraal over te nemen (want partijen zijn het erover eens dat de beide catalogi niet identiek zijn), maar door daaraan een aantal oorspronkelijke elementen te ontlenen. Daarbij heeft Stell aangegeven dat hij niet op alle elementen van zijn catalogus auteursrecht pretendeert en met name in het algemeen ook niet op de verschillende in de catalogus voorkomende signs. Die immers volgen in het algemeen uit de standaardisering en normering in de scheepvaart en zijn niet door hemzelf gemaakt. De door [geïntimeerde sub 1] ontleende oorspronkelijke elementen van de catalogus van Stell zijn volgens deze vooral door hem gemaakte selecties van die signs en de volgorde waarin hij die heeft weergegeven. Als ontleende elementen noemt Stell:

a. de op bladzijde 4 van haar catalogus voorkomende selectie en volgorde van weergave van een aantal “life saving signs” (van “wheelhouse” tot en met “emergency equipment”), door [geïntimeerde sub 1] overgenomen op bladzijde 3 van haar catalogus;

b. de op bladzijde 4 van haar catalogus voorkomende selectie en volgorde van weergave van “fire fighting signs”, door [geïntimeerde sub 1] overgenomen op bladzijde 3 van haar catalogus;

c. het ontwerp van de bij de fire fighting signs gebruikte cijfers;

d. de op de onderhelft van bladzijde 3 van haar catalogus voorkomende selectie van life saving signs met inbegrip van het ontwerp van de daarop voorkomende cijfers en letters, door [geïntimeerde sub 1] overgenomen op de onderhelft van bladzijde 4 van haar catalogus;

e. de op de bovenhelft van bladzijde 2 van haar catalogus voorkomende selectie van mandatory signs, door [geïntimeerde sub 1] overgenomen op de bovenhelft van bladzijde 6 van haar catalogus;

f. de op de onderhelft van bladzijde 8 van haar catalogus voorkomende selectie van public room signs, door [geïntimeerde sub 1] overgenomen op de onderhelft van bladzijde 6 van haar catalogus, zulks met inbegrip van sign nr 15235, zijnde een specifiek door Stell ontwikkeld sign;

g. een op de onderhelft van bladzijde 2 van haar catalogus voorkomende rij mandatory signs (“wear eye protection” tot en met “general mandatory”), door [geïntimeerde sub 1] overgenomen op de bovenhelft van bladzijde 7 van haar catalogus;

h. de op de bovenhelft van bladzijde 7 van haar catalogus voorkomende selectie van hazard signs, door [geïntimeerde sub 1] overgenomen op de bovenhelft van bladzijde 7 van haar catalogus;

i. de op de bovenhelft van bladzijde 7 van haar catalogus voorkomende selectie van prohibition signs, door [geïntimeerde sub 1] overgenomen op de onderhelft van bladzijde 7 van haar catalogus;

j. de op de bovenhelft van bladzijde 8 van haar catalogus voorkomende selectie van ISPS signs, door [geïntimeerde sub 1] overgenomen op de bovenhelft van bladzijde 8 van haar catalogus;

k. de op de onderhelft van bladzijde 7 van haar catalogus voorkomende selectie van combination signs, door [geïntimeerde sub 1] overgenomen op de onderhelft van bladzijde 8 van haar catalogus;

l. de op de onderhelft van bladzijde 12 en op bladzijde 13 van haar catalogus voorkomende posters, door [geïntimeerde sub 1] overgenomen op bladzijde 16 van haar catalogus;

m. de tekst onder het kopje “documentation” en de minisymbolen, voorkomende op bladzijde 6 van haar catalogus, door [geïntimeerde sub 1] overgenomen op bladzijde 17 van haar catalogus;

4.3 [geïntimeerden] bestrijden dat Stell als maker van die elementen kan worden aangemerkt en stelt dat zij die elementen met toestemming van Intersign Norge AS (hierna aan te duiden als Intersign) heeft ontleend aan de door deze uitgegeven catalogus 2004 en dat Intersign de maker daarvan is, van wie Stell de bewuste elementen heeft overgenomen. Stell bestrijdt niet dat de omstreden elementen in de Intersign-catalogus ook voorkomen maar verklaart dat uit het feit dat hij in het verleden met Intersign heeft samengewerkt en dat Intersign in het kader daarvan tot ontlening aan de Stell-catalogus gerechtigd was. De samenwerking is echter inmiddels beëindigd en ook Intersign is tot deze ontlening niet meer gerechtigd.

4.4 Ten betoge dat zijn makerschap in dit geding voldoende aannemelijk is geworden, beroept Stell zich in de eerste plaats op de ontstaansgeschiedenis van zijn catalogus. Deze bouwt immers voort op eerdere catalogi die hij, speciaal voor het maritieme gedeelte van zijn werk, heeft uitgegeven in de jaren 1999, 2000, 2002 en 2004. Dat betoog overtuigt het hof niet. Het is wel aannemelijk dat de overeenstemming tussen de catalogi van Stell en Intersign samenhangt met en voortvloeit uit de samenwerking die tussen deze beide partijen heeft bestaan, maar dat zegt nog niets over de vraag bij wie van beide de oorsprong van de verschillende overeenstemmende elementen lag. Dat zou anders kunnen zijn als de omstreden oorspronkelijke elementen ook reeds terug te vinden zijn in eerdere catalogi van Stell, daterende van vóór de samenwerking met Intersign. Dat is echter niet het geval: overwegend zijn deze elementen in eerdere Stell-catalogi niet terug te vinden en wanneer de samenwerking precies is aangevangen, is door Stell niet vermeld. [geïntimeerden] dateren die aanvang “in de eerste jaren van deze eeuw” en dat zegt dus ook niet veel.

4.5 Stell heeft zich in dit verband beroepen op een door hem overgelegde schriftelijke verklaring van zijn medewerkers [A.], [B.] en [C.] waarin zij bevestigen voor hun werkgever de catalogus gemaakt te hebben zonder daarbij gebruik gemaakt te hebben van de Intersign-catalogus. Daargelaten dat bij kennisneming van die verklaring blijkt dat deze medewerkers niet verklaren dat zij geen gebruik hebben gemaakt van de Intersign-catalogus, maar slechts dat zij geen gebruik hebben gemaakt “van bestanden van Intersign”, in elk geval staat hier tegenover de door [geïntimeerden] als productie 1 in eerste aanleg overgelegde verklaring van [D.], general manager van Intersign, onder meer inhoudende:

We are supplying the international shipping industry since mid eighties (approx 1985), a long time before Stell did, I was contacted by their export-manager at beginning of this century and informed that Stell just had started a year ago with producing signs towards shipping industry.

The signs and symbols which are used in the discussed catalogue are made by ourselves and we certainly did not use any of Stells details.

…..

In respect to the above I want to mention that even I have helped Stell out with giving information about shipping industry in the 2002 year in order for them to make catalogues, …..

Stell wijst er wel op dat [D.] “na het vertrek van [geïntimeerde sub 3] bij Stell de zijde van [geïntimeerde sub 3] heeft gekozen”, maar, als hij daarmee bedoelt dat zijn geloofwaardigheid door een vorm van loyaliteit aan [geïntimeerden] wordt aangetast, valt niet in te zien waarom het omgekeerde bij de medewerkers van Stell niet het geval zou zijn.

4.6 Voorts acht Stell zijn makerschap bevestigd door het feit dat zowel in zijn catalogus als in die van Intersign het hem, Stell, toekomende merk Luxolight voorkomt. Daarin kan het hof hem niet volgen. Niet valt in te zien (gegeven de vroegere samenwerking tussen Stell en Intersign) waarom in een door Intersign gemaakte catalogus niet ook een merk van Stell vermeld zou kunnen zijn.

4.7 Ten slotte acht Stell zijn makerschap aannemelijk gemaakt door het feit dat [geïntimeerden] gefalsificeerd bewijsmateriaal overleggen. Daarvan geeft hij echter slechts één voorbeeld, te weten een pagina van een beweerdelijk in 2000 uitgegeven flyer van Intersign waarin een sign voorkomt dat blijkens een door Stell overgelegde circulaire eerst in 2002 zou zijn vastgesteld. Het hof ziet echter niet in waarom een sign dat in 2002 officieel wordt voorgeschreven (“for Singapore-flag ships”) voordien volledig onbekend moet zijn geweest.

4.8 De gronden waarop Stell zijn makerschap aannemelijk gemaakt acht, overtuigen het hof daarom niet. Ook overigens ziet het geen redenen om uitgesloten te achten dat Intersign, althans een ander dan Stell de maker is van de elementen over welker overname hij zich beklaagt. Grief 1 faalt.

5 Bespreking van de overige grieven

5.1 De eerste rechter heeft voldoende aannemelijk geacht dat de catalogus van Stell een te beperkt oorspronkelijk karakter draagt om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen. Daartegen richt zich grief 2. Nu het hof Stell niet als de maker kan aanmerken en gesteld noch gebleken is dat Stell anderszins als auteursrechthebbende op de catalogus kan worden aangemerkt, doet niet meer terzake of de catalogus wel voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt. Grief 2 behoeft aldus geen bespreking meer.

5.2 Behalve op auteursrecht heeft Stell zich ook beroepen op hem toekomende databankbescherming en geschriftenbescherming. Het eerste is door de eerste rechter verworpen, op het laatste is zij niet ingegaan. Daartegen richten zich onderscheidenlijk de grieven 3 en 4. Nu Stell het auteursrecht ontzegd moet worden omdat hij niet als maker kan worden aangemerkt, is het duidelijk dat hem ook geen geschriftenbescherming kan toekomen toekomt. Evenmin is aannemelijk geworden dat Stell producent is van de volgens hem als databank te kwalificeren catalogus. Daarop moeten deze grieven afstuiten.

5.3 Grief 5 richt zich tegen de door de eerste rechter uitgesproken kostenveroordeling en is afhankelijk van de andere grieven. Nu deze alle falen, kan ook grief 5 geen effect sorteren.

6 Slotsom

Nu alle grieven falen, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen. Stell dient als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep te worden verwezen. Die kosten zullen overeenkomstig artikel 1019h Rv worden bepaald op de werkelijke kosten zoals deze door [geïntimeerden] zijn opgegeven nu deze het hof redelijk en evenredig voorkomen. Dat leidt tot een salaris procureur van:

honorarium tot pleidooi € 4.047,00

honorarium pleidooi 1900,00

kantoorkosten 356,82

rolwaarneming 25,00

totaal € 6.328,82 (exclusief BTW)

Daarbij heeft het hof de kosten van de eerste aanleg buiten beschouwing gelaten nu de eerste rechter daarover reeds heeft geoordeeld en [geïntimeerden] geen incidenteel hoger beroep hebben ingesteld.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep in kort geding:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Zutphen van 11 september 2006;

veroordeelt Stell in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 6.328,82 voor salaris van de procureur en op € 750 voor griffierecht;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs G. Mannoury, A. Smeeïng-van Hees en B.J. Lenselink en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2007.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature