Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

BPM.

Taxivervoer. Van toepassing op vrijwilligersvervoer?

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 13/00097

uitspraakdatum: 29 oktober 2013

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], gevestigd te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 december 2012, nummers AWB 12/206 en AWB 12/207, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P] (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 maart 2009 tot en met 31 december 2009 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 7.151. Voorts is bij beschikking een bedrag van € 282 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2

Aan belanghebbende is voorts over het tijdvak 27 maart 2009 tot 27 maart 2012 een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 13.260, alsmede bij beschikking een bedrag van € 514 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3

Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

1.4

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de naheffingsaanslag omzetbelasting gegrond verklaard, de desbetreffende uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente vernietigd en het beroep met betrekking tot de BPM ongegrond verklaard. Voorts heeft de Rechtbank gelast dat de Inspecteur het betaalde griffierecht van € 302 vergoedt.

1.5

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.7

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2013 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord [A], namens belanghebbende, alsmede [B] en [C] namens de Inspecteur.

1.8

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

1.9

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende, een stichting, is bij notariële akte van 25 maart 2009 opgericht. Enig bestuurder is [A]. Belanghebbende heeft volgens haar statuten tot doel het verzorgen van recreatie voor ouderen en het verrichten van alle verdere handelingen die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn. Belanghebbende tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door het organiseren van culturele, sportieve, recreatieve uitgaansactiviteiten, reizen, vrijwilligersvervoer en mentale cognitieve begeleiding.

2.2

Belanghebbende heeft op 27 maart 2009 een personenauto aangeschaft (Mitsubishi Outlander, kenteken [AA-BB-00]; hierna: de auto). De koopprijs bedroeg € 47.496. Hierin is een bedrag van € 13.260 aan BPM begrepen en een bedrag van € 5.458,91 aan omzetbelasting.

2.3

De betaalde omzetbelasting is op belanghebbendes verzoek aan haar terugbetaald. Belanghebbende heeft de Inspecteur op 28 maart 2009 verzocht om teruggaaf van de betaalde BPM. Bij beschikking van 24 juli 2009 is de gevraagde teruggaaf BPM aan belanghebbende verleend.

2.4

Namens de Inspecteur heeft [D] een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld. De resultaten daarvan zijn neergelegd in een op 24 mei 2011 aan belanghebbende uitgereikt rapport. Het rapport behoort tot de gedingstukken.

2.5

De Rechtbank heeft over het geschil met betrekking tot de omzetbelasting geoordeeld dat belanghebbende duurzaam deelneemt aan het economische verkeer en dus als ondernemer als bedoeld in de Wet op de omzetbelasting 1968 is aan te merken. Met betrekking tot het geschil omtrent de BPM heeft de Rechtbank geoordeeld dat uit artikel 16 van de Wet BPM volgt dat ook voor vrijwilligersvervoer moet worden voldaan aan de eis dat de auto geheel of nagenoeg geheel (90%) wordt gebruikt voor het verrichten van taxivervoer, dat het beroep dat belanghebbende in verband daarmee op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan faalt en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan het 90%-criterium is voldaan.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of de naheffingsaanslag BPM terecht is opgelegd.

3.2

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de in artikel 16 van de Wet BPM genoemde eis dat de auto geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor het verrichten van taxivervoer van toepassing is op het vrijwilligersvervoer en, zo ja, of bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat zij niet aan dit criterium behoefde te voldoen. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend, de tweede bevestigend. De Inspecteur neemt de tegenovergestelde standpunten in.

3.3

Indien het gelijk voor wat betreft het primaire of subsidiaire standpunt aan belanghebbende is, zijn partijen het erover eens dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Indien het gelijk aan de Inspecteur is, zijn partijen het erover eens dat de naheffingsaanslag in stand moet blijven.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

90%-criterium van toepassing op vrijwilligersvervoer?

4.1

Belanghebbende komt in hoger beroep op tegen het oordeel van de Rechtbank dat ook voor vrijwilligersvervoer moet worden voldaan aan de eis dat de auto geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor het verrichten van taxivervoer (hierna: het 90%-criterium). De Rechtbank heeft voor dat oordeel redengevend geacht dat deze eis rechtstreeks uit de wet voortvloeit. In verband daarmee heeft zij artikel 16, eerste lid, van de Wet BPM aangehaald, waarin onder meer is bepaald dat de teruggaaf wordt verleend voor personenauto’s die zijn bestemd om geheel of nagenoeg geheel te worden gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000. De Rechtbank heeft geconcludeerd dat voor het vrijwilligersvervoer zoals dat door belanghebbende wordt uitgevoerd, geen teruggaaf op grond van artikel 16 van de Wet BPM mogelijk is, omdat dat vervoer niet valt onder de bepalingen van de Wet Personenvervoer. De Rechtbank heeft vervolgens gewezen op paragraaf 11.5.5 van de Leidraad BPM 2006, waarin is goedgekeurd dat de in artikel 16 van de Wet BPM opgenomen teruggaafregeling onder aanvullende voorwaarden ook bij vrijwilligersvervoer kan worden toegepast. De Rechtbank concludeert op grond daarvan dat in de Leidraad slechts aanvullende voorwaarden worden gesteld en dat op het 90%-criterium geen uitzondering wordt gemaakt voor vrijwilligersvervoer.

4.2

Het Hof sluit zich aan bij dit oordeel van de Rechtbank en de daartoe gebezigde gronden en maakt deze tot de zijne.

4.3

In hoger beroep heeft belanghebbende haar eerder ingenomen stelling herhaald dat een medewerkster van het ministerie van Financiën tijdens een telefoongesprek aan [A] heeft medegedeeld dat nergens in de wet of regelgeving is beschreven dat het 90%-criterium geldt voor vrijwilligersvervoer en voorts dat hij naar aanleiding van die mededeling is overgegaan tot oprichting van belanghebbende en aanschaf van de auto. Ter zitting van het Hof heeft [A] verklaard dat hij de van de medewerkster verkregen informatie heeft nagezocht en tot de conclusie is gekomen dat de medewerkster hem correct had geïnformeerd. Het staat niet in de wet dat het 90%-criterium ook van toepassing is op vrijwilligersvervoer, aldus belanghebbende. Naar belanghebbendes mening heeft de medewerkster daarmee bij haar in rechte te beschermen vertrouwen gewekt. Het getuigenaanbod dat in verband hiermee namens belanghebbende is gedaan, is ter zitting van het Hof ingetrokken.

4.4

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de medewerkster de gestelde inlichting heeft verstrekt. Evenmin is aannemelijk geworden dat de medewerkster bewust het standpunt heeft ingenomen dat belanghebbende voor het vrijwilligersvervoer niet behoefde te voldoen aan het 90%-criterium. Ook uit de brief van de medewerkster van 29 december 2008 en uit haar e-mail van 2 maart 2009 kan dat niet worden afgeleid.

4.5

De Inspecteur heeft derhalve terecht een naheffingsaanslag BPM opgelegd.

Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Ettema, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. A. Klein als griffier.

De beslissing is op 29 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Klein)

(C.M. Ettema)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op : 6 november 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature