Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

BPM. Proceskostenvergoeding. Wegingsfactor

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 15/00391 en 15/00412

uitspraakdatum: 28 februari 2017

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X] h.o.d.n. [Y] te [Z] (hierna: belanghebbende)

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 17 maart 2015, nummer AWB 12/2814 in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Belanghebbende heeft ter zake van een personenauto van het merk Alfa Romeo, type Spider 1.7T Exclusive (VIN: [00000] ; hierna: de auto) een bedrag van € 7.380 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) op aangifte voldaan.

1.2

Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar gegrond verklaard. De Inspecteur heeft aan belanghebbende teruggaaf aan BPM verleend van € 959. Daarbij is aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend van € 54,50.

1.3

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank).

1.4

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor zover het beroep de vergoeding van rente betreft. De verschuldigde BPM is door de Rechtbank gehandhaafd zoals door de Inspecteur is vastgesteld in de uitspraak op bezwaar. De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 544,50, te weten € 54,50 voor de kosten van bezwaar en € 490 voor de kosten van beroep.

1.5

Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft tegen de beslissing van de Rechtbank inzake de proceskosten hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft, anders dan de Inspecteur, voorts een verweerschrift ingediend.

1.6

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.7

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 26 januari 2017 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord: belanghebbende, bijgestaan door [A] , alsmede, namens de Inspecteur, [B] en [C] .

1.8

Ter zitting van het Hof zijn gelijktijdig de zaken behandeld met de hierna te noemen zaaknummers van het Hof: 14/00989, 15/00388, 15/00411, 15/00390, 15/00412, 15/00391, 15/00413, 15/00392, 15/00414 en 15/00393.

1.9

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft de onderhavige, uit Duitsland afkomstige, auto in Nederland gekocht en deze doen registreren in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden kentekenregister. In verband hiermee heeft hij een bedrag van € 7.380 aan BPM op aangifte voldaan.

2.2

Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar aangetekend. Belanghebbende werd en wordt bijgestaan door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent.

2.3

De Inspecteur heeft het bezwaar in verband met de 12%-regeling gegrond verklaard en een teruggaaf aan BPM van € 959 verleend. In verband hiermee heeft de Inspecteur belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend van € 54,50 ter zake van in bezwaar beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2.4

Belanghebbende heeft beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft belanghebbende een rentevergoeding toegekend en een proceskostenvergoeding toegekend van in totaal € 544,50, te weten € 54,50 voor de bezwaarfase en € 490 voor de beroepsfase.

2.5

Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft (uitsluitend) tegen de beslissing van de Rechtbank inzake de proceskostenvergoeding hoger beroep ingesteld.

3 Het geschil en de standpunten van partijen

3.1

In hoger beroep is (uitsluitend) in geschil of de Rechtbank bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase terecht is uitgegaan van een wegingsfactor van 1. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend, in die zin dat een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) volstaat.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Tussen partijen is de wegingsfactor in geschil. Dienaangaande wordt – gelet op HR 23 september 2011, nr. 10/04238, ECLI:NL:HR:2011:BT2293 – het volgende vooropgesteld. Onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) onderscheidt voor de bepaling van het gewicht van een zaak vijf categorieën met een bijbehorende wegingsfactor, maar kent aan geen van die categorieën een bijzondere positie toe.

4.2

In de toelichting op het Bpb van 22 december 1993, Stb. 763, blz. 7-8, is opgemerkt:

"Het gewicht van een zaak wordt uitgedrukt in wegingsfactor C1, die varieert van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door het - al dan niet in geld uit te drukken - belang en de ingewikkeldheid. Het is niet wenselijk om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. (...) Het opnemen van factor C1 berust op de overweging dat enerzijds het met een gemachtigde voeren van bagatelprocedures niet moet worden aangemoedigd, en, anderzijds, dat de vergoeding evenredig dient te zijn met de prestatie van de gemachtigde."

4.3

De toelichting op de wijziging van het Bpb van 25 februari 2002, Stb. 113, blz. 6, vermeldt:

"Het gewicht van de zaak kan nader tot uiting worden gebracht in de wegingsfactoren. Dit kan variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. De uitkomst dient steeds in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener."

4.4

Uit het in 4.1 tot en met 4.3 vermelde, volgt dat de beoordelende instantie zelfstandig – op grond van een eigen waardering – dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt (zie ook HR 27 november 2015, nr. 15/02072, ECLI:NL:HR:2015:3370).

4.5

Nu de Rechtbank in haar uitspraak is uitgegaan van een wegingsfactor van 1 heeft belanghebbende ter zitting van het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig aangegeven alsnog te berusten in de uitspraak van de Rechtbank.

4.6

De Inspecteur betoogt dat de Rechtbank van een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) had moeten uitgaan. In de omstandigheid dat de Inspecteur is veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende omdat aan belanghebbende een rentevergoeding is toegekend, vindt het Hof aanleiding om, net als de Rechtbank, een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak te hanteren van 1. Hierbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat destijds in geschil was of belanghebbende, wegens schending van het Unierecht, recht heeft op een van de Algemene wet inzake rijksbelastingen afwijkende rentevergoeding, welke vraag door de Hoge Raad in zijn arrest van 19 december 2014, nr. 13/06055, ECLI:NL:HR:2014:3606, is beantwoord.

Slotsom

Beide hoger beroepen zijn ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een vergoeding van proceskosten omdat het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond is. Het Hof berekent deze kosten volgens de forfaitaire normen van het Bpb. Daarbij wordt een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) gehanteerd, omdat in hoger beroep enkel de hoogte van de wegingsfactor in geschil is. Het voorgaande leidt tot een vergoeding van € 247,50 (2 punten voor proceshandelingen x € 495 x wegingsfactor 0,25).

6 Beslissing

Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ter zake van het hoger beroep, vastgesteld op € 247,50, en

– bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 497.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017

De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter,

te ondertekenen,

(C.E. te Brake)

(B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 maart 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature