Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Aansprakelijkheid advocaat

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



164.194GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.164.194

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 258880)

arrest van 20 september 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellant,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. W.P. Keulers,

tegen:

1 [geïntimeerde 1]

wonende te [plaatsnaam] ,

hierna: [geïntimeerde 1] ,

2. de maatschap

De Mul Zegger Advocaten,

gevestigd te Nijmegen,

geïntimeerden,

hierna: de Maatschap,

advocaat: mr. T. Riyazi.

[geïntimeerde 1] en de Maatschap zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als [geïntimeerden]

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 7 mei 2014 en 3 september 2014 die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagde heeft gewezen.

Het vonnis d.d. 3 september 2014 is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBGEL:2014:6153.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 25 november 2014,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord, met producties,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van de stukken die bij berichten van 15 april en 16 juni 2016 door mr. T. Riyazi namens [geïntimeerden] en bij bericht van 9 juni 2016 door mr. S. Wijnkamp namens [appellant] zijn ingebracht.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.33 van het vonnis van 3 september 2014. Weliswaar heeft [appellant] een aantal grieven tegen die feitenvaststelling gericht (onder andere erop neerkomende dat daarin ten onrechte citaten uit de Nederlandse vertaling zijn opgenomen in plaats van citaten uit de Duitstalige originelen), doch [appellant] heeft - gelet op de hiernavolgende beoordeling van het geschil - bij een verdere bespreking van die grieven geen belang.

3.2

Kort samengevat gaat het in de onderhavige zaak om het volgende.

[geïntimeerde 1] is sinds 2001voor [appellant] als advocaat opgetreden, onder meer inzake geschillen met zijn voormalige zakenpartner [persoon 1] . [appellant] en [persoon 1] investeerden gezamenlijk in diverse vastgoedprojecten, onder andere in een vakantiepark in Oostenrijk, [vakantiepark in Oostenrijk] (‘ [vakantiepark in Oostenrijk] ’). Bij geschillen in verband daarmee zijn [persoon 1] en [appellant] aanvankelijk bijgestaan door een gezamenlijke Oostenrijkse advocaat. Op enig moment hebben zij besloten zich ieder afzonderlijk van juridische bijstand te voorzien, waartoe [geïntimeerde 1] op 31 augustus 2005 namens [appellant] de Oostenrijkse advocaat dr. Glaser (hierna: ‘Glaser’) heeft benaderd en [persoon 1] zich heeft gewend tot dr. Mair (hierna: ‘Mair’).

Op 12 februari 2007 is aan het kantoor van Glaser een verstekvonnis betekend in een door de architect [persoon 2] tegen [appellant] en [persoon 1] geëntameerde procedure (hierna: de [architectprocedure] ), eveneens met betrekking tot [vakantiepark in Oostenrijk] . Glaser heeft hierover met [geïntimeerde 1] contact opgenomen, heeft daarop het verstek gezuiverd en heeft zich namens [appellant] in de [architectprocedure] gesteld. Op 21 november 2007 heeft [geïntimeerde 1] aan Glaser geschreven dat deze zijn activiteiten als advocaat van [appellant] in Oostenrijk kon beëindigen, vanwege een door [persoon 1] en [appellant] gesloten overeenkomst, onder meer inhoudende dat de heer [persoon 1] een leidende rol zou spelen met betrekking tot - onder andere - de [architectprocedure] . Glaser heeft [geïntimeerde 1] en [appellant] er vervolgens meer dan eens schriftelijk op gewezen dat [appellant] in de [architectprocedure] niet vertegenwoordigd werd, hetgeen ook [geïntimeerde 1] bij gelegenheid van het doorsturen van de brieven van Glaser aan [appellant] in het Nederlands heeft herhaald.

Bij brief van 23 december 2008 heeft [geïntimeerde 1] - na overleg met [appellant] - Glaser alsnog gevraagd om [appellant] in de [architectprocedure] te vertegenwoordigen, door aanwezig te zijn bij een zitting op 7 januari 2009. Glaser heeft bij fax van 5 januari 2009 geantwoord dit niet te zullen doen en heeft [appellant] - met c.c. aan Mair - in overweging gegeven om zich (net als [persoon 1] ) bij die gelegenheid door Mair te laten vertegenwoordigen.

Bij tussenvonnis van 17 april 2009 (het Tussenvonnis) heeft het Landesgericht Salzburg geoordeeld dat [appellant] en [persoon 1] aansprakelijk zijn voor de door [persoon 2] geleden schade. Glaser heeft het Tussenvonnis bij brief van 30 april 2009 aan [appellant] en [geïntimeerde 1] doorgestuurd en heeft daarbij geattendeerd op de beroepstermijn van vier weken vanaf 30 april, derhalve tot 28 mei 2009. Ook heeft Glaser in deze brief zijn eerdere mededeling, dat [appellant] in de procedure niet door een Oostenrijkse advocaat vertegenwoordigd werd, herhaald.

Mair heeft namens [persoon 1] tegen het Tussenvonnis hoger beroep aangetekend.

Het Tussenvonnis is in hoger beroep ten aanzien van [persoon 1] vernietigd; ten aanzien van [appellant] is het in stand gebleven. [appellant] heeft, toen hem eenmaal duidelijk was geworden dat de vernietiging ten opzichte van [persoon 1] meebracht dat hij niet langer tezamen met [persoon 1] , maar alleen gehouden was om de schade van [persoon 2] te vergoeden, [geïntimeerden] voor zijn schade aansprakelijk gesteld. [geïntimeerden] heeft aansprakelijkheid betwist.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd voor recht te verklaren dat [geïntimeerde 1] en de Maatschap hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden schade. Daarnaast heeft hij gevorderd [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om schadevergoeding te betalen ter hoogte van het door [appellant] aan [persoon 2] te betalen bedrag ad € 393.402,94, alsmede een bedrag van € 31.478,50 aan tevergeefs gemaakte kosten voor de cassatieprocedure in Oostenrijk, een en ander te vermeerderen met rente en met veroordeling van [geïntimeerden] in de gedingkosten.

4.2

[appellant] heeft onder meer aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde 1] - in de kern genomen - heeft verzuimd om hem erop te wijzen dat zijn belangen in de [architectprocedure] niet door Mair werden behartigd. [geïntimeerde 1] heeft [appellant] er niet voldoende concreet op gewezen dat [appellant] niet zou profiteren van een eventueel gunstige uitkomst van het door [persoon 1] ingestelde hoger beroep, doch daarentegen daarvan substantieel nadeel zou kunnen ondervinden.

Volgens [appellant] had [geïntimeerde 1] hem hierop moeten wijzen. [geïntimeerde 1] heeft door dit na te laten niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat gevergd mag worden, waarmee [geïntimeerden] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de met [appellant] gesloten overeenkomst van opdracht, althans onrechtmatig heeft gehandeld.

4.3.

[geïntimeerden] heeft onder meer als verweer aangevoerd dat [geïntimeerde 1] niet de advocaat van [appellant] in de Oostenrijkse procedures was, dat [appellant] met [persoon 1] had afgesproken dat deze de Oostenrijkse procedures zou afwikkelen en dat zowel Glaser als hijzelf [appellant] er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat hij in de [architectprocedure] niet door een advocaat vertegenwoordigd werd. Bovendien heeft [appellant] volgens [geïntimeerden] desgevraagd uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij van het Tussenvonnis niet in hoger beroep wenste te komen.

4.4

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] in eerste aanleg afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank was niet komen vast te staan dat [appellant] aan [geïntimeerde 1] opdracht heeft gegeven om zijn belangen in de [architectprocedure] te behartigen, hetgeen [appellant] evenmin uit de verklaringen en gedragingen van [geïntimeerde 1] heeft mogen afleiden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de correspondentie die Glaser en [geïntimeerde 1] met [appellant] hebben gevoerd (wat [geïntimeerde 1] betreft uit zijn brieven aan [appellant] van 26 februari 2008 en 23 mei 2008) dat [appellant] er meer dan eens voor gewaarschuwd is dat hij in de [architectprocedure] niet rechtsgeldig vertegenwoordigd werd. Om die reden kunnen de stellingen van [appellant] zijn vordering niet dragen en wordt aan bewijslevering niet toegekomen, aldus de rechtbank.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

[appellant] is in het hoger beroep met negen grieven opgekomen tegen - kort gezegd - de afwijzing van zijn vorderingen en de overwegingen waarop die afwijzing is gebaseerd.

[appellant] heeft geconcludeerd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot vernietiging van het vonnis van 3 september 2014 en tot toewijzing alsnog van zijn vorderingen, vermeerderd met wettelijke rente, met veroordeling van [geïntimeerden] in de gedingkosten.

5.2

[geïntimeerden] heeft de grieven bestreden.

5.3

Het hof stelt voorop dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid moet betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. De verplichting van een advocaat om een hem opgedragen zaak met zorg te behandelen, brengt in beginsel mee dat hij zich niet beperkt tot de verrichtingen waarom zijn cliënt uitdrukkelijk gevraagd heeft, maar dat hij zelfstandig beoordeelt wat voor de zaak van nut kan zijn en daarnaar handelt.

Voorts dient een advocaat die een cliënt adviseert in het kader van een door deze te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, deze in staat te stellen om goed geïnformeerd te beslissen. Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt daarbij behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de ernst en omvang van het desbetreffende risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit zich zal realiseren en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds van dat risico bewust te zijn (ECLI:NL:HR:2015:1406).

5.4

Getoetst aan dit criterium had het, gelet op de navolgende omstandigheden, op de weg van [geïntimeerde 1] gelegen om in ieder geval vóór afloop van de beroepstermijn te verifiëren of [appellant] ervan op de hoogte was dat Mair als advocaat van [persoon 1] in de [architectprocedure] alleen diens belangen (en niet ook die van [appellant] ) vertegenwoordigde en, als [appellant] van behartiging van zijn belangen door Mair uitging, om te (adviseren om te) verifiëren of [persoon 1] daarin daadwerkelijk had voorzien, in het bijzonder nu de van Glaser verkregen informatie op het tegendeel wees.

5.5

Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde 1] de Nederlandse advocaat was van [appellant] , en dat hij als zodanig onder meer betrokken was bij diens geschillen met [persoon 1] . Voorts was hij onbetwist op de hoogte van de tussen [appellant] en [persoon 1] gesloten overeenkomst van 3 september 2007 en de daarin neergelegde verplichtingen van [persoon 1] . [geïntimeerde 1] was er aldus mee bekend dat de verplichting van [persoon 1] voor wat betreft de Oostenrijkse procedures weinig exact was geformuleerd, waar deze luidde:

‘Dhr. [persoon 1] zal de lopende rechtszaak (…) [persoon 2] verder begeleiden, het staat dhr. [appellant] vrij om zich te laten vertegenwoordigen op zittingen via dhr. Mair. Rekeningen betreffende dhr. Mair komen dhr. [persoon 1] toe.’ Blijkens overgelegde correspondentie (zie bijvoorbeeld productie 49 van [appellant] , overgelegd voor het pleidooi in hoger beroep) was de omvang van de voor [persoon 1] uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen bovendien in de betreffende periode (mei 2009) onderwerp van debat tussen [geïntimeerde 1] en [persoon 1] , en achtte destijds dus ook [geïntimeerde 1] het namens [appellant] voeren van debat op dit punt onder zijn opdracht begrepen.

5.6

Ook indien als vaststaand zou worden aangenomen dat [appellant] uitdrukkelijk tegen [geïntimeerde 1] heeft gezegd geen hoger beroep te willen instellen tegen het Tussenvonnis, had het op de weg van [geïntimeerde 1] gelegen om zich er nadrukkelijk van te vergewissen of [appellant] die beslissing voldoende geïnformeerd had genomen, in het bijzonder gelet op de onduidelijkheid omtrent het optreden van Mair en het risico dat Mair naar Oostenrijks procesrecht zonder nadere (rechts)handelingen niet geacht kon worden mede namens [appellant] op te treden.

Bovendien volgt uit het verweer van [geïntimeerden] niet dat [geïntimeerde 1] zich er in voldoende mate van heeft vergewist dat [appellant] met zijn gestelde mededeling niet slechts heeft bedoeld dat hij náást Mair niet ook nog een eigen advocaat wenste in te schakelen. Het lag ook op de weg van [geïntimeerde 1] om een mogelijk misverstand hieromtrent uit te sluiten. Uit de brief van [geïntimeerde 1] d.d. 16 april 2013, waarin hij zijn interpretatie van het gebeurde heeft weergegeven, kan allerminst worden afgeleid dat daarvoor in de omstandigheden van het onderhavige geval geen aanleiding bestond. In die brief heeft [geïntimeerde 1] namelijk geschreven: ‘De heer [appellant] heeft geen eigen advocaat van zijn keuze meer willen inschakelen in Oostenrijk, maar is de heer [persoon 1] in Oostenrijk blijven ‘volgen’, ook - naar ik enige tijd dacht - met betrekking tot diens advocaatkeuze.

Tegen die achtergrond moet het eventueel instellen van hoger beroep tegen de tussenuitspraak van 17 april 2009 worden bezien.’

5.7

Ook indien van [geïntimeerde 1] geen kennis van het Oostenrijks recht kon worden verwacht, betekent dat niet dat [geïntimeerde 1] er in het licht van de geschetste omstandigheden mee mocht volstaan de adviezen van Glaser om zich in de [architectprocedure] door een advocaat te laten vertegenwoordigen slechts aan [appellant] door te sturen en in het Nederlands te herhalen, zonder daarbij de hem bekende afspraak tussen [appellant] en [persoon 1] omtrent het voeren van de Oostenrijkse procedures te betrekken. [appellant] mocht van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat verwachten dat indien de van Glaser verkregen feitelijke informatie omtrent zijn vertegenwoordiging in de Oostenrijkse procedure niet in overeenstemming zou zijn met hetgeen zijn (Nederlandse) wederpartij hem bij overeenkomst had toegezegd, [geïntimeerde 1] tenminste zou verifiëren of [appellant] had begrepen dat de met [persoon 1] overeengekomen verplichting om ‘het voortouw te nemen’ kennelijk niet had geleid tot een daadwerkelijke behartiging van zijn belangen in de [architectprocedure] , noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep. Ook indien [geïntimeerde 1] slechts als doorgeefluik functioneerde tussen [appellant] en Glaser mocht van [geïntimeerde 1] worden verwacht dat hij de hier bedoelde tegenstrijdigheid zou signaleren en dat hij - tenminste - [appellant] daarop zou wijzen alvorens deze een fatale beroepstermijn ongebruikt zou laten verstrijken.

5.8

Een en ander lag temeer op de weg van [geïntimeerde 1] nu hij heeft erkend (onder andere in punt 35 van zijn memorie van antwoord) dat hij in de periode na het sluiten van de overeenkomst tussen [appellant] en [persoon 1] ook zelf enige tijd ervan was uitgegaan dat [persoon 1] voor vertegenwoordiging van beiden in de [architectprocedure] zorg zou dragen en aldus van eenzelfde onjuiste voorstelling van zaken op dit punt is uitgegaan. Volgens [geïntimeerde 1] (blijkens diens brief aan [persoon 1] van 23 december 2010, productie 11 bij inleidende dagvaarding) heeft [persoon 1] bovendien (ook al voor 3 september 2007) meermalen in zijn aanwezigheid bevestigd dat hij de [architectprocedure] zou afwikkelen, zowel met betrekking tot zijn eigen betrokkenheid als die van [appellant] . Ook gelet daarop was het dus niet onwaarschijnlijk dat op dit punt ook bij [appellant] de indruk was ontstaan dat via [persoon 1] door Mair mede zijn belangen behartigd zouden worden. [geïntimeerde 1] had zelfstandig moeten beoordelen of de mogelijke onduidelijkheid op dit punt voor [appellant] een risico vormde en had [appellant] daarop ook ongevraagd moeten wijzen, mede in het licht van het fatale karakter van een beroepstermijn en het aanzienlijke bedrag waarvoor [appellant] door [persoon 2] aansprakelijk werd gehouden. [geïntimeerde 1] heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die het oordeel rechtvaardigen dat hij dit in voldoende mate heeft gedaan. Het hof acht in dit verband onvoldoende dat [geïntimeerde 1] [appellant] in 2008 heeft geadviseerd om Glaser vooralsnog diens belangen in de [architectprocedure] te laten behartigen, nu [geïntimeerde 1] niet heeft aangevoerd dat hij daarbij voldoende concreet op de risico’s voor [appellant] heeft gewezen indien [appellant] zijn advies niet zou opvolgen.

5.9

Dat [appellant] volgens [geïntimeerde 1] de Duitse taal voldoende beheerste om zelf met betrekking tot de [architectprocedure] te communiceren doet aan het bovenstaand oordeel niet af, evenmin als de omstandigheid dat mogelijk (ook) door [persoon 1] en Mair niet juist is gehandeld ten opzichte van [appellant] . Ook de door [geïntimeerde 1] aangevoerde (en door [appellant] betwiste) omstandigheid dat [geïntimeerde 1] niet betrokken is geweest bij de totstandkoming en formulering van de afspraken van 3 sept 2007 kan niet tot een ander oordeel leiden.

5.10

Het voorgaande leidt reeds tot de conclusie dat de grieven slagen voor zover de rechtbank in het bestreden vonnis de aansprakelijkheid van [geïntimeerden] heeft afgewezen. De grieven behoeven voor het overige geen bespreking.

5.11

[geïntimeerden] heeft niet betwist dat een door [appellant] ingesteld hoger beroep tegen het Tussenvonnis tot hetzelfde resultaat zou hebben geleid als het door [persoon 1] daartegen ingestelde hoger beroep, zodat het causaal verband tussen het verzuim om hoger beroep in te stellen en de door [appellant] gestelde schade vaststaat. [geïntimeerden] heeft evenmin voldoende gemotiveerd betwist dat [appellant] hoger beroep tegen het Tussenvonnis zou hebben ingesteld, indien hij zou hebben geweten dat het door [persoon 1] ingestelde hoger beroep nimmer ten gunste en mogelijk ten nadele van hem zou strekken en indien [geïntimeerde 1] hem erop had gewezen dat [persoon 1] niet in de overeengekomen behartiging van zijn belangen had voorzien. Ook waar het dit onderdeel betreft komt aldus het causaal verband tussen het nalaten van [geïntimeerde 1] en de door [appellant] gestelde schade vast te staan.

5.12

[geïntimeerden] heeft voorts niet betwist dat, in geval van aansprakelijkheid van [geïntimeerde 1] , tevens - hoofdelijke - aansprakelijkheid moet worden aangenomen van de Maatschap als mede-opdrachtnemer, zodat ook de vorderingen van [appellant] jegens de Maatschap toewijsbaar zijn.

5.13

[geïntimeerden] heeft verweer gevoerd tegen de door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke kosten, onder meer stellende dat het gevorderde bedrag ziet op kosten ter instructie van de zaak, waarvoor de proceskostenveroordeling al een vergoeding inhoudt. Het lag op de weg van [appellant] om in reactie daarop zijn vordering op dit punt nader te onderbouwen. Bij gebreke daarvan zijn de door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar.

5.14

Nu [geïntimeerden] voor het overige geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de door [appellant] gevorderde schadevergoeding als weergegeven in het petitum van de memorie van grieven sub c) en d), zal deze worden toegewezen zoals gevorderd. Ook de vordering sub e) is gelet op het voorgaande toewijsbaar zoals in het dictum weergegeven.

[appellant] heeft niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat hij bij toewijzing van de sub a) gevorderde verklaring voor recht enig belang heeft naast het belang dat reeds wordt gediend met het toewijzen van zijn schadevergoedingsvorderingen sub c) en d) en de meer algemeen geformuleerde verklaring voor recht sub e). Het sub a) gevorderde zal dan ook worden afgewezen. Ook het gevorderde sub b) is niet toewijsbaar nu [appellant] het belang bij toewijzing van die vordering evenmin voldoende heeft toegelicht.

6 De slotsom

6.1

Het hof komt tot de slotsom dat [geïntimeerden] aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden schade. De daarop gerichte grieven slagen, zodat het bestreden vonnis zal worden vernietigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerden] in de kosten van het beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 133,11

- griffierecht € 1.519

subtotaal verschotten € 1.652,11

- salaris advocaat € 5.160 (2 punten x tarief VII (€ 2.580))

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 133,11

- griffierecht € 1.615

subtotaal verschotten € 1.748,11

- salaris advocaat € 11.685 (3 punten x tarief VII (€ 3.895))

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 3 september 2014 en doet opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk aan [appellant] te betalen een bedrag van € 393.402,94, vermeerderd met jaarlijks 8% als opslag op de Oostenrijkse basisrente, te rekenen vanaf 29 maart 2013, alsmede de wettelijke vertragingsrente over dit gehele bedrag vanaf 31 januari 2014 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk aan [appellant] te betalen een bedrag van € 31.478,50, alsmede de wettelijke vertragingsrente over dit gehele bedrag vanaf 31 januari 2014 tot aan de dag van algehele voldoening;

verklaart voor recht dat [geïntimeerden] hoofdelijk jegens [appellant] aansprakelijk zullen zijn voor alle huidige en toekomstige schade resulterende uit de in r.o. 4.7- 4.12 vastgestelde tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomst met [appellant] ;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 1.652,11 voor verschotten en op € 5.160 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 1.748,11 voor verschotten en op € 11.685 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk in de nakosten, begroot op € 131, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68 in geval [geïntimeerden] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.B. Beekhoven van den Boezem, L.M. Croes en A.S. Gratama en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 september 2016.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature