Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

ISD-maatregel.

Uitspraak



parketnummer: 23-004181-15

datum uitspraak: 16 juni 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-684022-15 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

adres: [adres 1],

thans gedetineerd in PI Flevoland - HvB Almere Binnen te Almere.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dat:

2:(zaaksdossier CA2)

hij op of omstreeks 14 november 2014,althans in of omstreeks de periode van 13 november 2014 tot en met 14 november 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een auto (merk Porsche) heeft weggenomen een laptoptas en/of een Ipad en/of een paspoort, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een raam van voornoemde auto;

3:(zaaksdossier CA5)

hij in of omstreeks de periode van 22 november 2014 tot en met 23 november 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een auto (merk Opel) heeft weggenomen een jas (merk Woolrich), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een ruit van voornoemde auto;

4:(zaaksdossier CA6)

hij op of omstreeks 30 november 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, op de openbare weg, het Afrikanerplein, in elk geval op een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (in/uit een auto) heeft weggenomen een (hand)tas (inhoudende (ondermeer) een geldbedrag van ongeveer 750,- euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een raam van voornoemde auto;

5:(zaaksdossier CA7)

hij in of omstreeks de periode van 24 december 2014 tot en met 25 december 2014 te Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een auto (merk Volkswagen) heeft weggenomen een hoeveelheid parfum en/of vijf, althans een of meer koffers en/of 27, althans een of meer stuks crystal jewellery en/of WMF cook items en/of bose speakers en/of vijf, althans een of meer (Hugo Boss) suits sets en/of een pen en/of een Prada tas en/of supermarkt goederen ter waarde van ongeveer 300,- euro en/of Baby goederen ter waarde van ongeveer 200,- euro en/of make-up goederen ter waarde van ongeveer 700,- en/of sigaretten en/of diverse healty food , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een ruit van voornoemde auto en/of door middel van een valse sleutel;

6:(zaaksdossier CA9)

hij op of omstreeks 20 december 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (personen)auto (merk Renault) heeft weggenomen een rijbewijs en/of een paspoort en/of een jas (merk Canada Goose) en/of een jas (merk Moncler) en/of een jas (merk Zara) en/of een bankpas en/of een of meer sleutels, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op en/of verbreking van (een slot van) een kofferbak van voornoemde auto en/of door middel van een valse sleutel.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Tussen 22 november 2014 om 23.30 uur en 23 november om 2.00 uur is ingebroken in een zwarte Opel Corsa. Deze auto stond geparkeerd aan het Singel in Amsterdam ter hoogte van club Bitterzoet ([adres 2]). De ruit van de auto was ingeslagen en er werd een groene jas van het merk Woolrich van de achterbank weggenomen.

Op 23 november 2014 om 02.14 uur voerde verdachte een telefoongesprek waarin door hem werd gezegd, zakelijk weergegeven dat hij “een Woolrich zou hebben gehaald”. Op de vraag “waar heb je hem gebotst” (het hof begrijpt: “waar heb je hem gestolen” antwoordde verdachte: “die heb ik bij Bitterzoet”. Het telefoontoestel van verdachte peilde op dat moment uit op de Nieuwezijds Voorburgwal, in de directe omgeving van de plaats delict.

Weliswaar zijn er op grond hiervan aanwijzingen dat de verdachte de Woolrich-jas, gelet op het merk, de omgeving van de plaats delict waar aangeefster over verklaard en het tijdstip, uit de auto van aangeefster heeft gestolen, echter de verdachte heeft het in voornoemd telefoongesprek consequent over een “Porsche met kiat” (het hof begrijpt: “een Porsche met sleutel”) in combinatie met de weggenomen jas. Niet uitgesloten is daarmee dat de verdachte in de taps spreekt over een ander feit. Op grond hiervan acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte betrokken is bij de inbraak uit voornoemde Opel Corsa en zal de verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging

Naar het oordeel van het hof is vast komen te staan, gelijk de rechtbank heeft overwogen, dat de verdachte gebruiker was van de Nokia Lumia telefoon, voorzien van een simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer]. Het IMEI-nummer van deze Nokia Lumia komt overeen met het IMEI-nummer van het toestel waarmee de getapte gesprekken zijn gevoerd. Deze telefoon is ook bij de verdachte in beslag genomen op 19 januari 2015. Uit de in het dossier aanwezige processen-verbaal van stemherkenning blijkt dat de verdachte veelvuldig gebruik maakte van dit telefoonnummer en dat zijn telefoon slechts een enkele keer werd beantwoord door medeverdachte [medeverdachte 1]. Nu er geen aanleiding is om aan te nemen dat de telefoon van de verdachte regelmatig door (een) ander(en) werd gebruikt, acht het hof het niet aannemelijk geworden dat de belastende gesprekken door een ander zijn gevoerd. In dit verband heeft het hof mede in aanmerking genomen het feit dat de verdachte in hoger beroep heeft verklaard dat de Nokia Lumia een blauwe telefoon is en dat dit zijn telefoon is.

Ten aanzien van feit 4

Feiten en omstandigheden

Op 30 november 2014 is aangifte gedaan van een diefstal uit een auto op het Afrikanerplein te Amsterdam. De aangeefster bevond zich in de auto en reed om 01.34 uur stapvoets omdat zij op zoek was naar een parkeerplaats. Op enig moment hoorde zij een hard geluid en zag zij aan de bijrijderszijde een man tegen het raam bonken. Toen zij stil stond, werd het autoraam ingeslagen en pakte de man haar handtas van de bijrijdersstoel. De man sprong achterop een door een ander bestuurde scooter en reed weg. De dader droeg een rode gewatteerde jas, had donker krullend haar en was vermoedelijk Marokkaans. De bestuurder van de scooter droeg een donkere jas, een grijze capuchon en was vermoedelijk Marokkaans. Anderhalf uur eerder, op 29 november 2014 om 23.55 uur, waren de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] door verbalisanten waargenomen op de Krugerstraat, vlakbij het Afrikanerplein. [medeverdachte 1] zat op een brommer en verdachte stond ervoor. De verdachte, met zwart krullend haar, droeg toen een rode parka en medeverdachte [medeverdachte 1] droeg een donkere jas.

Tijdens de meervoudige fotoconfrontatie nam de verbalisant een fysieke reactie bij aangeefster waar bij het tonen van de foto van de verdachte. Verbalisant heeft verklaard dat aangeefster rechtop ging zitten bij het tonen van de foto van verdachte. Aangeefster zei ook ‘ik herken iets, ik zie iets terug’. Op de hierop volgende vraag van de verbalisant wat zijn rol bij het feit was geweest zei de aangeefster: “Hij was die gemene die het raam kapot sloeg. Hij pakte mijn tas.” Deze reactie heeft zij niet gegeven bij de overige getoonde foto’s.

De verdachte heeft in de arrestantenbus op 22 januari 2015 tegen medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gezegd dat hij is herkend op pica’s (het hof begrijpt: op foto’s) en aan zijn rode jas, “van die met [medeverdachte 1]”. Daarnaast is die nacht om 01.57 uur contact geweest met de telefoon die bij de verdachte in gebruik was (de blauwe Nokia Lumia voorzien van het telefoonnummer [telefoonnummer]). Uit dit telefoongesprek blijkt dat een ander dan de verdachte de telefoon op dat moment gebruikt en meedeelt dat de verdachte er niet is en dat [medeverdachte 1] bij de verdachte is.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de bijnaam van [medeverdachte 1]” is , dat hij een rode parka heeft en dat “pica’s” foto’s zijn.

Oordeel van het hof

De raadsvrouw heeft zich in hoger beroep opnieuw op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is, nu het signalement van verdachte onvoldoende onderscheidend is. De bewijswaarde van de meervoudige fotoconfrontatie acht zij gering, aangezien er geen 100% herkenning is. Het opgenomen gesprek op 22 januari 2015 in de arrestantenbus is volgens de verdediging

niet een gave bekentenis.

Het hof is van oordeel dat het door de aangeefster gegeven signalement in overwegende mate overeenkomt met het uiterlijk van verdachte, zoals blijkt uit het proces verbaal van bevindingen dat is opgemaakt over het aantreffen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1], anderhalf uur voor het plaatsvinden van de diefstal in de omgeving van de plaats delict. Voorts heeft de verdachte er ook bij dit feit voor gekozen om geen nadere uitleg te geven over de overige genoemde feiten en omstandigheden, terwijl dat wel op zijn weg lag gelet op de inhoud van het OVC-gesprek, opgenomen in de arrestantenbus op 22 januari 2015 over het feit dat hij herkend was aan zijn rode jas en foto’s. De stelling van de verdediging dat de inhoud van het gesprek niet persé een bekentenis inhoudt wordt gepasseerd, gelet op de stelligheid waarmee de verdachte toen sprak en de details die hij benoemde (over het slachtoffer, de modus operandi, de kleding die verdachte droeg en de persoon met wie hij toen was). Gelet hierop is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat op grond van de voorliggende feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:hij op 14 november 2014 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een auto (merk Porsche) heeft weggenomen een laptoptas en een iPad en een paspoort, toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

4:hij op 30 november 2014 te Amsterdam, op de openbare weg, het Afrikanerplein, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een auto heeft weggenomen een tas inhoudende onder meer een geldbedrag van ongeveer 750,00 euro, toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij hij, verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

5:hij in de periode van 24 december 2014 tot en met 25 december 2014 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een auto (merk Volkswagen) heeft weggenomen een hoeveelheid parfum en vijf koffers en 27 stuks crystal jewellery en WMF cook items en bose speakers en vijf Hugo Boss suits sets en een pen en een Prada tas en supermarkt goederen ter waarde van ongeveer 300,00 euro en baby goederen ter waarde van ongeveer 200,00 euro en make-up goederen ter waarde van ongeveer 700,00 en sigaretten en diverse healty food, toebehorende aan [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6], waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;

6:hij op 20 december 2014 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een personenauto (merk Renault) heeft weggenomen een rijbewijs en een paspoort en een jas (merk Canada Goose) en een jas (merk Moncler) en een jas (merk Zara) en een bankpas en sleutels, toebehorende aan [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9].

Hetgeen onder 2, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Het onder 4 en 5 bewezen verklaarde levert op:

telkens, diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van maatregel

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2, 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte niet gemotiveerd is voor de ISD-maatregel en er nog andere mogelijkheden open staan, terwijl daarnaast de verdachte te lang in voorlopige hechtenis heeft gezeten. De raadsvrouw heeft primair verzocht om een straf gelijk aan het voorarrest, subsidiair een straf met een klein voorwaardelijk deel en meer subsidiair een geheel voorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van één jaar op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie diefstallen uit geparkeerde auto’s, al dan niet met braak. Hiermee heeft hij telkens inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het slachtoffer. De verdachte heeft zich daarnaast samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal met braak gepleegd op een zeer grove en brutale manier, waarbij de ruit van een stilstaande auto werd ingeslagen en de tas van de bestuurster werd weggenomen terwijl de bestuurster zich nog in de auto bevond. Deze handelwijze getuigt van een ernstig gebrek aan respect voor andermans eigendom alsmede van verdachtes onverschilligheid voor gevoelens van (on)veiligheid van anderen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel van 20 mei 2016 is hij eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld.

Het hof heeft kennisgenomen van de adviezen van Reclassering Nederland van 1 maart 2015 en 22 september 2015, opgemaakt door [deskundige 1]. Het Reclasseringsrapport van 1 maart 2015 houdt

- zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in:

Verdachte heeft niet meegewerkt aan het tot stand komen van dit rapport. Verdachte is in het

verleden vaak met justitie in aanraking geweest en behoort tot de Top 600, een

overlastgevende groep jongeren in Amsterdam. Hulpverleningstrajecten, zoals een begeleid

wonen traject en familietherapie hebben niet tot resultaat geleid omdat verdachte zich niet coöperatief opstelde en zich niet aan de voorwaarden hield. Verdachte is tot zijn aanhouding begeleid door de William Schrikker Groep. Er is geen mogelijkheid om dit traject nog voort te zetten omdat verdachte recidiveert en onvoldoende gemotiveerd is voor gedragsverandering.

Er zijn diverse criminogene factoren geconstateerd. Verdachte heeft schulden en handelt uit financieel gewin. Hij heeft een pro criminele houding, beschikt niet over zelfinzicht en lijkt zelf geen last te hebben van zijn delictgedrag. Verdachte heeft een verstandelijke beperking en is in 2010 gediagnosticeerd met een gedragsstoornis. Er waren aanwijzingen voor een pervasieve gedragsstoornis. Daarnaast zou het geweten van verdachte lacunair ontwikkeld zijn. Zijn ouders hebben meegewerkt met instanties maar ook zij zijn er niet in geslaagd om betrokkene positief te beïnvloeden. De kans op recidive is hoog en er is een hoog risico op het onttrekken aan voorwaarden, aangezien betrokkene zich nooit heeft gehouden aan

voorwaarden. Wegens het gebrek aan motivatie van betrokkene om mee te werken aan sancties en voorwaarden en de hoge kans op recidive adviseert de reclassering om een ISD maatregel op te leggen.

[deskundige 1] voornoemd heeft dit advies op 16 september 2015 ter zitting van de rechtbank als deskundige bevestigd.

Naar aanleiding van genoemd advies en de reactie van de verdachte heeft de rechtbank haar verzocht opnieuw in gesprek te gaan met verdachte, die ter zitting had toegezegd hier aan te willen meewerken, en een aanvullend rapport voor de tweede zittingsdag op te stellen. Aan dit reclasseringsrapport van 22 september 2015 wordt het volgende ontleend, zakelijk weergegeven:

Verdachte heeft zich tijdens het gesprek coöperatief en beleefd opgesteld en was enigszins aanspreekbaar op zijn delictgedrag. Hij meent desondanks geen hulp nodig te hebben om recidive te voorkomen. Verdachte heeft gezegd dat hij mee wil werken aan een toezicht met bijzondere voorwaarden, maar zal niet meewerken aan onderzoek naar begeleidingsmogelijkheden als hem de ISD-maatregel wordt opgelegd. De William Schrikker Stichting heeft laten weten dat verdachte een nieuwe kans verdient, als dit onder strikte voorwaarden kan. Verdachte heeft geen woning maar kan na detentie bij zijn ouders verblijven. Hij mag zich niet bij het GBA inschrijven op dit adres, omdat hij schulden heeft. De mogelijkheden om alsnog een toezicht op te leggen met als bijzondere voorwaarde elektronische controle en meewerken aan behandeling en diagnostiek bij Inforsa of een soortgelijke instelling, zijn onderzocht. Omdat betrokkene zich niet kan inschrijven op zijn verblijfadres en dit een voorwaarde is om elektronische controle uit te kunnen voeren, is een dergelijk toezicht momenteel niet haalbaar. De reclassering blijft daarom van mening dat het opleggen van de ISD-maatregel noodzakelijk is, omdat de verwachting is dat betrokkene onvoldoende zal meewerken als hij een toezicht krijgt opgelegd zonder elektronische controle. Daarnaast is het van belang dat de mogelijkheden voor begeleid wonen worden onderzocht, omdat het onwenselijk is dat hij terugkeert naar zijn buurt. Tijdens het ISD- traject kunnen de hulpverlenings- en begeleidingsmogelijkheden worden onderzocht.

[deskundige 1] voornoemd heeft dit advies op 23 september 2015 ter zitting van de rechtbank als deskundige bevestigd.

Het hof heeft ook kennis genomen van de mondelinge toelichting op de ISD-maatregel op die zitting van de [naam], staffunctionaris bij de ISD van de Penitentiaire Inrichting (PI) Almere. Hij heeft onder meer -zakelijk weergegeven- verklaard dat de ISD-maatregel niet alleen voor verslaafde veelplegers, maar ook jongvolwassen veelplegers perspectief kan bieden. Met deze groep jongvolwassenen is nog niet zo veel ervaring. Belangrijk is dat er tijdens de ISD maatregel wordt gewerkt aan een andere levensstijl met een arbeidsritme. Hiertoe wordt bij aanvang van de maatregel een ontwikkelingsplan opgesteld, waarin de mogelijkheden van de individuele ISD-er op een rijtje worden gezet. Gedurende de maatregel kunnen hiervoor voorbereidingen worden getroffen, zoals het doen van een opleiding, het opdoen van werkervaring en het volgen van trainingen. In het geval van verdachte zou bijvoorbeeld kunnen worden toegewerkt naar werk in een bakkerij en naar een andere woonomgeving na ommekomst van de ISD-maatregel. Dit hoeft niet altijd vanuit de PI te gebeuren. Ongeveer de helft van de ISD-ers bevindt zich tijdens de executie van de maatregel niet in een Huis van Bewaring, aldus nog steeds de heer [naam].

Verder heeft het hof kennis genomen van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep op 2 juni 2016 door de deskundige [deskundige 2], van de William Schrikker Groep, casusmanager van de verdachte in het kader van de top 600, onder meer is aangegeven:

Er is hulp ingezet, maar niet alle doelen zijn bereikt, zoals uit de buurt weg, begeleid wonen en contact met DWI en het PPI. Ik bied mijn hulp vrijwillig, de verdachte heeft echter een stok achter de deur nodig. Hij zou naar een instantie buiten Amsterdam moeten, dan is hij weg uit zijn buurt. De kans op recidive is groot en dat risico is in zijn eigen buurt helemaal aanwezig. Een voorwaardelijk opgelegde straf is in die zin een te groot risico. Ik had vanaf juni 2014 wekelijks contact met de verdachte, tot na de zomer. U vraagt mij waarom het niet goed ging. De verdachte hield zich niet steeds aan zijn afspraken of beschikte niet over de juiste stukken. Daarna hebben we een stapje terug gedaan, omdat we juridisch geen handvatten hadden. Ik was teleurgesteld, omdat het ondanks de voorrang die hij gekregen heeft net niet lukte. Die vrijwillige benadering werkte niet.

Tevens heeft het hof kennis genomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 30 mei 2016, opgemaakt door [deskundige 3]. Dit advies houdt, - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in:

Huisvesting vormt een probleem daar de moeder van betrokkene aan toezichthoudster (mevrouw [deskundige 2]) kenbaar heeft gemaakt dat betrokkene niet welkom meer is thuis vanwege zijn vele justitiecontacten. Zijn (negatief) netwerk woont in dezelfde buurt. De heer [verdachte] heeft zich in het verleden niet gehouden aan de opgelegde reclasseringstoezichten en aan werk/leertrajecten o.a. een schuldhulpverleningstraject. Zoals blijkt uit voorgaande (gebrek aan motivatie) en hij tot de doelgroep Top 600 behoort, wordt het recidiverisico ingeschat als hoog.

Over het gedrag van betrokkene tijdens zijn verblijf in PI Almere schrijft Rojer dat dit gedrag van betrokkene te wensen over laat, hij vertoont provocerend, opruiend en grensoverschrijdend gedrag. Zijn gedrag leidt tot spanningen op de werkvloer (afdeling Arbeid) en hij laat anderen voor hem lopen.

De reclassering blijft van mening dat het opleggen van de ISD-maatregel (ondanks zijn weerstand hieromtrent) zeer wenselijk is, gezien de structurele niet meewerkende houding van de heer [verdachte]. Daarnaast is het van belang dat betrokkene onderzocht wordt door het NIFP om zo tot adequate hulpverlenings- en begeleidingsmogelijkheden te kunnen komen. Ook dienen de mogelijkheden voor begeleid wonen te worden onderzocht omdat het onwenselijk is dat hij terugkeert naar de buurt (negatief netwerk) waar hij voor onderhavige hechtenis woonachtig was.

Opmerking

De heer [verdachte] heeft in totaal 9 urine controles tijdens zijn huidige detentie gehad, alle 9 waren positief met een waarde van meer dan 1000 op gebruik op van cannabis.

Het hof stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor oplegging van de ISD-maatregel stelt. Het hof acht immers bewezen dat de verdachte zich in de onderhavige zaak telkens heeft schuldig gemaakt aan (gekwalificeerde) diefstal, misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Bovendien is de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 mei 2016 vijf jaar voorafgaand aan 14 november 2014 driemaal eerder wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld, welke straffen, al dan niet na een bevel tot tenuitvoerlegging gevolgd op een eerdere voorwaardelijke oplegging, ten uitvoer zijn gelegd. Tot slot neemt het hof uit het reclasseringsrapport van 1 maart 2015 en het reclasseringsadvies van 30 mei 2016 en de verklaring van mevrouw [deskundige 2] ter terechtzitting in hoger beroep over dat het recidiverisico als ‘hoog’ wordt ingeschat.

Het hof stelt voorop dat volgens de bewoordingen van het tweede lid van artikel 38m Sr de oplegging van de ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive door de verdachte. Nu de verdachte ondanks eerdere veroordelingen is blijven recidiveren en zijn recidiverisico als hoog wordt ingeschat, brengt de eerstgenoemde doelstelling van de ISD-maatregel reeds mee dat de verdachte voor oplegging ervan in aanmerking komt. Een geheel voorwaardelijke ISD-maatregel dan wel voor de duur van één jaar, zoals verzocht door de raadvrouw, is gelet op het voorgaande niet passend. De ISD-maatregel biedt de verdachte de mogelijkheid (in een dwingend kader) middels hulpverlening en begeleiding aan zijn gedragspatronen en stoornis te werken die er kennelijk telkens voor zorgen dat hij terugvalt in criminele activiteiten, waaronder de mogelijkheden van begeleid wonen buiten zijn eigen buurt. Mede gelet op de problematiek van de verdachte, acht het hof het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Het hof acht het hierom aangewezen dat de tijd die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest niet in mindering wordt gebracht op de duur van de maatregel, temeer nu de verdachte heeft aangegeven geen intrinsieke motivatie te hebben en niet wil meewerken aan de oplegging van de ISD-maatregel, zodat naar verwachting tijd zal zijn gemoeid met het motiveren van de verdachte.

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte tot een doelgroep behoort waar tot nu toe nog niet veel ervaring mee is opgedaan binnen de ISD, zijnde jong volwassenen met een verstandelijke beperking, acht het hof het wenselijk en noodzakelijk dat tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel plaatsvindt, waarbij onder andere kan worden gekeken naar het verloop en de voortgang van het behandeltraject. In het bijzonder wil het hof dan geïnformeerd worden over de motivatie van de verdachte en zijn medewerking aan het door de hulpverlening op hem gerichte en afgestemde traject, als dit in positieve zin het geval blijkt te zijn, in hoeverre de ISD-instelling bereid is (geweest) maatwerk te verlenen. Het hof zal bepalen dat deze beoordeling zal geschieden zes maanden na het onherroepelijk worden van dit arrest.

Het hof acht, alles afwegende, een maatregel van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt totaal € 1.425,70. In het voegingsformulier staat weliswaar een totaal bedrag van € 1.425,70 genoemd, nu echter de afzonderlijke schadeposten tezamen, te weten een (vervangend) paspoort à € 101,75, een Ray Ban bril à € 145,00, manchetknopen à € 430,00 en een iPad mini à € 648,95, opgeteld € 1.325,70 bedragen, zal het hof van dat laatste bedrag uitgaan.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 750,70. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, waarbij het hof begrijpt het bedrag van € 1.325,70.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Bewezen is verklaard dat de verdachte de laptoptas met daarin de iPad mini en het paspoort van de benadeelde partij heeft gestolen, zodat de vordering tot een bedrag van € 750,70 zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht .

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat het openbaar ministerie binnen 6 (zes) maanden na het onherroepelijk worden van dit arrest het hof zal berichten over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. Geld Nederlands 670.00 (4909559)

2 1.00 STK pet Kl:Zwart Raiders (4909590)

3 1.00 STK Zaktelefoon Kl: Blauw NOKIA Lumia (4909637)

4. 1.00 STK Zaktelefoon Kl:Zwart 27 juli 2015 NOKIA (4909640)

5. Geld Euro 20.00 (4914340 en 4914343).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 750,70 (zevenhonderdvijftig euro en zeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 750,70 (zevenhonderdvijftig euro en zeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. M.L. Leenaers en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juni 2016.

Mr. P.F.E. Geerlings is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature