Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Inkomstenbelasting. Vereiste aangifte. Omkering bewijslast. Inkomsten uit prostitutie.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 15/00762 tot en met 15/00764

uitspraakdatum: 12 april 2016

nummer /

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 21 mei 2015, nummers AWB 14/8321, AWB 14/8322 en AWB 14/8324, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn over het jaar 2008 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet opgelegd. Voorts is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet opgelegd en is bij beschikkingen heffingsrente berekend.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de belastingaanslagen en de beschikkingen. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen.

1.3.

Belanghebbende is tegen voormelde uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Het hogerberoepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 22 juni 2015 ter griffie ingekomen.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2016 te Arnhem. Belanghebbende is daar verschenen, bijgestaan door mr. [A] . Namens de Inspecteur is verschenen [B] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De Rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld, waarbij belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:

“1. Eiser heeft op 25 februari 2009 aangifte IB/PVV 2008 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.231. Dit inkomen bestaat uit een bijstandsuitkering van de Sociale Dienst [C] op grond van de Wet werk en bijstand voor een alleenstaande. Op 16 oktober 2009 wordt door verweerder de aanslag conform aangifte opgelegd.

2. Begin 2009 start de regiopolitie Gelderland-Zuid een onderzoek in verband met de verdenking van mensenhandel door eiser op zijn toenmalige woonadres [a-straat] 15, te [D] . Op 21 juli 2009 wordt proces-verbaal opgemaakt van dit onderzoek. Naar aanleiding hiervan wordt door de regiopolitie geen strafrechtelijke vervolging ingesteld. De bevindingen van de regiopolitie worden begin 2010 doorgegeven aan de Sociale Dienst [C] en aan verweerder.

3. Het onderzoek van de regiopolitie is voor de Sociale Dienst [C] aanleiding om bij besluiten van 13 augustus 2009 en 19 augustus 2009 de bijstandsuitkering van eiser over de periode van 1 april 2008 tot en met 30 juni 2009 in te trekken en terug te vorderen omdat eiser heeft verzuimd zijn inkomsten ontvangen uit de exploitatie van een seksinrichting te melden.

4. Naar aanleiding van het proces-verbaal van de regiopolitie wordt door de sociale recherche van de regio Rivierenland een onderzoek ingesteld. In het kader van het onderzoek is onder meer dossieronderzoek verricht en is, met toestemming van de officier van justitie, gebruik gemaakt van de onderzoeksgegevens van het onder 2. genoemde politieonderzoek. Verder heeft een buurtonderzoek plaatsgevonden en zijn betrokkenen en getuigen verhoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 18 november 2009.

5. Op 27 april 2010 kondigt verweerder een boekenonderzoek aan bij eiser.

6. Eiser heeft geen aangifte IB/PVV 2009 gedaan. Op 29 september 2010 heeft verweerder een herinnering tot het doen van aangifte verstuurd. Op 4 november 2010 heeft verweerder een aanmaning dienaangaande verzonden.

7. Op 5 juni 2013 legt verweerder aan eiser een ambtshalve aanslag IB/PVV 2009 op, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.781. Tevens legt verweerder een aanslag ZVW 2009 op, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 50.000. De specificatie hiervan is als volgt weer te geven (in €):

Aanslag

Inkomen uit prostitutie

59.899

Zelfstandigenaftrek en MKB vrijstelling

-9.899

Bijdrage-inkomen

50.000

Bijstandsuitkering

10.781

Belastbaar inkomen uit werk en woning

60.781

8. Op 2 juli 2013 heeft de Centrale Raad van Beroep de hiervoor genoemde besluiten van de Sociale Dienst [C] bevestigd (ECLI:NL:CRVB:2013:846). De Raad is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat eiser in de periode van 1 april 2008 tot 1 juli 2009 inkomen heeft ontvangen uit prostitutie-activiteiten.

9. De bevindingen van het boekenonderzoek van verweerder zijn vastgelegd in een rapport van 27 november 2013.

10. Op 21 december 2013 legt verweerder een navorderingsaanslag IB/PVV 2008 en ZVW 2008 op, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 91.123 en een bijdrage-inkomen van € 76.892. De specificatie hiervan is als volgt weer te geven (in €):

Aangifte

Aanslag

Correctie

Navorderingsaanslag

Inkomen uit prostitutie

89.848

89.848

Zelfstandigenaftrek

-/- 4.412

-/- 4.412

MKB-winstvrijstelling

-/- 8.544

-/- 8.544

Bijdrage-inkomen

76.892

Bijstandsuitkering

14.321

14.321

14.321

Belastbaar inkomen uit werk en woning

91.123

2.2.

Tegen de hiervoor vermelde feiten is in hoger beroep niets aangevoerd, zodat het Hof van deze feiten zal uitgaan.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 en ZVW 2008 en de aanslag ZVW 2009.

3.2.

Belanghebbende betwist primair dat hij middels de exploitatie van een seksinrichting inkomen heeft genoten. Subsidiair stelt hij dat, voor zover sprake is van inkomen uit de exploitatie van een seksinrichting, de Inspecteur geen redelijke schatting heeft gemaakt van het inkomen van eiser. De door de Inspecteur gemaakte berekening van het inkomen van belanghebbende wordt niet gestaafd door de diverse getuigenverklaringen en de op de zaak betrekking hebbende stukken.

3.3.

De Inspecteur stelt dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en de op zaak betrekking hebbende onderzoeken een toereikende grondslag bieden voor het standpunt dat belanghebbende in de periode 1 april 2008 tot 1 juli 2009 een seksinrichting exploiteerde. Door het verzwijgen van de daaruit genoten inkomsten heeft, zo stelt de Inspecteur, belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan. De schatting van het inkomen van belanghebbende over deze periode is redelijk.

3.4.

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vermindering van de belastingaanslagen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De Rechtbank heeft omtrent het geschil overwogen:

“Vereiste aangifte

14. Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van een of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast (Hoge Raad 30 oktober 2009; ECLI:NL:HR:2009:BH1083).

15. Vast staat dat eiser over het jaar 2009 geen aangifte heeft gedaan, ondanks dat hij hiertoe was uitgenodigd en dat hij hieromtrent een herinnering en een aanmaning heeft ontvangen. De rechtbank is daarmee van oordeel dat voor het jaar 2009 niet de vereiste aangifte is gedaan en dat derhalve voor het jaar 2009 verweerder kan volstaan met een redelijke schatting van het belastbaar inkomen van eiser.

16. Met betrekking tot het jaar 2008 overweegt de rechtbank dat, gelet op de tot de zaak behorende stukken en in lijn met het onder 8. genoemde oordeel van de Centrale Raad van Beroep, verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in de periode van 1 april 2008 tot 1 juli 2009 een seksinrichting exploiteerde en daaruit tot een zeer aanzienlijk bedrag inkomsten heeft genoten. De rechtbank verwijst hierbij naar rechtsoverweging 4.1.1. van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en de daarin geciteerde verklaringen uit het onderzoek van de sociale recherche die het oordeel rechtvaardigen dat eiser in de voorgenoemde periode een seksinrichting exploiteerde en daarmee inkomsten heeft genoten. Uit dat dossier, dat tot de gedingstukken behoort, blijkt onder andere dat drie vrouwen ( [E] , [F] en [G] ) hebben verklaard werkzaamheden als sekswerker voor eiser te hebben verricht en dat zij van hun inkomsten 40% aan eiser dienden af te staan, dat die verklaringen op hun beurt worden ondersteund door verklaringen van de partner van eiser en van haar zoon en dat op internet vele advertenties zijn aangetroffen waarbij seks wordt aangeboden onder vermelding van het telefoonnummer van eiser. Met name uit de verklaring van [E] kan worden afgeleid dat zeer regelmatig één tot drie of zelfs vier vrouwen sekswerkzaamheden voor eiser verrichtten. Rekening houdend met de gemiddelde tarieven en de afdracht van 40% daarvan aan eiser, heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat eiser in de periode van april 2008 tot juli 2009 een zeer aanzienlijk bedrag – de rechtbank schat dit op ten minste enige tienduizenden euro’s – aan inkomsten uit die activiteiten heeft genoten

17. Vast staat dat eiser in de door hem ingediende aangifte IB/PVV 2008 en ZVW 2008 geen melding heeft gemaakt van deze inkomsten en dus ook niet van de daarover verschuldigde belasting. Ten opzichte van de volgens de aangifte verschuldigde belasting, is sprake van een relatief en absoluut aanzienlijk verschil. De rechtbank acht het van algemene bekendheid dat dergelijke inkomsten moeten worden aangegeven, zodat eiser bij het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat door die inkomsten niet aan te geven een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Dientengevolge heeft eiser niet de vereiste aangifte gedaan als bedoeld in artikel 8 van de Awr .

Redelijke schatting

18. De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat verweerder evenwel niet van zijn verplichting om door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De belastingaanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting (zie onder meer Hoge Raad 29 september 1993, nr. 28 202, ECLI:NL:HR:1993:ZC5466, BNB 1993/330).

19. Op basis van, tot het rapport van de sociale recherche behorende, advertenties van eiser en diverse getuigenverklaringen, heeft verweerder het door eiser gehanteerde tarief geschat op gemiddeld € 137,50 per prostitutiebezoek. Op basis van diverse getuigenverklaringen is verweerder uitgegaan van een bezetting van drie prostituees per dag, met gemiddeld drie klanten per dag. In een advertentie van eiser staat dat de seksinrichting zes dagen per week was geopend. Eveneens op basis van getuigenverklaringen schat verweerder de door eiser ingehouden omzet op 40%. Dientengevolge schat verweerder het inkomen van eiser op (€ 137,50 * 3 * 3 * 0,4 =) € 2.970 per week, inclusief omzetbelasting. Voor het jaar 2008 gaat verweerder uit van een exploitatieperiode van 36 weken, voor het jaar 2009 gaat verweerder van een exploitatieperiode van 24 weken. Voor het jaar 2008 komt verweerder daarbij op een omzet van € 106.920 inclusief omzetbelasting, € 89.848 exclusief omzetbelasting. Voor het jaar 2009 berekent verweerder een winst van € 71.280 inclusief omzetbelasting, € 59.899 exclusief omzetbelasting.

20. Eiser bestrijdt de redelijkheid en de juistheid van de berekening van verweerder, met name met betrekking tot de duur van de exploitatieperiode, het aantal aanwezige prostituees en het aantal klanten. Ter onderbouwing van zijn stelling wijst eiser onder meer op getuigenverklaringen uit het rapport van de sociale recherche die zouden aantonen dat het aantal aanwezige prostituees minder zou zijn, eveneens het aantal klanten.

21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met bovenstaande berekening de navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 en ZVW 2008, alsmede de aanslag ZVW 2009 gebaseerd op een redelijke schatting. Uit de door eiser genoemde verklaring van [E] kan niet worden afgeleid dat de berekening van verweerder onredelijk is. Zij verklaart immers dat zij bij eiser thuis voor eiser heeft gewerkt, dat zij dan met 3 à 4 meiden werkte, dat zij daar ongeveer 1 à 2 keer per week werkte gedurende een maand of 3 à 4 en dat het aantal klanten tegenviel. Deze verklaring is deels volledig in overeenstemming met de veronderstellingen van verweerder (aantal werkzame vrouwen) en sluit verder niet uit dat op dagen dat zij daar niet of niet meer werkte, door andere vrouwen werd gewerkt. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van [F] en [G] dat zij slechts korte tijd voor eiser hebben gewerkt. [G] verklaarde daarnaast dat er buiten haar, nog vijf vrouwen werkten. Voorts betwist eiser niet de berekening van verweerder ten aanzien van het gehanteerde tarief en de door eiser ingehouden omzet van 40%. De schatting van verweerder van de door eiser genoten inkomsten acht de rechtbank daarom niet onredelijk. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft hij ook niet het overtuigende bewijs geleverd dat de aanslagen tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld.

22. Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd, dienen ook de beroepen inzake de beschikkingen heffingsrente ongegrond te worden verklaard.

23. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. De overige stellingen van eiser behoeven geen behandeling meer. ”

4.2.

In hoger beroep heeft belanghebbende hiertegen aangevoerd dat de verklaringen waarop de Rechtbank haar beslissing baseert, onjuist zijn. De verklaringen zijn, aldus belanghebbende, uit rancune afgelegd door vroegere relaties van hem en berusten op onwaarheden. Het Hof acht deze verklaringen evenwel betrouwbaar. Zij zijn consistent en in overeenstemming met elkaar en met de verklaringen van buren van belanghebbende. Tevens vinden zij bevestiging in de op internet geplaatste advertenties waarin seksuele diensten worden aangeboden met vermelding van het telefoonnummer van belanghebbende. Uit het onderzoek is ook gebleken dat belanghebbende van dit nummer daadwerkelijk gebruik maakte.

4.3.

Voorts heeft belanghebbende aangevoerd dat de schatting van het genoten inkomen niet redelijk is, omdat het is gebaseerd op de verklaring van een van de getuigen die, naar zij heeft verklaard, slechts enkele maanden voor belanghebbende werkzaam is geweest. Het Hof is van oordeel dat de schatting wel redelijk is. Dat op basis van de verklaringen van getuigen ook andere aannamen mogelijk zouden zijn geweest, maakt de schatting van de Inspecteur nog niet onredelijk.

4.4.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank een juiste beslissing genomen. Het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

4.5.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de wederpartij in verband met de behandeling van het hoger beroep voor het Hof heeft moeten maken.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, B. van Walderveen en P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 12 april 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

De voorzitter,

(A. Vellema)

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 14 april 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EHDen Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature