Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Rijontzegging en gevangenisstraf voor veroorzaker verkeersongeval met dodelijke afloop.

Uitspraak



parketnummer: 23-004366-15

datum uitspraak: 25 april 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 15 oktober 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15/716022-13 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 april 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 06 december 2013 in de gemeente Zaanstad als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Thorbeckeweg te Zaandam, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt:

verdachte heeft, na het gebruik van alcolhoudende drank, gereden met een personenauto waarvan één of meer (achter)band(en) niet of nauwelijks profilering had(den) op een nat en/of glad wegdek en/of met een snelheid die (veel) hoger was dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 80 kilometer per uur en/of is (vervolgens) een voor hem rijdende personenauto gaan inhalen en/of voorbij gaan rijden en/of is (vervolgens) in een slip geraakt en/of de berm ingereden en/of (vervolgens) tegen een in die berm staande boom gebotst of aangereden, waardoor de passagier van zijn personenauto, genaamd [slachtoffer] , werd gedood

zulks terwijl het alcoholgehalte van zijn, verdachtes bloed, bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994 , 0,2 gram per mililiter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum dat voor hem, verdachte, voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven, geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van dat rijbewijs na 30 maart 2002 had plaatsgevonden;

subsidiair:

hij op of omstreeks 06 december 2013 in de gemeente Zaanstad als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Thorbeckeweg te Zaandam, heeft gehandeld als volgt: verdachte heeft, na het gebruik van alcolhoudende drank, gereden met een personenauto waarvan één of meer (achter)band(en) niet of nauwelijks profilering had(den) op een nat en/of glad wegdek en/of met een snelheid die (veel) hoger was dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 80 kilometer per uur en/of is (vervolgens) een voor hem rijdende personenauto gaan inhalen en/of voorbij gaan rijden en/of is (vervolgens) in een slip geraakt en/of de berm ingereden en/of (vervolgens) tegen een in die berm staande boom gebotst of aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd

zulks terwijl het alcoholgehalte van zijn, verdachtes bloed, bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994 , 0,2 gram per mililiter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum dat voor hem, verdachte, voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven, geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van dat rijbewijs na 30 maart 2002 had plaatsgevonden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank.

Bespreking van de terechtzitting gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

a. a) De verklaringen van de getuigen zijn dermate uiteenlopend en tegenstrijdig dat deze voor het bewijs niet bruikbaar zijn. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van hetgeen is verklaard omtrent de vragen naar de door de verdachte gereden snelheid, de rijstrook waarop diens voertuig reed, of het wegdek wit was of niet, of er bandensporen te zien waren en of er is ingehaald en in welke richting het voertuig (linksom of rechtsom) roteerde nadat de verdachte de macht over het stuur verloor. Daarnaast heeft de getuige [getuige 1] [hierna: [getuige 1] ] zijn verklaring een week na het ongeval afgelegd en heeft hij informatie uit de media gehaald en van de politie vernomen.

b) Niet kan worden vastgesteld met welke snelheid het voertuig van de verdachte daadwerkelijk heeft gereden en of deze snelheid hoger is geweest dan de maximumsnelheid van 80 km per uur. In het VOA-verslag [het hof begrijpt: het proces-verbaal van VerkeersOngeval Analyse, p. 35, hierna: het proces-verbaal van VOA] wordt vermeld dat een aantal sporen zijn aangetroffen ‘..die mogelijk (?) iets (?) kunnen zeggen over de gereden snelheid’. Daarnaast wordt in dat verslag toegegeven dat ‘..een aantal variabelen niet bekend zijn geworden’. In het verslag worden slechts aannames gedaan. Deze aannames zijn nogal divers van aard. Met betrekking tot de botsing tegen de boom wordt gesteld dat botsproeven bij een snelheid van 60 kilometer per uur vergelijkbare schade opleveren. Uiteindelijk wordt gesteld dat de snelheid tussen de 97 en 106 kilometer per uur zal hebben gelegen. In het proces-verbaal van VOA wordt meerdere malen benadrukt dat het slechts een indicatieve snelheid betreft en dat de werkelijke snelheid ‘...eerder in de buurt ligt van hetgeen door getuige [getuige 2] [het hof leest: [getuige 2] ] gesteld wordt’. Op grond van dit alles kan geconcludeerd worden dat diegenen die het onderzoek hebben uitgevoerd, de uitkomst(en) ervan zelf in slechts geringe mate als waarheidsgetrouw beschouwen en voorts dat de snelheden die naar voren komen uit respectievelijk het proces-verbaal van VOA en de door F. [getuige 2] [hierna: [getuige 2] ] gerapporteerde snelheid, niet overeenkomen. Immers, volgens de betrokken verbalisant is de indicatieve snelheid juist verschillend ten opzichte van de snelheid waarover [getuige 2] heeft verklaard. Dat de verdachte daadwerkelijk te hard heeft gereden kan dan ook niet worden vastgesteld. Subsidiair is aangevoerd dat de loutere vaststelling dat de verdachte te hard heeft gereden – zonder dat (voldoende) vaststaat in welke mate de overschrijding heeft plaatsgevonden – niet leidt tot de conclusie dat daarmee sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet [naar het hof hier en verder begrijpt: Wegenverkeerswet 1994].

c) Gezien het gebrekkige onderzoek in het VOA-verslag [het hof begrijpt hier: het proces-verbaal van technisch onderzoek, p. 49 e.v.], kan niet met zekerheid worden vastgesteld of er een causaal verband is tussen de profilering van de banden en de vermeende gladheid enerzijds en het ongeval anderzijds. Zelfs indien wel ervan uit wordt gegaan dat de profilering van de band direct heeft geleid tot het ongeval, geldt dat de verdachte zijn auto in 2013 in Turkije heeft laten opknappen en zodoende wel degelijk zorg heeft betracht ten aanzien van de staat van de auto. Onvoldoende profilering van de banden kan overigens blijkens jurisprudentie alleen tot grove schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 leiden in combinatie met andere onvoorzichtigheden.

d) Nu een overschrijding van de maximale snelheid niet onomstotelijk is vastgesteld, kan de gestelde gladheid ook niet worden gekoppeld aan enige vorm van onvoorzichtigheid. Daar komt nog bij dat de verdachte niet wist dat het glad was; hij heeft zich daarop verkeken. Hij was pas kort buiten en het is aannemelijk dat hij niets van de hagelbui heeft meegekregen nu hij uren achter elkaar binnen heeft gezeten. Hij was mogelijk onaangenaam verrast door deze omstandigheid op de weg. Zelfs indien ervan uit wordt gegaan dat de verdachte had behoren te weten dat het glad was, geldt dat uit het dossier blijkt dat het had gehageld op het moment dat de verdachte zich nog niet op de weg bevond en zich ook niet bewust kon zijn van de ontstane weersituatie. De verdachte komt dan ook een beroep op dwaling (AVAS) ten aanzien van deze omstandigheid toe. Het gaat te ver om eventuele (verschuldigbare) onwetendheid van de verdachte als grove en of aanmerkelijke onvoorzichtigheid te betitelen.

e) Ten aanzien van de ten laste gelegde omstandigheid dat de verdachte verkeerde onder invloed van alcohol geldt dat de ratio van de wettelijke norm is dat de rijvaardigheid mogelijk nadelig wordt beïnvloed zodra men boven de norm komt. Slechts vanaf dat moment is sprake van “onder invloed zijn”. Tevens kan op dat moment gezegd worden dat de desbetreffende persoon zich niet heeft gedragen zoals van een automobilist verwacht wordt. De verdachte heeft zich wél aan die norm gehouden nu hij daaronder is gebleven. Uit jurisprudentie blijkt daarnaast dat een minimale overschrijding ‘geen invloed heeft op het schuldcriterium in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994’.

Het hof verwerpt de gevoerde verweren en overweegt hieromtrent als volgt.

Getuigenverklaringen

De verschillen tussen de verklaringen van de onderscheiden getuigen zijn grotendeels terug te voeren op hun uiteenlopende posities op de weg, hun onderscheidene rijrichtingen en het aanvangsmoment van hun waarnemingen. Met de raadsman leidt het hof uit de door [getuige 1] tegenover de rechter-commissaris op 25 september 2014 afgelegde verklaring af dat [getuige 1] omtrent het ongeval informatie heeft gekregen van de politie, maar ook dat hij deze informatie pas heeft gekregen nadat hij door de politie was gehoord. Verder is uit de verklaring van 25 september 2014 naar voren gekomen dat [getuige 1] zich voor het afleggen van een verklaring bij de politie heeft gemeld nadat hij een krantenartikel over het ongeval had gelezen, maar buiten de enkele opmerking dat ‘dit de betrouwbaarheid van zijn verklaring niet ten goede komt’ is gesteld noch gebleken dat (en zo ja, op welke wijze) het lezen van dit artikel invloed heeft gehad op de door [getuige 1] ten overstaan van de politie afgelegde verklaring. Er zijn dan ook geen beletselen voor het gebruik van deze en de overige getuigenverklaringen voor het bewijs.

Snelheid

De in het proces-verbaal van VOA beschreven rij- en botsproeven zijn niet in zodanige mate gebaseerd op aannames dat aan de indicatief geachte snelheid geen bewijswaarde kan worden toegekend. Bovendien sluit de snelheid die [getuige 2] in zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft genoemd aan bij de in het proces-verbaal van VOA beredeneerde snelheid. Het hof gaat dan ook ervan uit dat de verdachte heeft gereden met een snelheid die royaal hoger is geweest dan de maximumsnelheid ter plaatse van 80 kilometer per uur en daarmee veel harder heeft gereden dan gelet op de situatie op de weg verantwoord was.

Weersgesteldheid en gesteldheid wegdek

Het hof stelt op basis de gebezigde bewijsmiddelen vast dat het op 6 december 2013 kort voor het ontstaan van het ongeval gehageld had en dat het wegdek glad was. Indien en voor zover de verdachte dit niet is opgevallen, spreekt daar – mede gelet op de inhoud van de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] – uit dat de verdachte op dit punt zeer onoplettend is geweest; daarmee strandt het beroep op dwaling.

Toestand achterband

Vast staat dat één van de achterbanden van de door de verdachte bestuurde auto nauwelijks profilering had. Hetgeen de raadsman ten aanzien van dit laatste heeft aangevoerd kan de verdachte niet disculperen. Immers, de verdachte heeft verklaard ervan op de hoogte te zijn geweest dat op 25 februari 2013 bij een Algemeen Periodieke Keuring als aandachtpunt was genoteerd dat er banden waren met een profieldiepte van 1,6 tot 2,5 millimeter. De verdachte had zich er voor de fatale rit van moeten vergewissen dat de banden in voldoende staat verkeerden.

Causaal verband

Het hof is van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat het ongeval is veroorzaakt door het samenstel van de door de verdachte geschonden normen, te weten het rijden met een (flink) te hoge snelheid in een auto waarvan een achterband in gemankeerde toestand verkeerde, terwijl het had gehageld en het wegdek glad was, en dat dit samenstel van dien aard is dat het ontstaan van het ongeval redelijkerwijs kan worden toegerekend aan de bovenvermelde gedragingen van de verdachte, waarbij het hof tevens in aanmerking heeft genomen dat de verdachte, zoals is gebleken, behoorlijk vermoeid was en tevoren alcohol had genuttigd.

Besluit

De tot vrijspraak strekkende verweren worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:

hij op 06 december 2013 in de gemeente Zaanstad als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Thorbeckeweg te Zaandam, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, te handelen als volgt:

verdachte heeft/is, na het gebruik van alcoholhoudende drank, gereden met een personenauto waarvan één achterband nauwelijks profilering had op een nat en glad wegdek en met een snelheid die veel hoger was dan de aldaar toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur en is een voor hem rijdende personenauto gaan inhalen en is in een slip geraakt en de berm ingereden en tegen een in die berm staande boom gebotst, waardoor de passagier van zijn personenauto, genaamd [slachtoffer] , werd gedood.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is (ook overigens) geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en onder het stellen van algemene en bijzondere voorwaarden zoals in het vonnis vervat. Daarnaast heeft de rechtbank de verdachte een rijontzegging voor de duur van 2 jaren opgelegd. De rechtbank heeft het verkeersgedrag van de verdachte daarbij aangemerkt als zeer onvoorzichtig en onoplettend.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en tot een rijontzegging voor de duur van 2 jaren. Hij heeft het verkeersgedrag van de verdachte, net als de rechtbank, aangemerkt als zeer onvoorzichtig en onoplettend.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich als bestuurder van een auto aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen waardoor hij een ongeval heeft veroorzaakt als gevolg waarvan een inzittende is komen te overlijden. Aldus is de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar en onpeilbaar leed aangedaan, hetgeen ook op tastbare wijze is gebleken uit de verklaring die de vader van het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd en uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de zus van het slachtoffer die zich in het dossier bevindt. Familie en vrienden zullen het slachtoffer voor altijd moeten missen.

Het hof realiseert zich dat geen straf recht kan doen aan het verlies en het verdriet dat het overlijden van het slachtoffer heeft veroorzaakt. Benadrukt moet echter ook worden dat in zaken zoals deze voor de aard en de omvang van de op te leggen straf niet alleen de gevolgen – die zeer tragisch zijn

geweest – maatgevend zijn, maar ook de omvang van het schuldverwijt dat aan de verdachte kan worden gemaakt.

Het hof heeft gelet op de straffen die ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 plegen te worden opgelegd in gevallen waarin (zoals hier) sprake is van een grove verkeersfout en waarin een dodelijk slachtoffer te betreuren is. Deze straffen hebben hun weerslag gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin een gevangenisstraf van 6 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren worden genoemd. Het hof zal deze straffen tot uitgangspunt nemen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 maart 2016 is jegens de verdachte twee keer eerder een strafbeschikking uitgevaardigd wegens een verkeersmisdrijf; gebleken is dat de verdachte bij één van die gevallen onder invloed met een auto een winkelpand is ingereden. Dat hij uit een en ander geen lering heeft getrokken, wordt sterk in zijn nadeel gewogen en vormt aanleiding de verdachte en hogere gevangenisstraf op te leggen dan die in de Oriëntatiepunten is genoemd. Aangezien de verdachte op het vlak van verkeersmisdrijven kennelijk een recidiverisico in zich bergt, zal een deel daarvan in voorwaardelijke vorm worden opgelegd, zulks teneinde de verdachte ertoe te bewegen zich in de toekomst te onthouden van verkeersgevaarlijk gedrag.

Dat, zoals is aangevoerd, de verdachte door na te noemen strafoplegging het risico loopt om zijn betrekking te verliezen, is door het hof onder ogen gezien, maar deze factor legt in deze zaak onvoldoende gewicht in de schaal om het onvoorwaardelijk deel van de vrijheidsstraf verder naar beneden bij te stellen.

Voor het stellen van bijzondere voorwaarden zoals de rechtbank heeft gedaan ziet het hof, gelet op het verhandelde op de terechtzitting in hoger beroep, niet langer aanleiding.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.141,20. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep terzake van materiële schade toegewezen tot een bedrag van € 8.755,25. Daarnaast is een bedrag van € 25,30 aan reiskosten voor vergoeding in aanmerking gebracht. Deze benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en ter zake daarvan tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht, in geval van vrijspraak, de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren. Zijdens de verdachte is aldus de aansprakelijkheid voor de schadeveroorzakende gebeurtenis betwist. Het ontstaan van de schade, het causale verband met die gebeurtenis en de omvang van de schade is echter niet weersproken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden in de vorm van uitvaart- en grafkosten tot een bedrag van € 8.755,25 en in de vorm van reiskosten, groot € 25,30. Gelet op de gemotiveerde stellingen van deze benadeelde partij, die zijdens de verdachte niet zijn betwist (in het bijzonder ook niet voor wat betreft het ontstaan en de hoogte van deze materiële schade en de causale relatie met het bewezen verklaarde) ligt dit deel van de vordering voor toewijzing gereed. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het bedrag van € 8.755,25 zal worden vermeerderd met wettelijke rente – gelet op de nota van SICN-CYF – berekend vanaf 2 januari 2014 en het bedrag van € 25,30 zal worden vermeerderd met wettelijke rente berekend vanaf de dag van de terechtzitting in eerste aanleg.

Voor het overige – de kosten voor een herdenkingsbijeenkomst – is het hof van oordeel dat de vordering thans onvoldoende is onderbouwd en dat het een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert om de benadeelde partij [benadeelde 1] in deze fase van het strafproces alsnog in de gelegenheid te stellen hieromtrent nader bewijs bij te brengen. In zoverre kan deze benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd en heeft onder andere verzocht om vergoeding van proceskosten ter hoogte van € 973,49, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze kosten zijn door de rechtbank toegewezen. Voor het overige heeft de rechtbank deze benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering, voor zover ziend op de proceskosten, zal toewijzen en ter zake daarvan de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Zijdens de verdachte is deze vordering niet betwist.

Het hof overweegt dat uit het verhandelde op de terechtzitting in eerste aanleg is gebleken dat de schadeposten die door de benadeelde partijen die zich in deze zaak hebben gevoegd – de vader en de moeder van het slachtoffer – zijn opgevoerd elkaar deels overlappen. Vanwege dit laatste is de vordering van [benadeelde 2] op de terechtzitting in eerste aanleg bij monde van haar gemachtigde beperkt. Het hof leidt uit het verhandelde op die zitting en uit het dossier verder af dat de benadeelde partijen in verband met hun respectieve vorderingen gezamenlijk rechtsbijstand hebben genoten van mr. Z. Ikiz en dat de kosten daarvan – kennelijk – voor rekening van [benadeelde 2] zijn gekomen. Bij deze stand van zaken en nu de vordering van [benadeelde 1] goeddeels wordt toegewezen acht het hof het aangewezen om de verdachte tot vergoeding van de door [benadeelde 2] opgevoerde proceskosten te verplichten, niettegenstaande het feit dat zij in eerste aanleg in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk is verklaard.

Anders dan de advocaat-generaal veronderstelt, kan de schadevergoedingsmaatregel niet worden opgelegd ter zake van proceskosten (Hoge Raad 19 maart 2002, NJ 2002/497).

De rechtbank is er terecht niet toe overgegaan de voor vergoeding in aanmerking gebrachte proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente. Deze rente kan pas worden toegewezen als de schuldenaar – de verdachte – in verzuim is met betrekking tot deze als zelfstandig te beschouwen verbintenis tot het betalen van een geldsom.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 .

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 v óór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 973,49 (negenhonderddrieënzeventig euro en negenenveertig cent).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 8.780,55 (achtduizend zevenhonderdtachtig euro en vijfenvijftig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat het bedrag van € 8.755,25 (achtduizend zevenhonderdvijfenvijftig euro en vijfentwintig cent) aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat het bedrag van 25,30 (vijfentwintig euro en dertig cent) aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 8.780,55 (achtduizend zevenhonderdtachtig euro en vijfenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 78 (achtenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de betalingsverplichting van een bedrag van € 8.755,25 (achtduizend zevenhonderdvijfenvijftig euro en vijfentwintig cent) ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de betalingsverplichting van een bedrag van 25,30 (vijfentwintig euro en dertig cent) ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong , mr. A.M. van Woensel en mr. R.A.F. Gerding, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 april 2016.

mr. A.M. van Woensel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature