Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

mishandeling met zwaar lichamelijk letsel en mishandeling

Uitspraak



parketnummer: 23-001911-15

datum uitspraak: 17 februari 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 april 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-710389-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag te Zwaag.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 februari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:hij op of omstreeks 22 november 2014 in de gemeente Haarlem aan een persoon, genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een zware hersenschudding en/of een gat in het hoofd, heeft toegebracht, door toen en daar opzettelijk die [slachtoffer 1] (met gebalde vuist) (met kracht) in het gezicht/tegen het hoofd te slaan of te stompen;

1. subsidiair:hij op of omstreeks 22 november 2014 in de gemeente Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1] (met gebalde vuist) (met kracht) in het gezicht/tegen het hoofd heeft geslagen of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. meer subsidiair:hij op of omstreeks 22 november 2014 in de gemeente Haarlem een persoon, genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk heeft mishandeld door toen en daar die [slachtoffer 1] (met gebalde vuist) (met kracht) in het gezicht/tegen het hoofd te slaan of te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een zware hersenschudding en/of een gat in het hoofd, althans enig lichamelijk letsel en/of pijn, ten gevolge heeft gehad;

2:hij op of omstreeks 22 november 2014 in de gemeente Haarlem een persoon, genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk heeft mishandeld door toen en daar voornoemde [slachtoffer 2] (met kracht) op/tegen de neus, in elk geval het gezicht/hoofd, te slaan of te stompen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 1 subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat de verdachte opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 meer subsidiair:hij op 22 november 2014 in de gemeente Haarlem een persoon, genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk heeft mishandeld door toen en daar die [slachtoffer 1] met gebalde vuist met kracht in het gezicht te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een zware hersenschudding, en een gat in het hoofd, en pijn, ten gevolge heeft gehad;

2:hij op 22 november 2014 in de gemeente Haarlem een persoon, genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk heeft mishandeld door toen en daar voornoemde [slachtoffer 2] met kracht tegen de neus te slaan.

Hetgeen onder 1 meer subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 weken met aftrek van voorarrest, waarvan 5 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte meewerkt aan de aanwijzingen en richtlijnen die hem worden gegeven vanuit GGZ Reclassering Palier, ook als dat inhoudt dat de verdachte meewerkt aan urinecontroles en dat de verdachte zich onder behandeling stelt bij de forensische polikliniek te Haarlem of een soortgelijke instelling.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht om gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een proeftijd van 3 jaren onder de bijzondere voorwaarde zoals door de reclassering geadviseerd, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest, in combinatie met een taakstraf. Indien de verdachte terug de gevangenis in moet, zou dit de positieve wending die de verdachte aan zijn leven heeft gegeven doorbreken, hetgeen niet wenselijk is, aldus de raadsman.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol zonder enige aanleiding een willekeurig persoon op straat een dermate harde vuistslag in zijn gezicht gegeven, dat deze persoon direct bewusteloos is geraakt. Het slachtoffer heeft hierdoor zodanig ernstig hoofdletsel opgelopen, dat hij niet meer in staat was zijn studie Psychologie aan de universiteit voort te zetten. Daarnaast heeft het incident voor het slachtoffer op psychisch vlak aanzienlijke gevolgen gehad, zoals blijkt uit de verklaring die hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. De verdachte heeft geprobeerd het plaats delict te verlaten en heeft op het moment dat hij door omstanders werd tegengehouden, één van hen een bloedneus geslagen. Zowel de slachtoffers als de omstanders zijn zeer geschrokken door het handelen van de verdachte, hetgeen uit de getuigenverklaringen blijkt. Door aldus te handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers geschonden en bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 januari 2016 is de verdachte eerder meermalen ter zake van geweldsmisdrijven en voorts voor andersoortige strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen. Het hof weegt in het nadeel van de verdachte dat hij hieruit kennelijk geen lering heeft getrokken.

Het hof heeft acht geslagen op het omtrent de verdachte opgemaakt reclasseringsrapport d.d. 26 maart 2015, opgemaakt door [naam], als reclasseringswerker verbonden aan GGZ Reclassering Palier. In dit rapport adviseert de reclassering om aan de verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een behandelverplichting. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard zich in de voorgestelde voorwaarden te kunnen vinden en daaraan zijn medewerking te zullen verlenen.

Het hof acht, alles afwegende, en mede gelet op hetgeen doorgaans in vergelijkbare zaken pleegt te worden opgelegd, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden en zal aan het voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden van voornoemde strekking verbinden. Een straf zoals door de raadsman verzocht, doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van het feit.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.953,65. De gestelde schade bestaat uit:- medische kosten ad € 56,00- tandartskosten ad € 179,31

- reiskosten ad € 17,69

- parkeerkosten ad € 10,50

- studiekosten ad € 1.969,15

- onkosten huur oefenruimte ad € 105,00

- immateriële schade ad € 1.616

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.368,50, bestaande uit

€ 1.000,00 aan immateriële schade en € 368,50 aan materiële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Door de verdediging is uitsluitend de schadepost ‘studiekosten’ betwist.

Het hof is van oordeel dat de gevorderde studiekosten kunnen worden toegewezen. Uit de stukken ter onderbouwing van dit deel van de vordering volgt dat [slachtoffer 1] per 31 januari 2015 in overleg met zijn studieadviseur is uitgeschreven voor de opleiding Psychologie aan de Universiteit van Amsterdam, omdat hij ten gevolge van het letsel dat hij heeft opgelopen door het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte een niet meer in te halen studievertraging heeft opgelopen. De benadeelde heeft vijf maanden collegegeld betaald en gebruik gemaakt van studiefinanciering en het studentenreisproduct over die periode. Bij het hervatten van zijn studie zal hij hierop geen aanspraak meer kunnen maken. Het hof is derhalve van oordeel dat er rechtstreeks verband bestaat tussen de door de benadeelde gevorderde studiekosten en het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voorts voldoende gebleken dat ook de materiële schade voor het overige rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde feit.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering geheel zal worden toegewezen.

Het gevorderde bedrag van € 1.616,00 aan immateriële schade komt het hof billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht .

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen te geven door GGZ Reclassering Palier, ook als dat inhoudt dat de veroordeelde meewerkt aan urinecontroles en dat dat de veroordeelde zich onder behandeling stelt bij de forensische polikliniek te Haarlem of een soortgelijke instelling.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.953,65 (drieduizend negenhonderddrieënvijftig euro en vijfenzestig cent) bestaande uit € 2.337,65 (tweeduizend driehonderdzevenendertig euro en vijfenzestig cent) materiële schade en € 1.616,00 (duizend zeshonderdzestien euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.953,65 (drieduizend negenhonderddrieënvijftig euro en vijfenzestig cent) bestaande uit € 2.337,65 (tweeduizend driehonderdzevenendertig euro en vijfenzestig cent) materiële schade en € 1.616,00 (duizend zeshonderdzestien euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 49 (negenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.F. Gerding, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. M.W. Groenendijk, in tegenwoordigheid van mr. N. de Visser, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 februari 2016.

Mr. J.W.H.G. Loyson is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[.]


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature