Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding van inkomsten.

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.114.137

(zaaknummer rechtbank Arnhem 211189)

beschikking van de familiekamer van 3 april 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats], verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. ING. A. van Weverwijk te Geldermalsen,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. I.H.M. Mooren-van Weereld te 's-Hertogenbosch.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank van 21 januari 2011, 9 januari 2012 en 4 juli 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties 1 tot en met 7, ingekomen op 1 oktober 2012 ;

- het verweerschrift tevens (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met producties 1 en 2, ingekomen op 12 december 2012;

- een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 11 februari 2013;

- een journaalbericht van mr. ING. Van Weverwijk van 30 mei 2013 met producties 8 en 9, ingekomen op 31 mei 2013;

- een journaalbericht van mr. Mooren-van Weereld van 10 juni 2013 met een bijlage, ingekomen op 11 juni 2013.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 20 juni 2013 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.3

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen een brief van mr. Mooren-van Weereld met bijlagen van 28 augustus 2013 en een brief van

mr. ING. Van Weverwijk met bijlagen van 19 september 2013. Het hof slaat alleen acht op de mededeling in voormelde brieven dat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt. Het hof slaat geen acht op de bijlagen en hetgeen partijen in deze brieven verder nog naar voren brengen.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw zijn op 3 september 1988 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 21 januari 2011 heeft de rechtbank Arnhem, voor zover hier van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en het verzoek met betrekking tot de vaststelling van de wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden pro forma aangehouden en vervolgens afgesplitst van de hoofdzaak en verder als afzonderlijke zaak behandeld.

3.2

De echtscheidingsbeschikking is op 21 oktober 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3

Partijen zijn op 23 januari 2009 feitelijk uiteengegaan.

3.4

In de huwelijkse voorwaarden van 1 september 1988 is voor zover in dit hoger beroep nog relevant bepaald:

"(...)

ALGEHELE UITSLUITING

Artikel 1.

De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

(...)

ROERENDE ZAKEN

Artikel 2.

1. Rechten aan toonder en zaken, die geen registergoederen zijn, behorende tot het bedrijfs- of beroepsvermogen van een echtgenoot, zijn eigendom van die echtgenoot, ongeacht van wiens zijnde deze goederen zijn opkomen, doch onverminderd het in artikel 3 bepaalde.

(…)

3. Bestaat overigens tussen de echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een recht aan toonder of een zaak, die geen registergoed is, toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt het goed geacht aan ieder van de echtgenoten voor de helft toe te behoren.

(…)

VERGOEDINGEN

Artikel 3.

De echtgenoten zijn, voorzover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking. Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar.

KOSTEN HUISHOUDING

Artikel 5.

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen (...) worden voldaan uit de netto-inkomsten uit arbeid van de echtgenoten, naar evenredigheid daarvan;

voorzover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders netto-vermogen naar evenredigheid daarvan.

2. Onder inkomsten uit arbeid worden mede begrepen, uitkeringen ter vervanging van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen, alsmede winst uit zelfstandig uitgeoefend beroep en bedrijf.

3. Onder netto-inkomsten uit arbeid wordt verstaan de inkomsten uit arbeid na aftrek van de daarover verschuldigde belasting op inkomen, premieheffing-volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen.(…) Onder netto-vermogen wordt verstaan het vermogen onder aftrek van alle belasting op inkomen en de over het vermogen verschuldigde belasting op vermogen.

4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

(…)

Artikel 6.

1. De echtgenoot die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft recht het teveel bijgedragene terug te vorderen van de andere echtgenoot.

2. Het recht het aldus teveel bijgedragene terug te vorderen vervalt, indien betaling of verrekening daarvan niet binnen één jaar na het einde van het betreffende kalenderjaar heeft plaats gehad of schriftelijk gevorderd is.

(...)

VERREKENING VAN INKOMSTEN

Artikel 8.

De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomen uit arbeid in de zin van artikel 5, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld.

Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen gecompenseerd tot het bedrag van de kleinste vordering.

Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van de netto-inkomsten uit arbeid van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd.

(...)".

3.5

De man heeft voorafgaand aan het huwelijk op 23 februari 1988 de eigendom verkregen van:

A. de woning met ondergrond, uitrit en tuin aan de [adres] te [plaats], ten tijde van de levering uitmakende een gedeelte groot ongeveer 10 aren van het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats] sectie E nummer [XX] (hierna ook: de woning);

B. de bedrijfsgebouwen met ondergrond, erf, aparte uitrit, boomgaard en cultuurgrond aan de [adres] te [plaats], uitmakende het resterende gedeelte ter grootte van ongeveer 3 hectare 13 are en 70 centiare van het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats] sectie E nummer [XX].

Het perceel gemeente [plaats] sectie E nummer [XX] is kadastraal gesplitst en bestaat thans uit de kadastrale percelen gemeente [plaats] sectie E nummer 934, groot 33 are en 17 centiare, nummer 935, groot 54 are en 65 centiare, en 936, groot 2 hectare 35 are en 88 centiare. Deze percelen zijn samen groot 3 hectare 23 are en 70 centiare (bron: kadastrale uittreksels die zijn gevoegd bij het taxatierapport van Van Hoven & Oomen, productie 6 bij de brief aan de vrouw aan de rechtbank van 27 mei 2011).

De koopsom voor de woning bedroeg ƒ 175.000,- (€ 79.411,54); de koopsom voor de bedrijfsgebouwen en percelen ƒ 235.000,- (€ 106.638,35). De man heeft voor de betaling van de koopsom van de woning een hypothecaire lening gesloten. Hij heeft gedurende het tijdvak waarop de verrekenplicht betrekking heeft op de hypotheekschuld voor de woning afgelost.

3.6

Tussen de man en de vader van de man heeft een maatschap bestaan vanaf december 1983 tot 1 januari 1996 met als doel de exploitatie van een fruitteeltbedrijf (verder: de vader/zoon maatschap). De vader van de man had in deze maatschap het gebruik en genot van de aan hem en zijn echtgenote (de moeder van de man) toebehorende onroerende zaken ingebracht. Deze maatschap is op 1 januari 1996 ontbonden. De man heeft met ingang van

1 januari 1996 het bedrijf van de ontbonden vader/zoon maatschap voortgezet. Blijkens de akte van bedrijfsoverdracht van 14 augustus 1996 is het aandeel van de vader van de man aan de man verbleven onder de verplichting voor de man aan zijn vader het saldo van zijn kapitaalrekening te betalen dat is berekend op ƒ 407.187,-. Verder hebben de ouders van de man in deze akte aan de man tien percelen grond geleverd voor een koopsom van ƒ 393.907,- (€ 178.747,20). De man heeft destijds van de koopsom een bedrag van ƒ 175.000,-

(€ 79.411,54) voldaan aan zijn ouders. De ouders van de man hebben het restant van

ƒ 218.907,- (€ 99.335,67) in de vorm van een achtergestelde geldlening aan de man geleend, tegen een rente van 5% per jaar. De tien percelen grond zijn kadastraal bekend als gemeente [plaats] sectie D nummers [..], [...], [..], [...], [..], [...], [..], [...], [..] en [...] (bron: akte van bedrijfsoverdracht van 14 augustus 1996 alsmede de kadastrale uittreksels die zijn gevoegd bij het taxatierapport van Van Hoven & Oomen, productie 6 bij de brief aan de vrouw aan de rechtbank van 27 mei 2011).

3.7

Partijen zijn met ingang van 1 januari 1990 een overeenkomst van (onder) maatschap aangegaan met als doel de exploitatie van het fruitteeltbedrijf dat door de man, in maatschapsverband met zijn vader, werd uitgeoefend (verder: de man/vrouw maatschap). Ieder van partijen heeft in de maatschap zijn kennis, arbeid en vlijt, relaties en vergunningen op het uitoefenen van het bedrijf betrekking hebbend ingebracht. Tevens heeft de man het onverdeelde aandeel van alle activa en passiva behorend tot het door hem, tot en met

31 december 1995, in maatschapsverband met zijn vader gedreven fruitteeltbedrijf ingebracht, met dien verstande dat van de onroerende zaken het gebruik en genot is ingebracht.

Met ingang van 31 december 2005 is de man/vrouw maatschap ontbonden. De man heeft met ingang van 1 januari 2006 het fruitteeltbedrijf als eenmanszaak voortgezet. De vrouw heeft in verband met de ontbinding van de man/vrouw maatschap een uittredingsvergoeding ontvangen van € 115.000,-.

3.8

De man had tevens een persoonlijke onderneming. De omzet in deze persoonlijke onderneming bestond uit een vergoeding voor het gebruik en genot van de aan de man toebehorende onroerende zaken, die de man bij de man/vrouw maatschap in rekening bracht. De vergoeding stond gelijk aan de kosten en de afschrijvingen in de persoonlijke onderneming. Blijkens de overgelegde jaarstukken bedroeg deze vergoeding in

1997 fl 151.014,- (€ 68.527,-), in 1998 fl 166.289,- (€ 75.459,-), in 1999 fl 113.536,-

(€ 51.520,-), in 2000 fl 140.702,- (€ 63.848,-), in 2001 € 59.255,-, in 2002 € 66.151,-,

in 2003 € 137.456,-, in 2004 € 109.849,- en in 2005 € 78.665,-.

Volgens voormelde jaarstukken bedroeg het resultaat van de persoonlijke onderneming van de man in de jaren 1997 tot en met 2005 nihil.

3.9

De man heeft in 2007 een schadevergoeding ontvangen van € 117.200,-. Deze schadevergoeding ziet op een claim jegens bestrijdingsmiddelenfabrikant Bayer Cropscience B.V. De schadeclaim is ontstaan in de periode dat partijen nog een man/vrouw maatschap hadden.

4 De omvang van het geschil

4.1

De rechtbank heeft in de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 4 juli 2012 bepaald dat de man aan de vrouw € 10.436,94 dient te betalen voor de afwikkeling van de tussen hen geldende huwelijkse voorwaarden en het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2

De vrouw is met vier grieven in hoger beroep gekomen tegen de tussenbeschikking van 9 januari 2012 en de eindschikking van 4 juli 2012. Grief 1 ziet op het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden, grief 2 ziet op het door de vrouw ten huwelijk aangebrachte vermogen, grief 3 ziet op de verdeling of verrekening van de waarde van de auto's en grief 4 ziet op de door de man in 2007 ontvangen schadevergoeding van een bestrijdingsmiddelenfabrikant. De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan haar wettelijke rente is verschuldigd over hetgeen de man aan haar moet voldoen per 23 januari 2009, althans per datum indiening verzoekschrift echtscheiding, althans per datum van de bestreden beschikking, althans per zodanige datum als het hof juist acht.

4.3

De man is op zijn beurt met één voorwaardelijke grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op de overgespaarde inkomsten van de vrouw.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In hoger beroep is niet in geschil dat 1 januari 2009 als peildatum dient te gelden voor de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

5.2

De vrouw komt in haar eerste grief op tegen het oordeel van de rechtbank in de bestreden tussenbeschikking van 9 januari 2012 dat de man geen vermogen hoeft te verrekenen met de vrouw. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat op de peildatum geen sprake is van vermogen bij de man dat afkomstig is uit niet-verrekende overgespaarde inkomsten van partijen. Volgens de vrouw hebben partijen geen uitvoering gegeven aan het periodiek verrekenbeding van inkomsten in de huwelijkse voorwaarden. Met verwijzing naar artikel 1:141 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de vrouw dat, nu partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding van inkomsten, het aanwezige vermogen van de man wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. De man heeft volgens de vrouw allerlei aflossingen op schulden gedaan terwijl hij niet beschikte over inkomsten uit privévermogen, hetgeen betekent dat de man uit te verrekenen overgespaarde inkomsten vermogen heeft gevormd op grond waarvan partijen tot verrekening dienen over te gaan.

5.3

De man betwist niet dat geen uitvoering is gegeven aan het periodiek verrekenbeding van inkomsten in de huwelijkse voorwaarden en dat dus artikel 1:141 lid 3 BW van toepassing is. De man stelt dat hij tegenbewijs heeft geleverd tegen het vermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW en dat zijn priv évermogen niet is gevormd uit niet-verrekende overgespaarde inkomsten.

5.4

Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn in artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden een periodiek verrekenbeding van inkomsten overeengekomen. Vast staat dat partijen daaraan nimmer uitvoering hebben gegeven, zodat zij op grond van artikel 1:141 lid 1 BW alsnog tot verrekening moeten overgaan, waarbij deze verrekening zich uitstrekt tot het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van wat niet is verrekend met inbegrip van de vruchten daarvan. Artikel 1:141 lid 3 BW bepaalt vervolgens dat het gehele vermogen van zowel de man als de vrouw dat aanwezig is op de peildatum wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Gesteld noch gebleken is dat er aanleiding is dit bewijsvermoeden met een beroep op de "tenzij-clausule" buiten toepassing te laten. Is voor de verkrijging van een goed een schuld aangegaan dan wordt dat goed op de voet van artikel 1:136 lid 1 tweede volzin BW tot het te verrekenen vermogen gerekend voor zover de schuld uit te verrekenen inkomsten of vermogen is afgelost of betaald.

Het hof zal eerst het vermogen van zowel de man als de vrouw op de peildatum vaststellen en vervolgens beoordelen of en in hoeverre dit vermogen gelet op het vorenstaande moet worden verrekend.

Het (te verrekenen) vermogen

Het vermogen van de man

5.5

Het vermogen aan de zijde van de man bestaat op de peildatum 1 januari 2009 uit:

a. de woning aan de [adres] te [plaats], alsmede de daarop rustende hypothecaire schuld,

b. de eenmanszaak genaamd ‘de heer [verweerder]’ te [plaats],

c. het overige vermogen van de man.

a. De woning aan de [adres] te [plaats] en de daarbij horende hypotheekschuld

5.6

De vrouw stelt dat uit het e-mailbericht van 31 december 2008 van de accountant van de man (productie 6 beroepschrift) blijkt dat de op de woning rustende hypothecaire schuld is afgelost uit overgespaarde inkomsten van partijen en dat daardoor vermogen is gevormd door de man. De man stelt dat onduidelijk is of de aflossingen op de hypothecaire schuld zijn voldaan met te verrekenen overgespaarde inkomsten.

Gelet op het bepaalde in artikel 1:141 lid 3 BW en artikel 1:136 lid 1 tweede volzin overweegt het hof dat de woning tot het te verrekenen vermogen aan de zijde van de man behoort, voor zover de hypotheekschuld die de man is aangegaan voor de verkrijging van die woning met te verrekenen inkomsten is afgelost. De man heeft de stelling van de vrouw, dat op de hypothecaire geldlening is afgelost uit te verrekenen inkomsten en het ten aanzien van dat punt bestaande bewijsvermoeden niet ontzenuwd. De woning behoort dan ook tot het te verrekenen vermogen aan de zijde van de man voor een deel van de waarde op 1 januari 2009 vermenigvuldigd met een breuk met als teller de aflossingen die zijn gedaan tot

1 januari 2009 en als noemer de oorspronkelijke hypotheekschuld. Blijkens het voormelde

e-mailbericht bedragen de aflossingen € 51.607,- en de oorspronkelijke hypotheekschuld

€ 79.412,-, zodat (afgerond) 65/100e van de waarde op de peildatum tot het te verrekenen vermogen aan de zijde van de man behoort. Het hof is voornemens een deskundige te benoemen om de waarde van de woning vrij van huur en gebruik op de peildatum vast te stellen.

b. vermogen behorende tot de onderneming van de man (eenmanszaak genaamd ‘de heer [verweerder]’ te [plaats])

5.7

Gelet op hetgeen hiervoor in 5.4 is overwogen ten aanzien van artikel 1:141 lid 1 en 3 BW neemt het hof als uitgangspunt dat het ondernemingsvermogen vermoed wordt geheel te zijn gevormd uit te verrekenen inkomsten en tot het te verrekenen vermogen aan de zijde van de man behoort, behoudens tegenbewijs en behoudens de toepassing van artikel 1:136 lid 1 tweede volzin BW. In de rechtsoverwegingen 3.5 tot en met 3.7 is ten aanzien van de verkrijging van dit ondernemingsvermogen en de financiering aan de hand van de stukken en hetgeen partijen daarover hebben verklaard het een en ander vastgesteld, maar dat is naar het oordeel van het hof nog onvoldoende om te kunnen oordelen of en in hoeverre de man is geslaagd in zijn tegenbewijs. Het hof merkt op dat tot het vermogen van de onderneming kennelijk nog andere onroerende zaken behoren dan die in 3.5 en 3.7 zijn vermeld, te weten de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats] sectie E nummers [..], [...], [..], [...] en [..] (zie taxatie van Van Hoven & Oomen van 31 maart 2010). Verder blijkt uit de jaarstukken van de persoonlijke onderneming van de man dat er aflossingen zijn gedaan op de hypothecaire leningen, waarbij niet vaststaat of dit de hypothecaire leningen zijn waarmee de verkrijging van de onroerende zaken die tot de onderneming behoren destijds is gefinancierd. In de jaren 1997 tot en met 2000 betreft dat - bij voorbeeld - een totale aflossing op de leningen die zijn geregistreerd onder de nummers [nr 1], [nr 2] en [nr 3] van ƒ 185.000,- (saldo van ƒ 658.750 in 1997 en ƒ 473.750,- in 2000). Ook na 2000 zijn er aflossingen gedaan op hypothecaire leningen en zijn daarnaast nieuwe hypothecaire leningen, geregistreerd onder de nummers [nr 4] en [nr 5], aangegaan waarop ook weer is afgelost. Het hof zal de man in de gelegenheid stellen in het geding te brengen:

* een overzicht van alle onroerende zaken die tot de onderneming van de man behoren op de peildatum met daarbij behorende kadastrale en hypothecaire uittreksels en de akten van levering en de hypotheekakten die daarop betrekking hebben;

* een overzicht waaruit blijkt op welke wijze deze onroerende zaken zijn gefinancierd en, zo daarvoor hypothecaire leningen zijn aangegaan, het verloop daarvan tot aan de peildatum met inbegrip van de betaling van rente en aflossing en de herkomst van de middelen die daarvoor is gebruikt;

* de jaarstukken van de maatschap en van de onderneming van de man over het jaar 2003.

In de akte van bedrijfsoverdracht van 14 augustus 1996 is het saldo van de kapitaalrekening van de vader van de man berekend op ƒ 407.187,-. Verder hebben de ouders van de man in deze akte aan de man tien percelen grond geleverd voor een koopsom van ƒ 393.907,-

(€ 178.747,20), die zo blijkt uit de akte het voordelig verschil vormt tussen een bedrag van

ƒ 407.187,- en een bedrag van ƒ 13.200,-. Kennelijk heeft de koop van de percelen grond geresulteerd een negatieve koopsom van ƒ 13.200,- wat alleen verklaarbaar zou zijn indien de man van zijn vader schulden heeft overgenomen die bij deze percelen grond horen. De akte geeft daarover geen uitsluitsel. De bijlagen die bij de akte horen zijn niet overgelegd. Van de man wordt verlangd dat hij alsnog de akte van overdracht van 14 augustus 1996 met de bijlagen die daaraan zijn gehecht overlegt en zich uitlaat over de berekening van de koopsom.

5.8

Indien de man niet slaagt in zijn tegenbewijs zal het hof een deskundige benoemen om de waarde van de onderneming op de peildatum vast te stellen.

c. verdere vermogen van de man

5.9

Ten aanzien van de verdere samenstelling en omvang van het vermogen van de man bestaat op dit moment onvoldoende duidelijkheid. Het hof zal de man daarom in de gelegenheid stellen om over te leggen een overzicht van al zijn goederen en schulden op de peildatum, met gegevens omtrent de verkrijging en de financiering daarvan alsmede in ieder geval de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over het belastingjaar 2008.

Het vermogen van de vrouw

5.10

De man stelt in zijn voorwaardelijke incidentele grief in hoger beroep dat de vrouw vanaf 2006 tot het einde van de verrekenperiode inkomen uit arbeid heeft ontvangen, welk inkomen zij volledig heeft gespaard.

Ingevolge artikel 1:141 lid 1 en 3 BW is voor het vaststellen van de verrekenvordering het vermogen van zowel de man als de vrouw van belang. Ten aanzien van de samenstelling en omvang van het vermogen van de vrouw bestaat op dit moment onvoldoende duidelijkheid

Het hof zal de vrouw daarom eveneens in de gelegenheid stellen om over te leggen een overzicht van al haar goederen en schulden op de peildatum, met gegevens omtrent de verkrijging en de financiering daarvan alsmede in ieder geval de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over het belastingjaar 2008.

a. door vrouw ten huwelijk aangebrachte vermogen (grief 2)

5.11

De vrouw voert in grief 2 aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het ten huwelijk aangebrachte vermogen van de vrouw € 10.436,94 bedroeg. De vrouw stelt dat zij ƒ 100.000,- ofwel € 45.378,02 bij het huwelijk heeft aangebracht en dat dit bedrag (nagenoeg) geheel ten goede gekomen is aan de man. Alleen door tijdsverloop zijn diverse bewijsstukken zoekgeraakt, aldus de vrouw. De vrouw biedt aan haar vader als getuige te laten horen. Haar vader kan verklaren dat hij het bedrag van ƒ 100.000,- ofwel € 45.378,02 in de vorm van aandelen aan haar ter beschikking heeft gesteld. De man weerspreekt de stelling van de vrouw en erkent alleen het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 10.436,94 als door de vrouw ten huwelijk aangebrachte vermogen en voert verder aan dat hij dit bedrag heeft geïnvesteerd in een sorteermachine.

Het hof constateert dat de vrouw in hoger beroep geen nadere bewijsstukken heeft overgelegd ter onderbouwing van haar stelling. Het hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat vaststaat dat in verband met de aanschaf van de sorteermachine een bedrag van

€ 10.436,94 uit het vermogen van de vrouw in het vermogen van de man is gevloeid en de vrouw voor dat bedrag een aanspraak heeft op de man. Omdat de vrouw haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd, passeert het hof haar bewijsaanbod aangezien de te bewijzen aangeboden feiten aan het vorenstaande niet af kunnen doen. Grief 2 faalt.

b. verdeling of verrekening waarde van de auto's (grief 3)

5.12

Met grief 3 komt de vrouw op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij haar vordering ten aanzien van de verdeling van de auto’s onvoldoende heeft onderbouwd.

De vrouw stelt dat de man ten minste dertien (oude) auto’s heeft, waaronder enkele klassieke auto’s. Anders dan de man stelt de vrouw dat deze auto’s geen gemeenschappelijk eigendom zijn, maar dat de man deze auto’s heeft aangeschaft met te verrekenen inkomsten. Zij maakt aanspraak op de helft van de waarde van de auto’s.

Het hof stelt vast dat tussen partijen in geschil is aan wie de auto’s toebehoren en dat uit de stukken niet blijkt aan wie de auto’s toebehoren en dat geen van partijen een bewijsaanbod op dit punt heeft gedaan, zodat op grond van artikel 3 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden de auto ’s geacht worden toe te behoren aan ieder van de echtgenoten voor de helft. Dit geldt niet voor de auto van het merk Volvo, met kenteken nummer [kenteken 1] en de auto van het merk Mercury, met kenteken nummer [kenteken 2], die blijkens de jaarstukken 2008 behoren tot de onderneming van de man en daarom behoren deze auto’s tot het vermogen van de man op grond van artikel 2 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden. Het hof ziet aanleiding de auto ’s voor zover deze aan partijen samen toebehoren aan de man toe te delen en zal een deskundige benoemen om de actuele waarde van deze auto’s te bepalen.

c. schadevergoeding bestrijdingsmiddelen (grief 4)

5.13

Grief 4 van de vrouw richt zich tegen de afwijzing van haar vordering door de rechtbank betreffende een schadevergoeding van bestrijdingsmiddelenfabrikant Bayer Cropscience B.V. die uitgekeerd is aan de onderneming van de man. Volgens de vrouw heeft zij nog recht op de helft van de in 2007 uitgekeerde schadevergoeding, zijnde een bedrag van € 58.600,-. De vrouw stelt primair dat ten tijde van de ontbinding van de maatschap de onzekere uitkering niet is gewaardeerd in het kader van de bepaling van de uittreedvergoeding ten behoeve van haar. De man bestrijdt de stellingen van de vrouw. Hij stelt dat bij de bepaling van de uittreedvergoeding wel rekening is gehouden met deze schadevergoeding, zoals ook [A], zijn belastingadviseur, bij de rechtbank ter gelegenheid van een getuigenverhoor heeft verklaard. Het hof oordeelt als volgt.

Ten aanzien van de bestrijdingsmiddelenclaim heeft de rechtbank in haar beschikking van

4 juli 2012, na het horen van twee getuigen, te weten de man en [A], uitvoerig gemotiveerd waarom zij van oordeel is dat de schadevergoeding reeds was verdisconteerd in de uittredingsvergoeding, die de vrouw heeft ontvangen. Het hof sluit zich aan bij die overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. In zoverre faalt grief 4.

Het hof zal de subsidiaire stelling van de vrouw, die erop neerkomt dat dat zij in het kader van de uitvoering van het periodiek verrekenbeding nog recht heeft op de helft van de schadevergoeding, omdat sprake is van substantiële overgespaarde inkomsten waarmee de man ondernemingsvermogen heeft gevormd, behandelen bij de verrekening van het vermogen van de onderneming (rechtsoverwegingen 5.7 en 5.8).

vervolg procedure

5.14

Naar aanleiding van deze beschikking moeten op verschillende onderdelen deskundigen worden benoemd en dienen partijen zich nog nader uit te laten, alles zoals hiervoor is bepaald. Het hof acht het in dit stadium van de procedure gelet op een tijdige afwikkeling van het geding nodig deze punten met partijen te bespreken en zal daartoe een mondelinge behandeling gelasten. Van de man wordt verwacht dat hij de stukken vermeld in 5.7 en 5.9, van de vrouw dat zij de stukken vermeld in 5.10 ter gelegenheid van deze mondelinge behandeling in het geding brengt. Partijen dienen dient ervoor te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk 10 dagen voor de dag van de mondelinge behandeling een afschrift van de in het geding te brengen producties hebben ontvangen.

5.15

Elke verdere beslissing wordt aangehouden.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

verzoekt partijen en hun advocaten binnen veertien dagen na heden hun verhinderdata voor de maanden mei 2014, juni 2014 en juli 2014 schriftelijk aan het hof kenbaar te maken;

bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van voormelde verhinderdata te bepalen datum, waarvoor partijen en hun advocaten zullen worden opgeroepen;

stelt de man in de gelegenheid de stukken vermeld in 5.7 en 5.9 en de vrouw de stukken vermeld in 5.10 uiterlijk 10 dagen voor de dag van de mondelinge behandeling aan het hof over te leggen met kopie daarvan aan de wederpartij;

benoemt mr. J.H. Lieber tot raadsheer-commissaris;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, R.A. Dozy en M.H.H.A. Moes, bijgestaan door mr. W. Nagelhout als griffier, en is op 3 april 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature