Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Partneralimentatie, wijziging van omstandigheden, ontslagvergoeding.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 11 november 2014

Zaaknummer: 200.144.119/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/14/140835 / FA RK 12-765

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen te Sittard,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.H.F. Overkleeft te Hoorn.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 27 februari 2014 bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 27 november 2013, met kenmerk C/14/140835 / FA RK 12-765.

1.3.

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de zaak bij beschikking van 20 maart 2014 verwezen naar dit hof.

1.4.

De man heeft op 9 mei 2014 een verweerschrift ingediend.

1.5.

De man heeft op 30 juli 2014 en 5 augustus 2014 nadere stukken ingediend.

1.6.

De vrouw heeft op 31 juli 2014 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaak is op 11 augustus 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

1.9.

Zoals afgesproken bij de behandeling ter zitting hebben de vrouw en de man nog stukken aan het hof toegezonden. Partijen hebben daar over en weer afschriften van ontvangen.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1981 gehuwd. Hun huwelijk is op 20 januari 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 16 september 2010 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn drie, thans meerderjarige, kinderen geboren.

2.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking is, voor zover thans van belang, een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 2.335,- per maand.

2.3.

Bij beschikking van 5 juli 2011 van dit hof is een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 2.237,- per maand.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.4.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1957. Hij is alleenstaand.

Hij is tot 1 februari 2011 werkzaam geweest in loondienst bij [bedrijf] Zijn jaarsalaris bedroeg in 2010 € 115.320,-. Hij heeft een ontslagvergoeding ontvangen van € 245.000,-, waarvan hij – na betaling van kosten – een bedrag van € 238.527,- in de stamrecht B.V. [de B.V.] heeft doen storten.

Hij ontving met ingang van februari 2011 tot februari 2014 een WW-uitkering van € 2.530,- bruto per vier weken, exclusief vakantiegeld. Zijn fiscaal loon bedroeg volgens de jaaropgave over 2012 in dat jaar € 37.685,-. In 2013 genoot hij een fiscaal loon op grond van de WW van € 35.326,-.

Hij ontvangt met ingang van 26 mei 2014 een IOAW-uitkering van € 1.212,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld.

In verband met een hypothecaire lening gevestigd op de voormalig echtelijke woning was de man tot aan de datum van verkoop een bedrag van € 12.456,- per jaar aan rente verschuldigd. De WOZ-waarde is in 2013 vastgesteld op € 774.000,-.

Met ingang van 18 april 2014 betaalt hij aan huur en enige servicekosten € 500,- per maand.

Hij betaalt een premie voor een zorgverzekering.

2.5.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1959.

Zij ontvangt een WIA-uitkering van € 1.683,- bruto per maand. Haar fiscaal loon bedroeg in dit verband volgens de jaaropgaven over 2012 en 2013 respectievelijk in die jaren € 22.809,- en € 21.622,-.

Zij betaalt een premie voor een zorgverzekering.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de beschikking van 5 juli 2011 van dit hof, op verzoek van de man de door hem aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud met ingang van 1 januari 2013 op nihil gesteld.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, – naar het hof begrijpt – het inleidend verzoek van de man af te wijzen.

3.3.

De man verzoekt het door de vrouw in hoger beroep verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Aan de orde is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw. Partijen zijn verdeeld over de draagkracht van de man. De behoefte van de vrouw van € 3.007,- bruto per maand is in hoger beroep niet in geschil en staat derhalve vast.

4.2.

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waardoor de door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De vrouw stelt dat aan de zijde van de man sprake is van verwijtbare werkloosheid nu de man heeft geweigerd een andere functie aan te nemen.

De vrouw stelt dat in redelijkheid van de man kan worden gevergd dat hij zijn volledige ontslagvergoeding aanwendt ter suppletie van zijn inkomen uit de WW-uitkering teneinde te blijven voldoen aan zijn onderhoudsverplichtingen. De vrouw stelt dat de man over voldoende vermogen beschikt om zijn pensioenbreuk (deels) te compenseren, zonder daarvoor de gelden in de stamrecht B.V. aan te moeten wenden. De man beschikt volgens de vrouw over vier pensioenvoorzieningen in de vorm van kapitaalpolissen/lijfrentepolissen. De man heeft nagelaten inzichtelijk te maken welk bedrag nodig is om het pensioengat te dichten.

De vrouw stelt dat de voormalig echtelijke woning is verkocht en dat er een achterstand bij de betaling van de Hypotheekrente was ontstaan doordat de man geen rente (meer) betaalde. Uit de verkoopopbrengst is deze achterstand inclusief de rente, boeterente en vertragingsrente van € 55.682,97 voldaan. De tussen partijen te verdelen overwaarde is met eenzelfde bedrag verlaagd en gelet hierop is het niet redelijk is om aan de zijde van de man rekening te houden met de betaling van hypotheeklasten, aldus de vrouw. De vrouw stelt voorts dat de man als gevolg hiervan sinds de beschikking van dit hof van 5 juli 2011 een extra vrije ruimte heeft gehad van € 2.076,- per maand gedurende anderhalf jaar. Dit bedrag dient volgens de vrouw te worden meegenomen in de berekening van zijn draagkracht over de periode waarin hij zijn WW-uitkering kon aanvullen. Volgens de vrouw is de man in staat om tot 1 mei 2014 zijn inkomen tot het niveau van zijn voormalig arbeidsinkomen met de ontslagvergoeding aan te vullen. De vrouw stelt dat de rechtbank de partneralimentatie ten onrechte met terugwerkende kracht op nihil heeft gesteld. De vrouw is niet in staat om de eventueel door haar teveel ontvangen partneralimentatie terug te betalen.

4.3.

De man heeft de stellingen van de vrouw betwist en voert aan dat de door hem gestelde wijziging van omstandigheden erop ziet dat hij niet langer over voldoende draagkracht beschikt om de door dit hof bij beschikking van 5 juli 2011 vastgestelde partneralimentatie te voldoen.

De man betwist dat hij de ontslagvergoeding niet zou hebben aangewend ter suppletie van zijn inkomen. Het is volgens de man onjuist dat hij de pensioenbreuk zou kunnen ondervangen met een viertal pensioenvoorzieningen. De man stelt dat in het kader van de verdeling van de gemeenschap van goederen de Aegon lijfrenteverzekering en de twee Rabo Lijfrente Koopsommen worden gesplitst en dat van de Delta Lloyd verzekering de begunstiging wordt gewijzigd, in die zin dat zowel de man als de vrouw als begunstigde op de polis zal worden vermeld. De man verwijst in dit verband naar de beschikking van 9 januari 2013 van de rechtbank Noord-Holland. De man acht het redelijk en billijk om een deel van de ontslagvergoeding te reserveren om de pensioenbreuk te helen. Gelet op zijn leeftijd is de kans dat de man opnieuw aan het arbeidsproces zal kunnen deelnemen gering. Het is volgens de man niet redelijk om, zoals de vrouw stelt, van hem te verwachten dat hij zijn vrije ruimte aanwendt als pensioenvoorziening. Nu de man enige tijd niet over een vast adres beschikte kon hij geen bijstandsuitkering aanvragen. De man betwist dat hij vrijwillig zijn baan heeft beëindigd. Volgens de man is er (vrijwel) niets meer over van de reservering omdat de man vermogen uit de stamrecht B.V. heeft moeten onttrekken om aan zijn financiële verplichtingen te voldoen. Aangezien de AOW een uitkering is krachtens de Sociale Zekerheidswetten, kan het reserveren van een deel van de ontslagvergoeding voor het dichten van een pensioengat volgens de man gezien worden als een aanvulling op enige uitkering krachtens Sociale Zekerheidswetten. Volgens de man is er geen sprake van een juridisch afdwingbare verplichting tot terugbetaling van bedragen door de vrouw aan de man.

4.4.

Het hof is anders dan de vrouw van oordeel dat zich aan de zijde van de man na de beschikking van dit hof van 5 juli 2011 een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, als gevolg waarvan de door hem te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw opnieuw dient te worden beoordeeld. Gebleken is dat de man met ingang van 1 februari 2011 is ontslagen, destijds een ontslagvergoeding heeft ontvangen van € 238.527,- en dat hij met ingang van 1 februari 2011 tot 1 februari 2014 een WW-uitkering heeft ontvangen. Ten tijde van de mondelinge behandeling op 17 februari 2011, die heeft geleid tot de beschikking van het hof van 5 juli 2011, was, zoals de vrouw heeft gesteld, voor de man te voorzien dat hij zijn arbeidsinkomen van [bedrijf] niet zou behouden. Dat hij aangewezen zou blijven op een WW-uitkering en tot op heden niet in staat zou blijken om opnieuw betaald werk te vinden was destijds echter niet te voorzien. Nu deze situatie daadwerkelijk is ingetreden, kan naar het oordeel van het hof van een wijziging van omstandigheden worden gesproken als bedoeld in artikel 1:401 BW . Het hof volgt de vrouw niet in haar betoog dat de man vrijwillig werkloos is geworden. Uit de tussen de man en [bedrijf] op 11 november 2010 gesloten vaststellingsovereenkomst blijkt dat de functie van de man is komen te vervallen en dat er geen passende herplaatsingsmogelijkheden voor hem waren. Voorts blijkt ook uit de toekenning van een WW-uitkering dat de man geen verwijt valt te maken ten aanzien van zijn ontslag.

De vraag die vervolgens voor ligt, is of de ontslagvergoeding volledig aangewend dient te worden voor aanvulling van het door de man na zijn ontslag maandelijks te ontvangen inkomen uit WW of anderszins, om aldus zijn draagkracht op peil te houden en zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw na te komen, dan wel of hij gerechtigd was om een deel van zijn ontslagvergoeding te reserveren voor aanvulling van het pensioengat dat volgens de stellingen van de man is ontstaan. Het hof is dienaangaande van oordeel dat, gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, de man onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een pensioengat van een zodanige omvang dat een voorziening daarvoor voor dient te gaan op de nakoming van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw. Bij zijn overwegingen heeft het hof betrokken dat uit de vaststellingsovereenkomst die de man en [bedrijf] op 11 november 2010 hebben gesloten niet valt af te leiden dat de ontslagvergoeding dient ter suppletie van pensioenvoorzieningen. Voorts heeft de man reeds met het afsluiten van kapitaal- en lijfrentepolissen een pensioenvoorziening getroffen. De vooruitzichten op deelname aan het arbeidsproces worden met het voortschrijden van zijn leeftijd weliswaar kleiner, de man heeft echter niet, althans onvoldoende, onderbouwd gesteld dat hij nimmer meer betaald werk zal verrichten waarmee hij een substantieel arbeidsinkomen kan verwerven. Het hof zal daarom, anders dan de rechtbank, geen rekening houden met een uit de ontslagvergoeding te treffen pensioenreservering door de man. De man had dan ook de ontslagvergoeding tot het in [de B.V.] gestorte bedrag van € 238.527,- aan dienen te wenden ter aanvulling van zijn WW-uitkering van € 37.785,- per jaar tot zijn oorspronkelijke inkomen van € 115.320,- per jaar. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de negatieve fiscale consequenties door zijn onttrekkingen uit de stamrecht B.V. voor rekening en risico van de man dienen te blijven daar hij zich bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst en de storting van de ontslagvergoeding in de stamrecht B.V. blijkbaar onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de bestaande onderhoudsverplichting jegens de vrouw. De man wordt aldus in staat geacht om met ingang van 1 februari 2011 de gehele periode waarin hij een WW-uitkering heeft ontvangen, derhalve tot 1 februari 2014, deze uitkering aan te vullen tot zijn oorspronkelijke inkomen. Het hof gaat voorbij aan de stellingen van de vrouw ten aanzien van de hypotheeklasten in verband met de echtelijke woning nu de vrouw gelet op het bovenstaande voor de periode tot 1 februari 2014 in het gelijk wordt gesteld en de woning is verkocht op 21 februari 2014.

4.5.

Het hof zal de draagkracht van de man met ingang van 1 februari 2014 opnieuw berekenen. Het hof houdt rekening met de norm voor een alleenstaande en hanteert een draagkrachtpercentage van 60. Het hof neemt de door de man te ontvangen IOAW-uitkering, de huurlasten van € 500,- per maand en de door de man te betalen premie zorgverzekering in aanmerking. Hiervan uitgaande is de man met ingang van 1 februari 2014 niet langer in staat om een partnerbijdrage te voldoen. Voor zover de man vanaf 1 februari 2014 tot heden een bijdrage heeft betaald en/of een bijdrage op hem is verhaald, kan van de vrouw, gelet op haar financiële omstandigheden en het feit dat een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet worden gevergd dat zij dit terugbetaalt.

4.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw rechtdoende:

stelt met wijziging van de beschikking van dit hof van 5 juli 2011 de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw met ingang van 1 februari 2014 op nihil, met dien verstande dat, voor zover de man over de periode vanaf 1 februari 2014 tot op heden enige bijdrage heeft betaald en/of op hem is verhaald, de bijdrage tot heden wordt bepaald op hetgeen door hem is betaald en/of op hem is verhaald;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M.A. Gerritzen - Gunst, M.F.G.H. Beckers en J. Kok in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer op 11 november 2014.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature