Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Niet voldaan aan urencriterium; geen recht op ondernemersfaciliteiten (zelfstandigenaftrek en MKB-vrijstelling). Voorts hebben een deel van de opgevoerde kosten geen zakelijk karakter.

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 13/00334

25 augustus 2015

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 12/5006 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 30 september 2011 aan belanghebbende voor het jaar 2008 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.285.

1.2.

Na tegen de hiervoor gemelde belastingaanslag gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 15 oktober 2012, die belastingaanslag gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 26 april 2013 heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 30 mei 2013. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op 30 juni 2015 is een ‘pleitnota’ ontvangen van belanghebbende. Bij brief van 6 juli 2015 is daarop door de inspecteur gereageerd. Voorgenoemde stukken zijn over en weer in afschrift naar partijen gezonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft - voor zover in hoger beroep van belang - de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“2.1. Eiseres is geboren in 1945. Zij is ongehuwd.

2.2.

Eiseres is sinds 1967 werkzaam als omroepster, presentator, verslaggever, commentaarstem en voice-over voor verschillende radio-en televisieprogramma’s. […]

2.4.

Eiseres heeft een jaaropgave 2008 overgelegd van [A] . Hierop staat een overzicht van alle data waarop werkzaamheden zijn verricht met de bijbehorende betalingen. De betreffende opdrachtgevers zijn handmatig toegevoegd. Op deze jaaropgave zijn de volgende totaalbedragen opgenomen:

Bruto bruto gage 38.007

Bruto loon SV 32.834

Opbrengst overig werk (loon LB) 32.125

Ingehouden loonbelasting 10.794

Netto gage 21.331

2.5.

Verweerder heeft eiseres bij brief van 12 mei 2011 meegedeeld dat hij voornemens is een aanslag op te leggen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 41.286. Verweerder heeft daarbij van de geclaimde kostenaftrek van € 6.854 een bedrag van € 4.670 gecorrigeerd en derhalve € 2.184 aan kosten in aftrek toegelaten.

2.6.

Eiseres heeft als reactie daarop bij brief van 24 mei 2011 aangevoerd dat de arbeidsinkomsten kwalificeren als winst uit onderneming en heeft op 5 juli 2011 een vierde aangifte over 2008 ingediend, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.942. In deze aangifte is een bedrag van € 16.987 als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking en een bedrag van € 16.410 als winst uit onderneming aangegeven. Dit bedrag is als volgt berekend:

Saldo fiscale winstberekening 27.237

Zelfstandigenaftrek 6.968 -/-

Startersaftrek 2.035 -/-

MKB-winstvrijstelling 1.824 -/-

16.410

Eiseres heeft als bijlage bij deze aangifte een deel van de jaarstukken overgelegd, onder meer de volgende specificaties op de resultatenrekening:

Netto omzet

[A] 32.126

Andere kosten

[…]

5.687 798 -/-

De fiscale winst van € 27.237 is derhalve als volgt berekend: 32.126 -/- 5.687 + 798

2.7.

Verweerder heeft met dagtekening 30 september 2011 de aanslag ib/pvv over 2008 opgelegd conform het voornemen als weergegeven in de brief van 12 mei 2011.

2.8.

Eiseres heeft tegen deze aanslag een bezwaarschrift ingediend.

2.9.

Eiseres heeft bij brief van 29 mei 2012 een spreadsheet overgelegd waarop per week de gewerkte uren met bijbehorende werkzaamheden staan vermeld [Hof: verder het Urenoverzicht]. Dit overzicht leidt tot een totaal aan de onderneming bestede uren van 1.584. […]

Nu partijen geen bezwaren tegen bovenstaande feiten hebben aangevoerd gaat ook het Hof daarvan uit. Het Hof voegt daaraan nog het volgende toe.

2.2.

In 2008 heeft belanghebbende voor 15 opdrachtgevers de werkzaamheden als bedoeld onder 2.4 in de rechtbankuitspraak verricht (verder de Werkzaamheden).

2.3.

De Werkzaamheden zijn in 2008 voor de volgende opdrachtgevers verricht:

Opdrachtgever

Locatie

1. [B]

[1]

2. [C]

[2]

3. [D]

[3]

4. [E]

[2]

5. [F]

[4]

6. [G]

[5]

7. [H]

[2]

8. [I]

[2]

9. [J]

[1]

10. [K]

[1]

11. [L]

[6]

12. [M]

[7]

13. [N]

[2]

14. [O]

[1]

15. [P]

[8]

2.4.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende de Werkzaamheden - kort en zakelijk weergegeven - als volgt toegelicht: Voor [B] en [E] sprak ik door de opdrachtgever opgestelde berichten voor het telefonische keuzemenu in. Bij [C] kondigde ik buiten beeld programma’s aan en/of af. Voor de overige opdrachtgevers sprak ik teksten in. Die teksten dienden soms als begeleidende tekst bij beelden. Als dit laatste het geval was, was het belangrijk dat de tekst de juiste lengte had en bij het juiste beeld op exact het goede moment werd ingesproken. Alsdan kwam het voor dat de vooraf geschreven tekst enige aanpassing behoefde.

Voor [C] was ik geregeld ook ‘stand by’. Ik was dan oproepbaar om politieberichten en dergelijke voor te lezen.

2.5.

Voor de facturering van de Werkzaamheden heeft belanghebbende een overeenkomst gesloten met [A] . Op basis van die overeenkomst stuurde laatstgenoemd bedrijf facturen aan de opdrachtgevers aan de hand van gegevens die belanghebbende haar verstrekte.

[A] betaalde belanghebbende uit nadat de opdrachtgever de factuur betaald had. Op die uitbetaling hield zij onder meer loonbelasting in (zie rechtbankuitspraak onder 2.4).

2.6.

Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij aan het urencriterium voldeed, heeft belanghebbende het Urenoverzicht ingebracht. Dit overzicht heeft belanghebbende in 2011 of 2012 aan de hand van haar agenda en de gegevens van [A] opgesteld.

In dit overzicht heeft belanghebbende de Werkzaamheden als volgt uitgesplitst (met in de eerste kolom de door belanghebbende gebruikte omschrijving van de bezigheden en in de tweede kolom de in totaal aan die bezigheden - volgens belanghebbende - bestede uren):

Omschrijving van de Werkzaamheden

Aantal uren

voorbereiden betaalde optredens

243

reistijd optredens (on)betaald

214

optreden/concert (on)betaald

714

administratie

117

telefoneren collega’s/leerlingen

94

besprekingen adviseur/collega’s

4

stand-by diensten politieberichten onbetaald

198

uren freelance/zelfstandig

1.584

2.7.

Als beloning voor de Werkzaamheden heeft belanghebbende in 2008 de volgende bedragen ontvangen:

 van [B]

€ 5.222

 van [C]

€ 24.706

 van de overige opdrachtgevers

€ 8.080

Totaal

€ 38.008

Laatstgenoemd bedrag wordt in de rechtbankuitspraak onder 2.4 als ‘Bruto bruto gage’ omschreven.

2.8.

De inspecteur heeft bij de aanslagregeling de opbrengst van de Werkzaamheden als ‘belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden’ (ex art. 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001; verder Wet IB) aangemerkt.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is in geschil:

of belanghebbende ter zake van de Werkzaamheden recht heeft op de zelfstandigenaftrek (ex art. 3.76 van de Wet IB) en MKB-vrijstelling (ex art. 3.79a van de Wet IB);

of belanghebbende recht heeft op een hogere aftrek aan kosten dan € 2.184, zijnde het bedrag dat de inspecteur bij de aanslagregeling heeft geaccepteerd (zie rechtbankuitspraak onder 2.5);

of belanghebbende recht heeft op een zogenaamde immateriële schadevergoeding.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Rechtsoverwegingen rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“3.1 In geschil is of de inkomsten van eiseres [uit de Werkzaamheden] als winst uit onderneming kunnen worden aangemerkt. Indien deze vraag positief wordt beantwoord, is de berekening van het belastbaar inkomen in geschil. […]

4.1.

Ingevolge artikel 3.8 van de Wet IB 2001 wordt onder winst uit onderneming verstaan het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming. Volgens artikel 3.5, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt onder onderneming mede verstaan het zelfstandig uitgeoefende beroep.

4.2.

Voor de kwalificatie van zelfstandige beroepsuitoefening is bepalend of de werkzaamheden zelfstandig worden verricht en of er ondernemersrisico wordt gelopen. Ten aanzien van dit laatste criterium is mede van belang of slechts incidenteel opdrachten worden aanvaard of dat wordt gestreefd naar continuïteit in het verkrijgen van verschillende opdrachten.

4.3.

De rechtbank overweegt dat sinds eiseres als omroepster werkzaam is haar ondernemerschap nooit ter discussie heeft gestaan. Van aanvang af is zij door de Belastingdienst als ondernemer aangemerkt, althans haar ondernemerschap is door verweerder nimmer bestreden. Aan de inhoud van haar werkzaamheden noch aan de omstandigheden waaronder zij die verricht (waaronder het risico dat zij loopt ten aanzien van de betalingen) is enige wijziging opgetreden, behalve dat er over de jaren een fluctuatie in de hoogte van de inkomsten is te zien. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiseres in het jaar 2008 ondernemersrisico liep in gelijke zin als in de voorgaande jaren en zij ook overigens de werkzaamheden heeft verricht in de zelfstandige uitoefening van een beroep. Het enkele feit dat op de internetsite ‘ [Q] ’ staat vermeld dat zij het niet erg vindt dat het aanbod van opdrachtgevers ten gevolge van bezuinigingen afneemt, maakt dat niet anders. Ter zitting heeft eiseres ook uitdrukkelijk bestreden dat zij voornemens was haar onderneming te staken dan wel af te bouwen.

Eiseres heeft als verklaring voor het feit dat zij met ingang van 2006 als ondernemer was afgevoerd en geen aangiftes omzetbelasting meer deed, aangegeven dat zij niet meer gebruik wilde maken van haar toenmalige boekhouder en de administratie in handen heeft gegeven van [A] , die echter uitsluitend de inhoudingsplicht van de opdrachtgever overneemt. Deze omstandigheid geeft de rechtbank evenwel geen aanleiding voor een andere kwalificatie van haar werkzaamheden. De verloning vloeide immers louter voort uit de wettelijke fictie met betrekking tot de inhoudingsplicht van artiesten in combinatie met de afwezigheid van een VAR-verklaring ‘winst uit onderneming’.

De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen grond is de werkzaamheden van eiseres op andere wijze te kwalificeren dan in de jaren vóór 2006. Dat betekent dat de inkomsten van eiseres voortvloeiende uit haar werkzaamheden als omroepster als winst uit onderneming moeten worden aangemerkt.

4.4.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of de belaste inkomsten niet te hoog zijn vastgesteld.

Verweerder betoogt dat moet worden uitgegaan van de bruto bruto gage van € 38.007 en eiseres meent dat een winst van € 32.126 tot uitgangspunt moet worden genomen.

Eiseres heeft daarop een bedrag van € 6.854 aan kosten in aftrek gebracht. Verweerder heeft daarvan een gedeelte, groot € 2.184 als aftrekbare kosten geaccepteerd, omdat de overige kosten privé-uitgaven betroffen. Nu eiseres tegen deze correctie noch in bezwaar noch in beroep grieven heeft aangevoerd, zal de rechtbank verweerder hierin volgen.

Voorts heeft eiseres, voor zover thans nog van belang de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling geclaimd. Met betrekking tot deze twee ondernemersfaciliteiten geldt het volgende.

De artikelen 3.76 en 3.79a van de Wet 2001 bepalen dat de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling gelden voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet. Op grond van artikel 3.6, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt – voor zover van belang – onder het urencriterium verstaan: het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1.225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet. De bewijslast dat is voldaan aan het urencriterium berust bij eiseres. Eiseres heeft daartoe een spreadsheet met een overzicht van per week aan de onderneming besteedde uren overgelegd. Het dossier bevat thans (en na tardief-verklaring van de ter zitting meegebrachte stukken) geen onderbouwing met betrekking tot deze uren. Niet in geschil is dat eiseres dit overzicht jaren nadien heeft gereconstrueerd aan de hand van onder meer haar agenda. De rechtbank is van oordeel dat louter dit overzicht onvoldoende controleerbaar is en acht eiseres daarmee niet geslaagd aannemelijk te maken dat zij de daarop genoteerde uren metterdaad ten behoeve van de onderneming heeft gemaakt.

Het oordeel van de rechtbank dat eiseres niet aan het urencriterium voldoet, brengt met zich dat zij niet in aanmerking komt voor de toepassing van de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.

Tot slot is niet in geschil dat eiseres in 2008 een bedrag van € 16.987 aan inkomsten uit vroegere dienstbetrekking heeft genoten en dat recht bestaat op een aftrek eigen woning van € 5.455.

Het voorgaande leidt tot de volgende berekening van het belastbaar inkomen. De rechtbank gaat daarbij gemakshalve uit van de door eiseres voorgestane winst van € 32.126.

- winst € 32.126

- kosten € 2.184 -/-

Saldo fiscale winst € 29.942

Inkomsten vroegere dienstbetrekking € 16.987

Eigen woning € 5.455 -/-

Belastbaar inkomen box 1 € 41.474

Nu deze berekening al leidt tot een hoger belastbaar inkomen dan het belastbaar inkomen van € 41.285 waarop de in geding zijnde aanslag is gebaseerd, laat de rechtbank in het midden of een bedrag aan winst van € 32.126 dan wel van € 38.007 tot uitgangspunt moet worden genomen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld.

4.5.

Het beroep tegen de beschikking heffingsrente heeft eiseres niet afzonderlijk onderbouwd. Omdat het beroep niet leidt tot een vermindering van de belastingaanslag, zal het beroep tegen de beschikking heffingsrente eveneens ongegrond worden verklaard.

4.6.

Op grond van het vorenstaande zal het beroep ongegrond worden verklaard.”

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1.

Eerste geschilpunt: heeft belanghebbende recht op genoemde ondernemersfaciliteiten?

5.1.1.

Belanghebbende heeft uitsluitend recht op de in geschil zijnde ondernemersfaciliteiten ingeval het Hof tot het oordeel komt (1) dat de inkomsten die belanghebbende met de Werkzaamheden verwerft als winst uit onderneming kunnen worden getypeerd, én (2) belanghebbende aan het urencriterium (als bedoeld in art. 3.6 van de Wet IB) voldoet (zie de artikelen 3.76, eerste lid, respectievelijk 3.79a, eerste lid, van de Wet IB; tekst 2008)

Om pragmatische redenen zal het Hof allereerst beoordelen of belanghebbende aan laatstgenoemd criterium voldoet.

5.1.2.

Artikel 3.6 van de Wet IB luidt voor zover ten deze van belang (cursivering wetgever):

“1. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder urencriterium: het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet […]”

5.1.3.

Belanghebbende - op wie ter zake de bewijslast rust - heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat zij aan het urencriterium voldoet onder andere het Urenoverzicht ingebracht en de Werkzaamheden ter zitting van het Hof nader toegelicht (zie 2.4).

5.1.4.

De inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat belanghebbende aan het urencriterium voldoet. Zijns inziens heeft belanghebbende met het jaren na 2008 opgestelde Urenoverzicht niet aannemelijk gemaakt dat zij in 2008 ten minste 1.225 uren aan de Werkzaamheden heeft besteed. De inspecteur acht wel aannemelijk gemaakt dat belanghebbende 714 uren aan ‘optredens’ heeft besteed.

5.1.5.

In dit kader acht het Hof het volgende van belang.

5.1.5.1. Het Hof stelt voorop dat aangenomen kan worden dat het Urenoverzicht - dat ziet op 2008 en in 2011 of 2012 is opgesteld aan de hand van belanghebbendes agenda en de gegevens van het bedrijf dat de facturen voor de Werkzaamheden verstuurde - niet berust op recente, gedetailleerde herinneringen van belanghebbende, maar op vage herinneringen, veronderstellingen en schattingen. Mitsdien kent het Hof aan het Urenoverzicht - met uitzondering van dat deel dat betrekking heeft op ‘optreden/concert’ (in totaal 714 uren; zie 2.6) - slechts beperkte bewijskracht toe. Dit geldt met name voor het aantal indirecte uren dat onder ‘voorbereiden betaalde optredens’ (243 uren), ‘administratie’ (117 uren) en ‘telefoneren collega’s/leerlingen’ (94 uren) is vermeld (zie 2.6).

5.1.5.2. Specifiek met betrekking tot het in het Overzicht vermelde aantal uren dat aan ‘voorbereiden betaalde optredens’ (243 uren) is besteed, overweegt het Hof daarnaast dat het uit belanghebbendes ter zitting afgelegde verklaring afleidt dat een substantieel deel van de Werkzaamheden bestond uit het inspreken van - vooraf door haar opdrachtgever opgestelde - teksten. Niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende, mede gelet op haar langdurige ervaring en het geregeld op de locatie (pas) uitgereikt krijgen van de in te spreken tekst, voor die werkzaamheden veel tijd aan voorbereiding kwijt was.

Belanghebbende heeft voorts verklaard dat zij ingeval haar ‘optreden’ relatief veel voorbereiding vergde en/of de Werkzaamheden uit meer dan het louter inspreken van teksten bestonden, de uren die zij aan het voorbereiden van haar werkzaamheden besteedde in de regel kon declareren (zodat die uren onder ‘optreden/concert’ in het Urenoverzicht zullen zijn opgenomen).

Op basis van dit een en ander komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij naast de voorbereidingstijd die zij kon declareren, nog 243 uren aan ‘voorbereiden betaalde optredens’ besteedde.

5.1.5.3. Met betrekking tot de ‘stand-by diensten politieberichten onbetaald’ heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat die diensten kort gezegd inhielden dat belanghebbende op afroep beschikbaar moest zijn om in bepaalde situaties als omroeper voor TV of radio berichten voor te lezen en dat in geval belanghebbende opgeroepen werd zij haar uren kon declareren, zodat de in dit kader feitelijk gewerkte uren onder ‘optreden/concert’ (in totaal 714 uren; zie 2.6) zijn begrepen. Op basis hiervan concludeert het Hof dat de ‘stand-by diensten’ niet als werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet IB kunnen meetellen. Immers het - onbetaald - op afroep beschikbaar zijn om gedurende een aantal uren of dagen in een bepaalde periode bepaalde omroepwerkzaamheden te verrichten, kan niet worden aangemerkt als het ‘besteden’ van uren aan werkzaamheden.

5.1.6.

Op basis van het onder 5.1.5 overwogene, alles tezamen genomen en in onderling verband bezien, concludeert het Hof dat belanghebbende niet aannemelijk gemaakt heeft dat zij gedurende 2008 tenminste 1.225 uren aan de Werkzaamheden heeft besteed.

5.1.7.

Voorgaande rechtsoverweging houdt, gelet op hetgeen is uiteengezet in 5.1.1, in dat belanghebbende geen recht heeft op de in geschil zijnde ondernemersfaciliteiten.

5.2.

Tweede geschilpunt: hoogte van belanghebbendes zakelijke kosten.

5.2.1.

Ter zake van de Werkzaamheden stelt belanghebbende naar het Hof begrijpt - € 5.687 aan kosten te hebben gemaakt. Deze kosten heeft zij als volgt gespecificeerd:

 werkkleding

€ 1.263

 kapper

€ 609

 krant

€ 150

 kantoorartikelen

€ 208

 boeken

€ 252

 mobiele telefoon

€ 926

 vaste telefoon

€ 1.729

 tarotopleiding

€ 160

 reiskosten tarot

€ 80

 reiskosten [C]

€ 310

5.2.2.

De inspecteur heeft hiervan € 2.184 geaccepteerd. Dit heeft hij in een brief aan belanghebbendes gemachtigde als volgt toegelicht:

“-kosten kleding […]

Het gaat hierbij niet om de aanschaf van specifieke kleding zoals een smoking, maar om gewone kleding die ook privé wordt gedragen. […] Ik ga er vanuit dat u wel meer kosten maakt als een ander en daarom € 500 accepteer. […]

-kapperskosten.

Uit de toegestuurde bankoverzichten waren 8 rekeningen gearceerd en die van 1903 dubbel opgenomen. Uit uw nieuwe specificatie blijkt u op 2901 ook naar de kapper bent geweest. […] In mijn brief van 18 april heb ik € 300 geaccepteerd en zal dit zo laten.

Vakliteratuur/abonnementen:

Gezien uw brief van 4 april zal ik alsnog rekening houden met een bedrag van € 164 i.p.v. het opgevoerde bedrag van € 610.

Telefoon/internet/fax

[…] Alleen zakelijke gesprekskosten zijn aftrekbaar. Uit de door u toegestuurde stukken (geen gespecificeerde nota’s) kan ik niet opmaken welke kosten (geen splitsing prive/werk) hieraan verbonden zijn en zijn abonnementskosten niet aftrekbaar.

Op grond hiervan accepteer ik € 750.

Opleiding bij [R]

Middels uw schrijven van 4 april ga ik alsnog akkoord met de door u gemaakts studiekosten van € 160.

Reiskosten [C] € 310 akkoord.”

5.2.3.

Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Tegenover de - onder 5.2.2 weergegeven - gemotiveerde betwisting van de inspecteur is het aan belanghebbende om het zakelijke karakter van de opgevoerde kosten aannemelijk te maken; dit geldt zeker nu een groot deel van de door belanghebbende gestelde kosten een gemengd karakter heeft. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de door haar opgevoerde kosten voor meer dan € 2.184 een zakelijk karakter hadden. Het Hof neemt hierbij mede in aanmerking dat de Werkzaamheden voor een groot deel bestonden uit het inspreken van teksten zonder dat belanghebbende ‘in beeld’ was, zodat het, zonder nadere motivering - die ontbreekt -, niet aannemelijk is dat belanghebbende ten behoeve van de Werkzaamheden wezenlijk hogere bedragen heeft uitgegeven aan persoonlijke verzorging (‘werkkleding’ en ‘kapper’), dan andere belastingplichtigen - met andere werkzaamheden - maar die qua inkomen en maatschappelijke positie overigens in een vergelijkbare positie als belanghebbende verkeerden.

5.2.4.

Gelet op de rechtsoverwegingen onder 5.1, alsmede 5.2.1 tot en met 5.2.3, kan het Hof in het midden laten of belanghebbende de werkzaamheden voor [C] in dienstbetrekking heeft verricht, zoals de inspecteur in hoger beroep betoogt. Immers het standpunt van de inspecteur zou - indien het juist zou zijn - tot de conclusie leiden dat de aanslag tot een te laag bedrag zou zijn vastgesteld. Het instellen van (hoger) beroep kan er echter niet toe leiden dat de aanslag verhoogd wordt.

Hetzelfde heeft te gelden voor het standpunt van de inspecteur dat niet € 32.834 (‘Bruto loon SV’) maar € 38.007 (‘Bruto bruto gage’) als uitgangspunt voor de inkomstenberekening moet worden genomen (zie rechtbankuitspraak 2.4).

5.3.

Derde geschilpunt: heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding?

5.3.1.

Belanghebbende claimt vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in de hoger beroepsfase een immateriële schadevergoeding als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2013 (nr. 11/04270, ECLI:NL:HR:2013:BX6666).

5.3.2.

Gelet op de datum waarop het Hof uitspraak doet, is de redelijke termijn in de hoger beroepsfase (die is aangevangen op 30 mei 2013) met circa 3 maanden overschreden. Het Hof zal derhalve de Staat tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade veroordelen voor een bedrag van € 500, zijnde één half jaar à € 500.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep ongegrond is en de uitspraak van de rechtbank om die reden wordt bevestigd, acht het Hof geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (in verbinding met artikel 8:108 van die wet ).

7 Beslissing

Het Hof:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank; en

veroordeelt de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie, tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade voor een bedrag van € 500.

De uitspraak is gedaan door mrs. P.F. Goes, voorzitter, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en M. Greebe, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 25 augustus 2015 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature