Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Geschil inzake pachtovereenkomst

Uitspraak



20 december 2005

pachtkamer

rolnummer 2002/835 P

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

procureur: mr. J.M. Bosnak,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellant in het incidenteel beroep,

procureur: mr. F.P. Lomans.

1 Het verloop van het geding

1.1 Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van deze kamer van 22 juni 2004 (hierna: het tussenarrest), verwijst het hof naar dat arrest.

1.2 Na het tussenarrest heeft [appellant] mrs. Valk, Tjittes en Van den Dungen en de raden ir. Rogaar en ING. De Lorijn en subsidiair alleen mr. Valk gewraakt. De wrakingskamer heeft [appellant] op 9 november 2004 in zijn verzoek tot wraking niet-ontvankelijk verklaard.

1.3 Daarna heeft ingevolge het tussenarrest alsnog een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich bij de stukken.

1.4 Vervolgens heeft [geïntimeerde] bij akte een productie overgelegd, waarna schriftelijk pleidooi is bepaald. Bij de schriftelijke pleitnotities van de advocaat van [geïntimeerde] zijn enkele nieuwe producties gevoegd. De schriftelijke pleitnotities van de advocaat van [geïntimeerde] zijn wegens strijd met het rolreglement door de rolraadsheer geweigerd. Vervolgens heeft [geïntimeerde] een akte genomen, waarbij hij het debat heeft voortgezet en zijn eis in het incidenteel appèl heeft vermeerderd. [appellant] heeft daarop met een antwoordakte gereageerd, welke akte onder meer een bezwaar tegen de eisvermeerdering behelst.

1.5 Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

2 Verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1 Het hof zal eerst op het bezwaar tegen de eisvermeerdering beslissen.

2.2 De eisvermeerdering ziet in de eerste plaats op terugbetaling van de op grond van het bestreden vonnis ten laste van [geïntimeerde] geëxecuteerde dwangsommen, in de tweede plaats op het afrekenen van het aan [geïntimeerde] als pachter “toekomende deel” van het melkquotum en in de derde plaats op de opheffing van inmiddels door [appellant] ten laste van [geïntimeerde] gelegde beslagen.

2.3 Wat betreft de terugbetaling van de op grond van het bestreden vonnis ten laste van [geïntimeerde] geëxecuteerde dwangsommen geldt dat deze vordering niet meer is dan een sequeel van de vordering tot vernietiging van het bestreden vonnis, omdat zij immers strekt tot verkrijging van een executoriale titel voor hetgeen waarop [geïntimeerde] op grond van een vernietiging van het bestreden vonnis reeds zonder meer recht heeft, namelijk op ongedaanmaking van wat hij op grond van dat vonnis aan [appellant] onverschuldigd heeft betaald. Een dergelijke ongedaanmakingsvordering is niet te beschouwen als een vordering in reconventie. In aanmerking genomen dat [appellant] zich over de ongedaanmakingsvordering heeft kunnen uitlaten, is het instellen van die vordering bij de laatste akte van [geïntimeerde] niet in strijd met de goede procesorde. Het hof verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2005, RvdW 2005, 97. In zoverre is het bezwaar derhalve ongegrond.

2.4 Wat betreft het afrekenen met betrekking tot het melkquotum is wel sprake van een vordering in reconventie. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] geen vordering in reconventie ingesteld. Uit het eerste lid van artikel 353 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat hij dat in hoger beroep niet alsnog kan doen, zodat [geïntimeerde] in dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard.

2.5 Wat betreft de opheffing van door [appellant] ten laste van [geïntimeerde] gelegde beslagen geldt dat [geïntimeerde] bij een vordering daartoe geen belang heeft, omdat een vernietiging van het bestreden vonnis reeds van rechtswege meebrengt dat de op grond ervan gelegde beslagen als vervallen moeten worden beschouwd. Ook in zoverre dient [geïntimeerde] in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.6 Vervolgens komt het hof toe aan een nadere inhoudelijke beoordeling van het geschil in hoger beroep.

2.7 Ter gelegenheid van het schriftelijk pleidooi heeft [appellant] uitvoerig betoogd dat het hof behoort terug te komen op zijn bindende eindbeslissingen zoals neergelegd in de rechtsoverwegingen 4.9, 4.10 en 4.11 van het tussenarrest. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet het hof daartoe – ook los van de vraag in hoeverre zulk terugkomen aan het hof vrijstaat in verband met bindende karakter van bedoelde beslissingen – geen aanleiding op grond van de navolgende overwegingen.

a. In de toelichting van [geïntimeerde] op zijn incidenteel beroep, op p. 9 van zijn memorie, valt een impliciet bezwaar tegen de lengte van de ontruimingstermijn te lezen. Dat [geïntimeerde] op die plaats ervan spreekt dat de termijn te kort “bleek” en dat hij niet met zoveel woorden zegt dat die termijn te kort “was”, illustreert dat van een uitdrukkelijk verwoorde grief geen sprake is, maar – zoals [appellant] ook onderkent – volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad verhindert dat niet dat bedoeld impliciet bezwaar niettemin als een grief wordt opgevat. Mede in verband met de verwijzing door [geïntimeerde] naar het vonnis van de voorzieningenrechter van 14 augustus 2002 – waarbij, in verband met noodtoestand aan de zijde van [geïntimeerde], [appellant] is bevolen om de executie van het bestreden vonnis te staken – bestaat voor een dergelijke uitleg van [geïntimeerde]s memorie voldoende grond. Voor die uitleg pleit ook dat de advocaat van [geïntimeerde] ter gelegenheid van het pleidooi heeft betoogd (pleitnota onder 18) dat de termijn van drie weken na betekening aanmerkelijk te kort was.

b. [appellant] leest de memorie van [geïntimeerde] aldus dat [geïntimeerde] eerst ná het wijzen van het bestreden vonnis tot het inzicht is gekomen dat hij voor de ontruiming van de woning meer tijd nodig had dan de termijn die hem door de voorzieningenrechter was gesteld. Anders dan [appellant] betoogt, is deze lezing niet in strijd met de uitleg die het hof aan de memorie geeft. Het hoger beroep strekt immers mede tot herstel van wat in de eerste aanleg door een partij is nagelaten, zodat ook inzicht dat na het wijzen van het bestreden vonnis bij [geïntimeerde] is ontstaan, tot een grief aanleiding kan geven.

c. Nu – volgens de in het tussenarrest en hiervoor aan de memorie van [geïntimeerde] gegeven uitleg – de lengte van de ontruimingstermijn door middel van een grief aan het hof ter beoordeling was voorgelegd, diende het hof die lengte opnieuw te beoordelen. Daarbij is ook van belang dat – zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd en door [appellant] op zichzelf niet is bestreden – de door de pachtkamer in eerste aanleg gegeven termijn achteraf te kort is gebleken, omdat immers het hof het geschil heeft te beslissen naar de stand van zaken ten tijde van het wijzen van zijn arrest.

d. Ook thans beroept [appellant] zich erop dat [geïntimeerde] ten tijde van de behandeling van het kort geding dat tot het vonnis van 14 augustus 2002 heeft geleid, het vertrouwen heeft gewekt dat hij in het bestreden vonnis berustte. [appellant] verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 12 van genoemd vonnis. Het hof heeft in het tussenarrest onder 4.5 reeds beslist dat van berusting geen sprake is. Thans voegt het hof daaraan het volgende toe. De beweerde berusting heeft plaatsgevonden vóór het uitbrengen van de appèldagvaarding. Gelet op de tweede volzin van het derde lid van artikel 339 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kon [geïntimeerde] incidenteel beroep instellen, ook indien het standpunt van [appellant] juist zou zijn dat [geïntimeerde] eerder in het bestreden vonnis had berust.

2.8 [appellant] heeft zich voorts nog op het standpunt gesteld dat terugvordering van de door hem op grond van het bestreden vonnis ten laste van [geïntimeerde] geëxecuteerde dwangsommen in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Dit standpunt moet worden verworpen. Executie van een vonnis dat nog geen kracht van gewijsde heeft verkregen, geschiedt op risico van de executerende partij. Voor zover [appellant] zich ook in dit verband beroept op door [geïntimeerde] gewekt vertrouwen dat hij zich bij het bestreden vonnis neerlegde, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder d is overwogen.

2.9 Vervolgens is de kwestie van het melkquotum aan de orde. Hoewel [appellant] ter gelegenheid van de comparitie van partijen de mogelijkheid dat [geïntimeerde] reeds in 1983 andere grond dan het gepachte in gebruik had, min of meer heeft erkend, heeft hij bij schriftelijk pleidooi alsnog uitvoerig en onder het overleggen van stukken gemotiveerd betoogd dat [geïntimeerde] in het referentiejaar 1983 geen andere grond in gebruik had dan het van [appellant] gepachte. [geïntimeerde] heeft in zijn laatste akte op dat betoog niet inhoudelijk gereageerd en heeft volstaan met de opmerking dat de kwestie van het melkquotum als afgedaan dient te worden beschouwd. Voor zover daaruit niet kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] de juistheid van de stellingen van [appellant] alsnog erkent, geldt in ieder geval dat [geïntimeerde] zijn betwisting van de stellingen van [appellant] thans onvoldoende heeft gemotiveerd, zodat van de juistheid van die stellingen moet worden uitgegaan. Dat betekent dat de grieven III, IV en V in het incidenteel beroep falen.

2.10 Wat betreft de schadeposten b, c en d zoals in het tussenarrest onder 4.17 e.v. aan de orde overweegt het hof als volgt.

2.11 Uit hetgeen [appellant] ter comparitie heeft verklaard, volgt dat hij erkent dat hij bij brief van 12 juli 2001 aan [geïntimeerde] heeft laten weten dat deze de door hem gestichte gebouwen niet moest afbreken. De reden daarvoor was, zo heeft [appellant] verklaard, dat hij dan vervolgens problemen zou hebben gekregen met de gemeente bij het aanvragen van een bouwvergunning voor de oprichting van nieuwe gebouwen. Die reden is invoelbaar, maar doet er niet aan af dat [appellant] [geïntimeerde] niet kan verwijten dat hij bedoelde gebouwen niet heeft afgebroken. De schadepost sub b is derhalve niet toewijsbaar.

2.12 Zoals in het tussenarrest onder 4.20 reeds overwogen, is wat betreft de schadeposten sub c en d mede van belang welk niveau van onderhoud in redelijkheid van [geïntimeerde] kon worden verwacht. Wat betreft de wegen heeft [appellant] verklaard dat de hoofdweg goed was onderhouden, maar dat de wegen naar bijv. het kippenhok in feite karrensporen betroffen, die intussen met behulp van een trekker wel waren te gebruiken. [appellant] heeft niets aangevoerd over de staat van de wegen ten tijde van het ter beschikking stellen van het gepachte. Gelet daarop kan niet als vaststaand worden aangenomen dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in het onderhoud van de wegen.

2.13 Wat betreft de overige klachten van [appellant] omtrent de onderhoudstoestand van het gepachte geldt het volgende. Volgens de verklaring van [geïntimeerde] jr. ter gelegenheid van de comparitie van partijen boerde zijn vader zeer kleinschalig en voldeed de afrastering voor de manier waarop hij boerde. [appellant] is hierop slechts in beperkte mate ingegaan en heeft verwezen naar het verslag van hemzelf en zijn zoon omtrent de wijze waarop zij het gepachte hebben aangetroffen. Uit de verklaring van [...] (productie 4a bij memorie van grieven) en de bij die verklaring gevoegde stukken, waaronder de analyse van door Blgg Oosterbeek genomen grondmonsters (productie 4o), leidt het hof wel af dat er op onderdelen aanmerkingen zijn te maken op de wijze waarop [geïntimeerde] het gepachte heeft opgeleverd, maar dat wil niet zeggen dat alle kosten die [appellant] heeft gemaakt voor rekening van [geïntimeerde] kunnen worden gebracht. Het grootste deel van die kosten is klaarblijkelijk gemaakt om het gepachte te brengen in een staat die voldoet aan de eisen van een moderne bedrijfsvoering. Voor dat gedeelte komen de kosten niet voor vergoeding in aanmerking, omdat aan [geïntimeerde] als pachter ook niet een modern landbouwbedrijf ter beschikking is gesteld. Voor een kleiner gedeelte zijn die kosten wel terug te voeren op gebrekkig onderhoud door [geïntimeerde]. Laatstbedoeld gedeelte begroot het hof schattenderwijs in hoofdsom op € 4.500,—.

2.14 De slotsom is dat het principaal beroep gedeeltelijk slaagt, in die zin dat een bedrag in hoofdsom van € 4.500,—, te vermeerderen met wettelijke rente, toewijsbaar is. Het incidenteel beroep slaagt eveneens gedeeltelijk, in die zin dat de vordering van [appellant] alsnog dient te worden afgewezen wat betreft de gevorderde ontruiming van de woning op straffe van een dwangsom. In zoverre dient het bestreden vonnis te worden vernietigd en voor het overige dient het te worden bekrachtigd. Het laatste geldt ook voor de door de pachtkamer in eerste aanleg uitgesproken compensatie van proceskosten, omdat partijen ieder deels in het ongelijk zijn gesteld. De tegen bedoelde proceskostencompensatie in het principaal en in het incidenteel beroep opgeworpen grieven falen. Ook in het principaal en in het incidenteel beroep zijn partijen ieder deels in het ongelijk gesteld. In verband daarmee zal het hof ook de kosten van het geding in het principaal en het incidenteel beroep compenseren. De door [geïntimeerde] ingestelde ongedaanmakingsvordering zal worden toegewezen. Voor de door hem gevraagde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring bestaat, gelet op artikel 134 Pachtwet , geen grond. Wat betreft zijn vorderingen met betrekking tot het melkquotum en de opheffing van beslagen zal het hof [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede, van 16 juli 2002 voor zover bij dat vonnis (1) [geïntimeerde] is veroordeeld tot ontruiming van de woning staande en gelegen aan de [adres] en voor zover aan die veroordeling een dwangsom is verbonden en (2) de vordering van [appellant] tot betaling van schadevergoeding in verband met de wijze waarop [geïntimeerde] het gepachte heeft ontruimd is afgewezen en doet in zoverre opnieuw recht;

wijst de vordering van [appellant] tot ontruiming van de woning staande en gelegen aan de [adres] alsnog af;

veroordeelt [geïntimeerde], ten titel van schadevergoeding, tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 4.500,—, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 mei 2001 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde;

bekrachtigt genoemd vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellant], ten titel van ongedaanmaking van hetgeen door [geïntimeerde] naar aanleiding van genoemd vonnis aan hem onverschuldigd is betaald, tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 23.629,02, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 7.970,59 vanaf 17 januari 2003, over een bedrag van € 15.514,43 vanaf 19 februari 2003 en over een bedrag van € 144,— vanaf 2 mei 2003, steeds tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart [geïntimeerde] niet-ontvankelijk wat betreft zijn vorderingen met betrekking tot het melkquotum en de opheffing van beslagen;

compenseert de kosten in het principaal en in het incidenteel beroep, aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Valk, Tjittes en Van den Dungen en de raden ir. Rogaar en ING. De Lorijn en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2005.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature