Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Declaraties executeur

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.001.448

(zaaknummer rechtbank Almelo 77769 )

arrest van de zesde kamer van 7 oktober 2014

in de zaak van

1 [appellant sub 1],gewoond hebbende te [woonplaats], gemeente Boarnsterhim

overleden op 30 maart 2009;

2. [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna samen te noemen: [appellanten],

hierna ieder afzonderlijk te noemen: [appellant sub 1] respectievelijk [appellant sub 2],

advocaat: mr. F.X.D.A. Hagens,

tegen:

notaris mr. Gerrit Schilperoort,

wonende te Ridderkerk,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Schilperoort,

advocaat: mr. M.C.J. Höfelt.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

21 maart 2007 en 19 september 2007 die de rechtbank Almelo tussen Schilperoort als eiser en [appellanten] als gedaagden heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 14 december 2007,

- de memorie van grieven met zes producties (genummerd 1 tot en met 6),

- de memorie van antwoord met de producties 39 tot en met 44,

- de schriftelijke pleidooien overeenkomstig de pleitnotities.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in rechtsoverweging 2 van het vonnis van 21 maart 2007.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Dit geschil betreft de afwikkeling van de nalatenschap van [erflaatster] (hierna ook: de erflaatster) die is overleden op 16 maart 1998.

4.2

Erflaatster laat op grond van haar testament van 5 december 1996 als enige erfgenamen van haar nalatenschap achter haar vier kinderen, en wel haar dochter [naam dochter] en haar zoon [naam zoon], elk voor 1/4e deel, haar zoons [appellant sub 1] en [appellant sub 2] (de appellanten), elk voor 3/16e deel en de kinderen van [appellant sub 1] samen en de kinderen van [appellant sub 2] samen, telkens voor 1/16e deel.

4.3

Erflaatster heeft bij haar codicil, dat zij heeft gedagtekend en ondertekend op 16 mei 1991, bepaald als volgt: “(…) benoem ik de heer mr Gerrit Schilperoort (…) tot uitvoerder mijner uiterste wilsbeschikkingen en beredderaar van mijn boedel, hem in die hoedanigheid toekennende alle bevoegdheden, welke aan uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen gegeven kunnen worden, in het bijzonder met het recht tot inbezitneming mijner gehele nalatenschap, totdat deze geheel tot effenheid zal zijn gebracht. Ik bepaal dat hij voor de daaraan verbonden werkzaamheden niet het wettelijk loon in rekening zal kunnen brengen maar zal een beloning op basis van uurtarief - in onderling overleg vast te stellen door hem en mijn erfgenamen - ontvangen, terwijl de door hem gemaakte kosten, voor zover deze rechtsreeks betrekking hebben op de uitoefening van zijn functie door mijn erfgenamen zullen moeten worden vergoed.”

4.4

Schilperoort heeft zijn benoeming tot executeur aanvaard. Voor de werkzaamheden die Schilperoort als executeur in de periode 1998 tot 1 juli 2001 heeft verricht heeft hij vijf declaraties aan de erfgenamen verzonden. Aan ieder van [appellanten] is 3/16e van het totaalbedrag van deze declaraties of € 15.320,31 elk in rekening gebracht. De andere erfgenamen hebben hun aandeel in deze declaraties voldaan; [appellanten] niet. Schilperoort heeft bij zijn brief van 28 oktober 2002 [appellanten] gemaand tot betaling onder aanzegging van de wettelijke rente. De advocaat van Schilperoort heeft bij zijn brieven van 6 mei 2004 en 1 maart 2006 [appellanten] een en andermaal gemaand tot betaling onder aanzegging van de wettelijke rente vanaf 15 januari 2002. [appellanten] hebben daaraan geen gehoor gegeven. Op vordering van Schilperoort heeft de rechtbank Almelo in het bestreden vonnis van 19 september 2007 [appellanten], ieder afzonderlijk, veroordeeld tot:

I. betaling aan Schilperoort van € 15.320,31, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 15 januari 2002 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. betaling van € 929,39 ter zake van buitengerechtelijke kosten;

III. betaling van de proceskosten.

De rechtbank heeft Schilperoort voorts gemachtigd om de bedragen die aldus aan hem verschuldigd zijn te verrekenen met de aan [appellanten] uit de nalatenschap van de erflaatster toekomende gelden en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.5

[appellanten] komen in hoger beroep met zeven grieven op tegen het vonnis van de rechtbank Almelo van 19 september 2007. Zij beogen daarmee het geschil in volle omvang in dit hoger beroep aan de orde te stellen. De centrale stelling van [appellanten] is dat Schilperoort, kort gezegd, niet heeft gehandeld als van een redelijk handelend executeur mag worden verwacht en daardoor de nalatenschap zeer fors heeft benadeeld. Hierin zien [appellanten] grond de declaraties van Schilperoort niet te betalen. [appellant sub 1] is overleden op 30 maart 2009. Bij gebreke van schorsing van het geding in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het geding mede op zijn naam voortgezet.

4.6

Het hof stelt vast dat de erflaatster in haar codicil heeft bepaald dat het loon van de executeur op basis van zijn uurtarief en in onderling overleg met de erfgenamen moet worden vastgesteld en dat de kosten van de executele door de erfgenamen moeten worden vergoed. Partijen nemen beiden deze regeling als uitgangspunt en gaan kennelijk ervan uit dat het Schilperoort als executeur vrijstaat tussentijdse declaraties aan partijen te sturen voor zijn werkzaamheden en dat hij niet hoeft te wachten met het in rekening brengen van zijn kosten en loon tot het eind van de executele. Het gaat in dit geschil om de vraag of [appellanten] gehouden zijn de in geding zijnde declaraties van Schilperoort te voldoen. Voor de beantwoording van deze vraag is niet van belang welk recht van toepassing is op de erfopvolging of op de vereffening van de nalatenschap van de erflaatster. Nu de schuldenaren en de schuldeiser in Nederland wonen, is er geen aanleiding te onderzoeken of ander dan Nederlands recht moet worden toegepast.

4.7

Ook als zou komen vast te staan dat Schilperoort niet heeft gehandeld als van een redelijk handelend executeur mag worden verwacht en de nalatenschap daardoor heeft benadeeld, betekent dat nog niet dat [appellanten] zijn ontslagen van hun verplichting de declaraties van Schilperoort te betalen. Van opschorting van de nakoming van deze verplichting in de zin van artikel 6:52 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan evenmin sprake zijn, aangezien [appellanten] geen opeisbare vordering op Schilperoort hebben. In hun pleitnota (pagina 2, alinea 2) stellen [appellanten] dat in dat geval "aan Schilperoort naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen vergoeding toekomt", waarmee zij kennelijk beogen te stellen dat het dan (in die omstandigheden) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Schilperoort zich beroept op betaling van zijn declaraties. Het hof volgt hen daarin niet. De omstandigheid dat Schilperoort niet zou hebben gehandeld als van een redelijk handelend executeur mag worden verwacht en de nalatenschap daardoor heeft benadeeld, rechtvaardigt nog niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij betaling van zijn declaraties verlangt. [appellanten] hebben in de dagvaarding in hoger beroep een verklaring voor recht gevorderd, inhoudende dat Schilperoort, kort gezegd, zijn taak als executeur onzorgvuldig heeft vervuld en onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Zij hebben deze vordering overigens niet herhaald in hun memorie van grieven. Voor zover [appellanten] in deze procedure in hoger beroep al een vordering strekkende tot schadevergoeding hebben ingesteld jegens Schilperoort, kunnen zij daarin op grond van het bepaalde in artikel 137 juncto 353 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet worden ontvangen. Een dergelijke vordering in reconventie kan niet voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. Daarvoor zouden zij een nieuwe procedure moeten beginnen. Ook ter gelegenheid van de rekening en verantwoording die Schilperoort als executeur zal moeten afleggen kunnen zij aan de orde stellen dat Schilperoort zijn taak niet naar behoren zou hebben vervuld. Op grond van het vorenstaande falen de grieven I, II, III, IV en V en behoeft hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd geen verdere beoordeling.

4.8

Met grief VI stellen [appellanten] aan de orde dat in de declaraties van Schilperoort een urenspecificatie en het door hem gehanteerde uurtarief ontbreken en dat Schilperoort bij gebreke daarvan geen betaling van hen kan verlangen. Het hof is van oordeel dat ondanks het ontbreken van een urenspecificatie, waarmee kennelijk wordt bedoeld een opgave van het aantal bestede uren, en het gehanteerde uurtarief, de declaraties overigens zeer uitgebreid en gedetailleerd tonen welke werkzaamheden Schilperoort heeft verricht. Daardoor heeft Schilperoort aan de erfgenamen een zodanig goed onderbouwd inzicht gegeven in zijn werkzaamheden dat het enkele ontbreken van het aantal uren en het uurtarief niet kan rechtvaardigen dat [appellanten] de declaraties (nog) niet behoeven te betalen. Grief VI faalt.

4.9

Grief VII is gericht tegen de veroordeling tot betaling van € 929,39 ter zake van buitengerechtelijke kosten. Anders dan [appellanten] aanvoeren heeft Schilperoort een met documenten onderbouwde omschrijving gegeven van de buitengerechtelijke verrichtingen. Verwezen wordt naar de producties 4 en 5 bij dagvaarding in eerste aanleg, die de diverse aanmaningsbrieven en betalingsvoorstellen bevatten. Het hof is van oordeel het hier gaat om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een - niet aanvaard - schikkingsvoorstel,

het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op de gebruikelijke wijze

samenstellen van het dossier en dat hier plaats is voor vergoeding door [appellanten] van buitengerechtelijke kosten, zoals berekend door Schilperoort (conform de aanbevelingen van het hier nog toepasselijke Rapport Voorwerk II). Grief VII faalt.

4.10

Nu alle grieven falen zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen en [appellanten] niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering een verklaring voor recht te geven dat Schilperoort zijn taak als executeur onzorgvuldig heeft vervuld en een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [appellanten].

4.11

Het hof zal [appellanten], die geheel in het ongelijk zijn gesteld, veroordelen in de kosten van het hoger beroep als volgt.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Almelo van 19 september 2007;

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun vordering te verklaren voor recht dat Schilperoort zijn taak als executeur onzorgvuldig heeft vervuld en een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [appellanten];

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Schilperoort vastgesteld op € 975,- voor verschotten (griffierecht) en op

€ 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest wat de veroordeling in de proceskosten betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R.A. Dozy en R. Prakke-Nieuwenhuizen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2014.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature