Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Kort geding. Afgifte legaat. Ontruiming woning.

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.101.892

(zaaknummer rechtbank 314713)

arrest in kort geding van de vierde kamer van 26 februari 2013

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [appellante]

advocaat: mr. F.A.M. Knuppe,

tegen:

1) [geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2) [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [geïntimeerden sub 1 en 2]

advocaat: mr. D. Roesink.

3) [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats],

hierna: [geïntimeerde sub 3],

niet verschenen.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het in kort geding gewezen vonnis van 6 januari 2012 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht tussen [appellante] als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en [geïntimeerde sub 3] als gedaagde in conventie en [geïntimeerden sub 1 en 2] als gedaagden in conventie en eisers in reconventie heeft gewezen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 2 februari 2012,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord tevens van incidenteel appel,

- de memorie van antwoord in incidenteel appel,

- de pleidooien van 5 november 2012 overeenkomstig de pleitnotities. Op voorhand hebben partijen nieuwe producties aan de wederpartij het hof toegestuurd, waarvoor ter terechtzitting akte is verleend van het in het geding brengen hiervan.

2.2 Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

2.3 Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

3. De vaststaande feiten

3.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.4 van het bestreden vonnis, nu daartegen in hoger beroep geen grieven zijn gericht. De feiten komen op het navolgende neer.

3.2 [appellante] (geboren op [geboortedatum] 1938) was de geregistreerd partner van [de erflater] (geboren op [geboortedatum] 1921, hierna de erflater) ten tijde van zijn overlijden op 20 december 2003. Het geregistreerd partnerschap is aangegaan zonder het maken van partnerschapsvoorwaarden, zodat er een gemeenschap van goederen bestond, welke door het overlijden van de erflater is ontbonden.

3.3 [geïntimeerden sub 1 en 2] en [geïntimeerde sub 3] zijn de kinderen uit een eerder huwelijk van [de erflater] en mevrouw [A.] (hierna te noemen [A.]), die op 14 mei 1990 is overleden. Bij testament van 10 maart 1999 is een legaat gemaakt voor [appellante] ter hoogte van (fl. 400.000,- oftewel) € 181.512,-. Blijkens de verklaring van erfrecht van 30 december 2008 omvat de nalatenschap van de erflater de helft van de door zijn overlijden ontbonden (partnerschaps)vermogensgemeenschap. Blijkens dezelfde verklaring zijn de kinderen de enige erfgenamen. [geïntimeerden sub 1 en 2] en [geïntimeerde sub 3] hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.

3.4 [appellante] woont in een woonhuis aan de [adres] (hierna te noemen het huis te [adres]). Blijkens een afschrift van de akte van verdeling van de nalatenschap van [A.] van 11 september 1992 valt het huis te [adres] in de nalatenschap van [A.] en heeft zij een testamentaire uitsluitingsclausule gemaakt, in die zin dat hetgeen uit haar nalatenschap wordt verkregen, niet zal vallen in een huwelijksgemeenschap waarin de verkrijgers gerechtigd zijn of zullen worden. Zij heeft de erflater, [geïntimeerden sub 1 en 2] en [geïntimeerde sub 3] als enige erfgenamen achtergelaten.

4. De vorderingen

4.1 [appellante] vordert in het principaal hoger beroep, kort gezegd, dat haar vorderingen zoals in eerste aanleg gesteld alsnog volledig worden toegewezen. In eerste aanleg vorderde zij dat bij uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut verklaard vonnis:

I primair haar vordering ter zake het aan haar toekomende legaat en de daarover verschuldigde wettelijke rente tot 1 oktober 2011 zal worden vastgesteld op € 254.870,37, dan wel een bedrag dat redelijk en passend wordt geacht en te vermeerderen met rente vanaf genoemde dag tot de dag der algehele voldoening en gedaagden ieder voor een gelijk aandeel aan het erfdeel (1/3) te veroordelen tot betaling van dit bedrag aan [appellante];

II subsidiair dat ieder der gedaagden voor 1/3 deel zal worden veroordeeld tot betaling van een voorschot op het legaat dat redelijk en passend wordt geacht;

III meer subsidiair dat iedere gedaagde voor 1/3e deel zal worden veroordeeld tot betaling van een voorschot voor de door haar voorgeschoten eigenaarslasten van de gemeenschappelijke onroerende zaken en dit voorschot vast te stellen op een bedrag van € 22.591,25, dan wel een redelijk en passend bedrag;

een en ander met een kostenveroordeling.

4.2 [geïntimeerden sub 1 en 2] vorderen in reconventie in eerste aanleg het navolgende:

I. dat [geïntimeerden sub 1 en 2] op eerste vordering daartoe worden toegelaten tot het huis te [adres] teneinde de staat daarvan te (laten) onderzoeken en tevens te inventariseren welk deel van de inboedel aan [A.] heeft toebehoord en buiten de huwelijksgoederengemeenschap van de erflater en [appellante] valt;

II dat [appellante] wordt veroordeeld aan te geven en bewijzen over te leggen van hetgeen van de inboedel aan haar toebehoort en om een verklaring te geven van, eventueel, ontbrekende stukken welke aan de moeder hebben toebehoord;

III [geïntimeerden sub 1 en 2] binnen 3 dagen na het in deze te wijzen vonnis te doen toekomen kopieën van de polis met aanhangsels tot en met het meest recente, waaruit blijkt, dat het huis en het aan [A.] toebehoord hebbende deel van de inboedel voldoende is verzekerd;

IV [geïntimeerden sub 1 en 2] binnen 3 dagen na het in dezen te wijzen vonnis afdoend inzicht te verschaffen door middels van stukken en bescheiden in hetgeen er is gebeurd met het uit de verkoop van het (aan [A.] toebehorend en dus niet deeluitmakende van enige huwelijksgoederengemeenschap) huis in Zwitserland vrijkomend bedrag;

V binnen 6 maanden althans een zodanige andere termijn na het in dezen te wijzen vonnis als redelijk wordt geacht het huis met de haren volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen, met afgifte van (alle) sleutels en in lege, met uitzondering van het aan [A.] toebehoord hebbende deel van de inboedel, en behoorlijke staat ter vrije beschikking te stellen van [geïntimeerden sub 1 en 2] en vervolgens verlaten en ontruimd te houden, met machtiging aan [geïntimeerden sub 1 en 2] om bij gebreke van volledig voldoening hieraan deze verlating en ontruiming en dit vervolgens verlaten en ontruimd te houden zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie en op kosten van [appellante];

VI bij gebreke van voldoen aan het subs I t/m V hierboven gevorderd, een dwangsom aan [geïntimeerden sub 1 en 2] te betalen van € 1.000,- per keer en per dag of gedeelte daarvan, dat zij nalatig blijft hieraan te voldoen;

VII aan [geïntimeerden sub 1 en 2] te voldoen een bedrag van € 122.735,56 aan (enkelvoudige) rente a 6% over de periode van 14 mei 1990 tot 20 december 2003 ter zake van door erflater verschuldigde rente wegens schuld aan [geïntimeerden sub 1 en 2];

VIII aan [geïntimeerden sub 1 en 2] te vergoeden een voorschot op de gederfde rente over de waarde van het huis à 5% vanaf 1 januari 2004, zijnde het moment waarop zij het huis (wederrechtelijk) betrok, althans vanaf 18 februari 2006, het moment waarop zij zich in [adres] in het huis liet inschrijven, tot aan het moment, waarop zij het huis zal hebben verlaten, tot 1 januari 2012 berekend op resp. € 322.282,43 en € 223.899,96 althans een zodanig bedrag, dat redelijk wordt geacht;

IX te dragen de kosten van deze procedure.

4.3 In de pleitnotitie van [geïntimeerden sub 1 en 2] in eerste aanleg is deze eis vermeerderd met een nieuwe vordering IX (en is bovenstaande vordering X geworden), die als volgt luidt:

IX voor zover enige van bovenstaande vorderingen ten aanzien van tot de nalatenschap van de vader behorende goederen (waaronder begrepen rente en schade) op bedoelde gronden niet toewijsbaar mochten (blijken te) zijn, hieraan te voldoen op basis van artikel 4:183 BW (hereditatis petitio).

Ten tijde van het pleidooi in hoger beroep heeft [geïntimeerden sub 1 en 2] hetgeen onder VII gevorderd wordt ingetrokken.

4.4 In incidenteel hoger beroep vorderen [geïntimeerden sub 1 en 2] dat het hof het vonnis in reconventie zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerden sub 1 en 2] alsnog in hun vorderingen te ontvangen dan wel deze alsnog zal toewijzen met veroordeling van [appellante] in de kosten in eerste aanleg in reconventie en in hoger beroep, te vermeerderen met nakosten.

4.5 De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis, samengevat weergegeven, [geïntimeerden sub 1 en 2] veroordeeld om aan [appellante] maandelijks (1/3e van) € 450,- te betalen, alsmede (1/3e deel van) € 18.000,- met wettelijke rente. De reconventionele vordering is afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. [geïntimeerden sub 1 en 2] zijn zowel in de proceskosten in conventie als in reconventie veroordeeld.

5. De motivering van de beslissing in kort geding in hoger beroep

Spoedeisend belang

5.1 In hoger beroep dient ambtshalve te worden onderzocht of partijen nog een spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben. Gezien de financiële situatie die [appellante] schetst en de patstelling waarin partijen verkeren met betrekking tot het huis te [adres], is dit het geval. Voor zover de tweede grief in het incidenteel appel zich hiertegen richt, slaagt deze.

Procespartijen en rechtsgevolgen in hoger beroep

5.2 [geïntimeerde sub 3] is in eerste aanleg in persoon verschenen en heeft geen reconventionele vordering ingesteld. De reconventionele vordering is blijkens het vonnis immers ingesteld door [geïntimeerden sub 1 en 2], die bestaan uit eisers in reconventie 1 en 2, nu appellanten 1 en 2 in incidenteel appel. [geïntimeerde sub 3] is derhalve geen partij in het incidentele hoger beroep. In (principaal) hoger beroep is verstek aan [geïntimeerde sub 3] verleend.

Omvang van het incidenteel hoger beroep

5.3 Ten tijde van de mondelinge behandeling in eerste aanleg hebben [geïntimeerden sub 1 en 2] hun vorderingen vermeerderd met de vordering die hiervoor onder 4.3 is opgenomen. De vermeerdering van eis is niet in de kop van de pleitnota of anderszins aangeduid, noch is deze vordering op enigerlei wijze toegelicht. In het bestreden vonnis is de vordering niet opgenomen in “4. Het geschil in reconventie” en hierop is derhalve niet beslist. Ingevolge artikel 32 Rv kan een rechter indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde op verzoek van een partij zijn vonnis aanvullen. Het is ook mogelijk om aanvulling te verzoeken in hoger beroep indien dat is ingesteld. De rechter mag ambtshalve niet aanvullen. [geïntimeerden sub 1 en 2] hebben in punt 12 van hun memorie van eis in incidenteel hoger beroep gesteld dat geen aandacht is besteed aan de hereditatis petitio. Het hof zal dit in de meest ruime zin opvatten als een verzoek tot aanvulling. Nu echter in het petitum geen enkele vordering tot afgifte van nalatenschapsgoederen is geformuleerd, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.

Grief I incidenteel hoger beroep

5.4 [geïntimeerden sub 1 en 2] stellen dat zij in het bestreden vonnis in conventie ten onrechte zijn veroordeeld in de proceskosten. In het petitum van het incidenteel hoger beroep wordt evenwel geen rechtsgevolg aan deze stelling verbonden, nu alleen vernietiging van het in reconventie gewezen vonnis wordt gevorderd. Wel vordert [geïntimeerden sub 1 en 2] (in de conclusie op bladzijde 13 van de memorie van antwoord tevens incidenteel appel) om [appellante] in hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren althans haar grieven af te wijzen en het bestreden vonnis op die punten te bekrachtigen met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties. Nu [geïntimeerden sub 1 en 2] echter wijziging van het dictum van het bestreden vonnis wenst, hadden zij dit in het petitum van hun incidenteel hoger beroep dienen te vorderen en volstaat een verweer op dat punt in het principaal hoger beroep niet. Grief I in het incidenteel faalt.

Legaat

5.5 Onweersproken staat vast dat [appellante] recht heeft op € 181.512,- uit hoofde van het testament van de erflater van 10 maart 1999, te verhogen met wettelijke rente vanaf 20 december 2004 (12 maanden na het overlijden van erflater). Tegen de stelling van [appellante], dat het totaal tot 1 oktober 2011 kan worden vastgesteld op € 254.870,37 is geen of onvoldoende onderbouwd verweer gevoerd, zodat dit in rechte vaststaat. [geïntimeerden sub 1 en 2] en [geïntimeerde sub 3] zijn ieder 1/3 hiervan aan [appellante] verschuldigd.

5.6 [geïntimeerden sub 1 en 2] verweren zich (in eerste aanleg en in hoger beroep) echter tegen de betaling van het legaat. Zij stellen dat er een restitutierisico is omdat zij tegenvorderingen op [appellante] hebben, die zij kunnen verrekenen. Zij stellen onder meer dat [appellante] ongegrond verrijkt is doordat zij zonder recht of titel in het huis te [adres] is gaan wonen waardoor schade is geleden. Het hof oordeelt voorshands als volgt. Alle partijen, ook [geïntimeerden sub 1 en 2] en [geïntimeerde sub 3] derhalve, gingen er na het overlijden van de erflater in 2003 van uit dat het huis te [adres] onderdeel vormde van de gemeenschap tussen erflater en [appellante]. Pas bij brief van [geïntimeerden sub 1 en 2] van 14 december 2011 wordt de akte van verdeling van de nalatenschap van [A.] in het geding gebracht, waaruit blijkt dat tot die tijd alle partijen (en hun adviseurs) van een verkeerde veronderstelling uitgingen. Het huis te [adres] blijkt niet in enige gemeenschap te zijn gevallen, zodat alleen [geïntimeerden sub 1 en 2] en [geïntimeerde sub 3] gerechtigd zijn tot dat deel van de nalatenschap van de erflater. Diskwalificaties die (de advocaat van) [geïntimeerden sub 1 en 2] aan de bewoning van [appellante] van het huis te [adres] hecht, zoals kraken, zijn derhalve tendentieus en niet aan de orde. Nu [appellante] gedurende haar bewoning van het huis te [adres] alle kosten en lasten die aan de bewoning verbonden waren heeft voldaan, en zonder nadere toelichting die ontbreekt, ziet het hof, voorshands oordelend, geen rechtsgrond voor enig vergoedingsrecht terzake aan [geïntimeerden sub 1 en 2]. Van een ongerechtvaardigde verrijking of onrechtmatige daad is voorshands niet gebleken. Van enige (andere) rechtsgrond voor het bepalen van door [geïntimeerden sub 1 en 2] geleden vermogensschade in verband met gederfde rente van 5% per jaar omdat [appellante] zonder recht of titel in het huis te [adres] verblijft, is niet gebleken. De vordering als bedoeld onder VIII van het incidenteel appel faalt.

5.7 [geïntimeerden sub 1 en 2] verweren zich ook tegen betaling van het legaat met de stelling dat [appellante] gelden onder zich heeft van een huis in Zwitserland. Het bedoelde huis was eveneens van [A.] en viel onder de uitsluitingsclausule in haar testament, zodat een en ander verrekend moet worden, aldus [geïntimeerden sub 1 en 2]. Uit e-mail berichten van de erflater van november 2003 (productie 7 van [geïntimeerden sub 1 en 2], gestuurd bij brief van 15 december 2011) blijkt dat de opbrengst € 97.697,31 was. Uit genoemde productie en uit de producties bij brief van [geïntimeerden sub 1 en 2] van 23 oktober 2012 (producties 3 en 3a tot en met e) blijkt dat de opbrengst van het huis in Zwitserland op 3 december 2003 door de erflater is ontvangen. Op 10 en 16 december 2003 zijn hier vervolgens bedragen van afgeschreven, te weten € 44.981,89 en € 37.483,15 voor respectievelijk de aflossing van een lening en een hypotheekkrediet ten behoeve van een aanbouw van het huis te [adres]. Een en ander heeft dus bij leven van erflater plaatsgevonden. Het resterende bedrag was derhalve € 12.540,89. De hoogte van dit bedrag, gegeven het navolgende, is onvoldoende om de vordering van [appellante] (deels) af te wijzen.

5.8 Dat [geïntimeerden sub 1 en 2] te verhalen vorderingen op [appellante] hebben die zodanig van omvang zijn dat het restitutierisico aanwezig is, acht het hof derhalve onaannemelijk. Daarbij komt dat tussen partijen vaststaat dat [appellante] gerechtigd is tot de helft van een perceel grond met bebouwing in Ermelo, dat tot de nalatenschap van de erflater behoort. Het perceel, dat niet aanstonds verkoopbaar is in verband met een geschil met een projectontwikkelaar en/of de gemeente, vertegenwoordigt een waarde van in ieder geval € 250.000,-, zoals namens [geïntimeerden sub 1 en 2] tijdens het pleidooi in hoger beroep naar voren is gebracht, maar mogelijk aanzienlijk meer.

5.9 [geïntimeerden sub 1 en 2] hebben in hoger beroep zich nog verweerd met de stelling, dat zij onvoldoende financiële ruimte hebben om [appellante] het legaat te voldoen. Deze door [appellante] betwiste stellingen zijn echter onvoldoende met stukken onderbouwd, zodat hieraan voorbij gegaan wordt. Daarbij wordt overwogen dat [geïntimeerden sub 1 en 2] en [geïntimeerde sub 3] gerechtigd zijn tot het huis in [adres], zodat zekerheidstellingen kunnen worden overwogen. De vier grieven in principaal hoger beroep slagen en de tweede grief in incidenteel hoger beroep faalt deels.

5.10 Vanwege de devolutieve werking zal het hof de vorderingen van [geïntimeerden sub 1 en 2] dienen te beoordelen. In verband met de patstelling tussen partijen met betrekking tot het huis te [adres] zal de vijfde vordering van [geïntimeerden sub 1 en 2] worden toegewezen. [appellante] weet en erkent sinds december 2011 dat zij zonder titel in het huis te [adres] woont en dat zij dit huis zal moeten verlaten. Ten tijde van het pleidooi heeft zij verzocht om de termijn van ontruiming op 2 jaar te bepalen. [geïntimeerden sub 1 en 2] achten een termijn van één jaar redelijk. Het hof acht een termijn van één jaar redelijk en zal dienovereenkomstig beslissen. [appellante] zal tot die tijd het huis te [adres] op normale wijze voor haar rekening dienen te blijven onderhouden en de kosten en lasten dienen te blijven voldoen. Zij zal ook voor haar rekening zorg (blijven) dragen voor een adequate verzekering.

5.11 De vorderingen I en II zullen worden afgewezen in verband met gebrek aan spoedeisendheid. Daarbij komt dat partijen tijdens het pleidooi hebben aangegeven ter zake de inboedelgoederen van [A.] zelf een oplossing te zullen treffen. De derde en vierde vordering zullen worden afgewezen omdat hieraan inmiddels al voldaan is, de zesde vordering zal worden afgewezen omdat geen aanwijzing bestaat dat [appellante] niet aan de veroordeling zal voldoen en de vorderingen VIII tot en met IX zullen worden afgewezen zoals hiervoor al is overwogen. Grief VII is ingetrokken.

Slotsom

5.12 De grieven in het principaal hoger beroep slagen, zodat het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De vorderingen komen voorts niet onredelijk of ongegrond voor. [geïntimeerden sub 1 en 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld.

5.13 De grieven in het incidenteel appel slagen deels en falen deels. Het hof ziet aanleiding de kosten in eerste aanleg en in hoger beroep te compenseren als navolgend bepaald.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

in principaal hoger beroep

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht van 6 januari 2012 voorzover in conventie onder 7.1 en 7.2 gewezen en doet opnieuw recht:

veroordeelt [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] ieder tot betaling aan [appellante] van 1/3 deel van € 254.870,37, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2011 tot aan het moment van algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] in de kosten van dit hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] vastgesteld op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.610,64 voor verschotten (€ 1.513,- voor griffierecht en € 97,64 voor dagvaardingskosten);

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis in conventie van de voorzieningenrechter voor het overige;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht van 6 januari 2012 voorzover in reconventie gewezen en doet opnieuw recht:

veroordeelt [appellante] om binnen 1 jaar na dit arrest het huis met de haren volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen, met afgifte van (alle) sleutels en in lege, met uitzondering van het aan [A.] toebehoord hebbende deel van de inboedel, en behoorlijke staat ter vrije beschikking te stellen van [geïntimeerden sub 1 en 2] en vervolgens verlaten en ontruimd te houden, met machtiging aan [geïntimeerden sub 1 en 2] om bij gebreke van volledig voldoening hieraan deze verlating en ontruiming en dit vervolgens verlaten en ontruimd te houden zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie en op kosten van [appellante];

compenseert de kosten van beide instanties aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, J.H. Lieber en M.H.H.A. Moes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2013.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature