Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Erfrecht

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.106.369/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 350512/HA ZA 06-2908

arrest van de meervoudige familiekamer van 9 juli 2013

inzake

[D] ,

wonend te […] ,

APPELLANT,

tevens incidenteel GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. F.M.N. Janssen te Amsterdam,

tegen:

1 [A] ,

wonend te […] ,

2. [B],

wonend te […] ,

3. [C],

wonend te […] ,

GEÏNTIMEERDEN,

tevens incidenteel APPELLANTEN,

advocaat: mr. E.J. Rasker te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] of kort weg de kinderen genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 12 april 2012 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2007, 15 december 2010 en 21 maart 2012, gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

memorie van grieven, met producties;

memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

memorie van antwoord in incidenteel appel, met een productie.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest:

de vorderingen van [geïntimeerden] zal afwijzen;

de vorderingen van [appellant] zal toewijzen;

voor recht zal verklaren dat in hoger beroep de proceskostenveroordeling op basis van geliquideerde kosten zal worden uitgesproken;

[geïntimeerden] zal veroordelen in de kosten van beide instanties, de kosten van de beslagen daaronder begrepen.

[appellant] heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden.

[geïntimeerden] hebben, zo begrijpt het hof, in principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen.

In incidenteel appel hebben zij geconcludeerd tot vernietiging van deze vonnissen (voorzover aan het incidenteel appel onderworpen) en tot het alsnog veroordelen van [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan hen van een bedrag van € 913.984,21 te vermeerderen met de testamentaire rente van 10% per jaar vanaf 24 juli 2004. Voorts vorderen zij betaling van al hun kosten aan juridische bijstand vanaf 11 februari 2011, onder aftrek van reeds voldane voorschotten, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf 14 dagen na de declaratiedatum, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het vonnis van 24 oktober 2007 onder 2.1 tot en met 2.7 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling in principaal en in incidenteel appel

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [geïntimeerden] hebben een geschil met hun vader, [appellant] , over de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder, [Y] (hierna: de moeder). Laatstgenoemde was ten tijde van haar overlijden op 22 juli 2004 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [appellant]

( ii) In haar op 10 juni 2004 opgemaakte testament heeft de moeder bepaald dat haar nalatenschap overeenkomstig de wet zal worden verdeeld, zodat aan [appellant] alle goederen van de nalatenschap toekomen en aan ieder van de kinderen een (niet opeisbare) rentedragende geldvordering op [appellant] ter grootte van de waarde van hun erfdeel. De geldvorderingen dienen te worden vastgesteld bij notariële akte binnen een jaar na overlijden. In verband daarmee dient de executeur een boedelbeschrijving op te maken die de waardering van de goederen en schulden van de nalatenschap bevat. In het testament is bepaald dat de geldvorderingen van de kinderen naast de in de wet genoemde gevallen tevens opeisbaar zijn – kort gezegd - indien en zodra [appellant] hertrouwt zonder huwelijkse voorwaarden met koude uitsluiting (geen goederengemeenschap en geen verrekenbeding). [appellant] is bij dit testament tot executeur benoemd. Hij heeft deze benoeming aanvaard.

( iii) [appellant] heeft op 16 november 2005 een onderhandse boedelbeschrijving opgemaakt en ondertekend en heeft daarbij opgave gedaan van een saldo van de nalatenschap ten bedrage van € 554.000, met vaststelling van de geldvorderingen van de kinderen op € 138.500 voor ieder kind. [appellant] heeft van deze boedelbeschrijving op 26 april 2006 een notariële akte doen opmaken, met dien verstande dat daarin opgave werd gedaan van een saldo van de nalatenschap van € 555.969, en heeft daarop de eed afgelegd.

( iv) [in] 2005 zijn [appellant] en [X] (hierna: [X] ) een geregistreerd partnerschap aangegaan. Op 18 november 2005 kwamen zij partnerschapsvoorwaarden overeen. Zij hebben het geregistreerd partnerschap [in] 2006 omgezet in een huwelijk, met de partnerschapsvoorwaarden als huwelijkse voorwaarden.

( v) Tot de nalatenschap behoort woonboot [de woonboot] , gelegen aan de [adres] . Deze woonboot heeft [appellant] op 12 januari 2006 voor een koopsom van € 441.000,- aan [X] in eigendom overgedragen, onder voorbehoud van vruchtgebruik voor hem zelf. De koopsom heeft hij in 2006 en 2007 in gedeelten aan [X] kwijtgescholden.

( vi) Naar aanleiding van een procedure met de Dienst Binnenwaterbeheer van de gemeente Amsterdam heeft [appellant] op 3 maart 2009 de helft van de woonboot van [X] teruggekocht, waarbij de koopprijs (€ 220.500) door middel van verrekening zou zijn voldaan.

( vii) [geïntimeerden] hebben op 8 februari 2010 conservatoir beslag gelegd op het aandeel van [appellant] in de woonboot en op bankrekeningen van [appellant] bij de ING-bank. Bij vonnis van 25 februari 2010 van de voorzieningenrechter is de vordering waarvoor het beslag is toegestaan herbegroot op € 348.000,-.

3.2.

[geïntimeerden] hebben [appellant] op 11 augustus 2006 gedagvaard voor de rechtbank en hebben, na eiswijziging, gevorderd voor recht te verklaren:

dat [appellant] door ten onrechte en welbewust in zijn boedelbeschrijving geen melding te maken van de tegoeden bij Bank Société Generale Luxemburg en de grondstukken op Madeira als erfgenaam geen recht meer heeft op deze waardes;

dat [appellant] paulianeus heeft gehandeld jegens de kinderen door gelden, geldswaarden en goederen te vervreemden c.q. willens en wetens onder ede een valselijke verklaring af te leggen ter zake van de tot de gemeenschappelijke boedel behorende gelden en zaken;

dat [appellant] na zijn hertrouwen de facto de bestaande huwelijkse voorwaarden heeft gewijzigd, zodanig dat zijn ten huwelijk aangebrachte vermogen niet langer privé eigendom is gebleven dan wel zal moeten worden verrekend;

dat de kosten van juridische bijstand die de kinderen ten deze hebben gemaakt ten laste komen van de boedel;

en voorts veroordeling van [appellant] gevorderd:

5. tot volledige opening van zaken betreffende de in de inleidende dagvaarding gemelde vraagpunten door overlegging van de in de brief van mr. Rasker van 4 maart 2006 gevraagde documenten met heldere schriftelijke toelichting; idem ter zake van andere waardebestanddelen waarvan duidelijk wordt dat [appellant] deze bewust buiten de boedelbeschrijving heeft gehouden; en voorts tekst en uitleg te geven;

6. om rekening en verantwoording af te leggen van zijn taak als executeur testamentair aan een door de rechtbank ten laste van de boedel te benoemen onpartijdige deskundige (notaris);

7. althans voorwaardelijk, ingeval [appellant] weigert mee te werken aan de vorderingen onder 5 en 6 dan wel de rechtbank meent dat de kinderen niet in hun vordering onder 8 kunnen worden ontvangen, [appellant] af te zetten als executeur met benoeming van een nieuwe executeur/ vereffenaar;

8. tot betaling aan ieder van de kinderen van hun alsdan vastgestelde geldvordering.

[appellant] heeft een eis in reconventie ingesteld, die door de rechtbank is afgewezen en in dit hoger beroep geen rol meer speelt.

3.3.

In het tussenvonnis van 24 oktober 2007 heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

vaststaat dat [appellant] opzettelijk het bestaan heeft verzwegen van grond in Madeira en van een bankrekening die al voor de sterfdatum van de moeder in Luxemburg werd aangehouden. Hij heeft daarmee zijn aandeel in dat deel van de nalatenschap verbeurd aan de andere erfgenamen;

[appellant] heeft ten onrechte niet de opbrengst van de woning te [plaats] (€ 227.239,92) in de boedelbeschrijving opgenomen;

Er is sprake van paulianeus handelen jegens de kinderen voorzover [appellant] willens en wetens onder ede een valselijke verklaring heeft afgelegd ter zake van de tot de gemeenschap behorende gelden en zaken. Er is echter onvoldoende gesteld om een verklaring voor recht te kunnen uitspreken dat [appellant] tegenover de kinderen paulianeus heeft gehandeld door gelden, geldswaarden en goederen te vervreemden;

De woonboot moet worden gewaardeerd op de verkoopwaarde in onbewoonde staat. Hiertoe dient een deskundige te worden benoemd;

De gevorderde verklaring voor recht van [geïntimeerden] dat [appellant] na zijn hertrouwen de facto de bestaande huwelijkse voorwaarden heeft gewijzigd, zodanig dat zijn ten huwelijk aangebracht vermogen niet langer privé eigendom is gebleven dan wel zal moeten worden verrekend, komt niet voor toewijzing in aanmerking omdat deze onvoldoende is onderbouwd;

[appellant] dient over een alsnog op te stellen boedelbeschrijving rekening en verantwoording af te leggen tegenover een door de rechtbank als deskundige te benoemen (kandidaat-)notaris.

3.4.

Bij de stukken bevindt zich geen rapport van de vervolgens bij tussenvonnis van 23 april 2008 door de rechtbank benoemde deskundige [deskundige a] . In het tussenvonnis van 15 december 2010 onder 2.4.8 is overwogen dat de rechtbank niet langer aanleiding zag deze deskundige een taxatie te laten verrichten nu partijen in gezamenlijk overleg een taxatie door [deskundige b] hebben laten verrichten. Deze deskundige heeft de dagwaarde van de woonboot in 2004 inclusief ligplaats, zonder het drijvend terras, bepaald op € 478.870 inclusief btw. De rechtbank heeft deze taxatie overgenomen.

3.5.

De door de rechtbank (bij tussenvonnis van 23 april 2008) benoemde deskundige [deskundige c] heeft een ontwerp boedelbeschrijving opgesteld waarin ook rekening wordt gehouden met grondstukken op Madeira , banktegoeden in Luxemburg en € 30.000 aan contanten in de kluis. Deze boedelbeschrijving resulteert in een saldo van de nalatenschap van € 951.487,60.

3.6.

[geïntimeerden] hebben vervolgens hun eis vermeerderd in die zin dat aan de vordering sub 1 wordt toegevoegd:

Door gelden in de kluis te verzwijgen en desgevraagd geen opgaaf te doen van andere waardebestanddelen.

3.7.

In het tussenvonnis van 15 december 2010 heeft de rechtbank vervolgens onder meer overwogen:

dat [appellant] ook zijn aandeel in de moeders helft van de verzwegen gelden in de kluis heeft verbeurd;

dat de waarde van de grond te Madeira dient te worden vastgesteld op € 500.000,- en dat [geïntimeerden] recht hebben op 1/8 van dat bedrag, derhalve € 62.500,-;

dat het banktegoed in Luxemburg € 210.615,63 bedraagt en dat [geïntimeerden] recht hebben op 1/8 deel van dat bedrag, derhalve € 26.326,95;

dat ervan moet worden uitgegaan dat zich een bedrag van € 40.000,- in de kluis bevond waarvan € 35.000,- is verzwegen, zodat [geïntimeerden] recht hebben op 1/8 van dat bedrag, te weten € 4.375,-;

en dat de waarde van de woonboot moet worden vastgesteld op € 478.870,-.

Voorts is een comparitie van partijen gelast om een aantal resterende geschilpunten met partijen te bespreken.

3.8.

Ter gelegenheid van de comparitie hebben [geïntimeerden] wederom hun eis vermeerderd en onder meer afgifte van en inzage in allerlei (financiële) stukken gevorderd. Zij hebben de rechtbank voorts gevraagd terug te komen op enkele eerdere genomen beslissingen.

3.9.

In het deelvonnis van 21 maart 2012 is de rechtbank teruggekomen op haar eerdere oordeel dat niet toewijsbaar is de door de kinderen gevorderde verklaring voor recht dat [appellant] tegenover hen paulianeus heeft gehandeld door gelden, geldswaarden en goederen te vervreemden. De rechtbank overweegt dat [appellant] met de verkoop van de woonboot, gevolgd door een schenking van de koopprijs, aan zijn nieuwe echtgenote een situatie heeft willen construeren om te voorkomen dat de kinderen aanspraak kunnen maken op de opbrengst van de woonboot en dat hij hen welbewust heeft willen benadelen in hun verhaalsmogelijkheden om hun erfdeel uit de nalatenschap van de moeder te kunnen voldoen.

Voorts is de rechtbank teruggekomen op de beslissing dat niet toewijsbaar is de gevorderde verklaring voor recht dat [appellant] na zijn hertrouwen de facto de bestaande huwelijkse voorwaarden heeft gewijzigd, zodanig dat zijn ten huwelijk aangebracht vermogen niet langer privé eigendom is gebleven dan wel zal moeten worden verrekend. Naar het oordeel van de rechtbank is deze vordering inmiddels voldoende onderbouwd. [appellant] is in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren.

3.10.

In het dictum van voornoemd deelvonnis wordt in conventie voor recht verklaard:

dat [appellant] door ten onrechte en welbewust in zijn boedelbeschrijving geen melding te maken van de tegoeden op de Bank Société Generale Luxemburg en grondstukken op Madeira geen recht meer heeft op zijn aandeel als erfgenaam van moeder in de waardes daarvan;

dat [appellant] paulianeus heeft gehandeld jegens de kinderen door gelden, geldswaarden en goederen te vervreemden c.q. willens en wetens onder ede valselijk verklaring af te leggen ter zake van de tot de gemeenschap(pelijke boedel) behorende gelden en zaken;

dat de kosten van juridische bijstand die de kinderen te dezen hebben gemaakt ten laste van de boedel komen;

en is daarnaast [appellant] uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld:

de kinderen inzage te geven:

in de boekhouding van advocatenkantoor [D] over de periode begin november 2002 tot en met juli 2004, al dan niet aan een door de kinderen aangewezen deskundige, zoals omschreven in rov 2.23 van dat vonnis;

in de bankafschriften over de periode april 2003 – augustus 2004 van de in het tussenvonnis van 15 december 2010 in rechtsoverweging 2.4.9 onder b genoemde bankrekeningen, voor zover deze (ook) op naam van moeder stonden;

in de stukken met betrekking tot de pensioenrechten (zoals kopieën van de polissen) zoals omschreven in rechtsoverweging 2.34;

een en ander binnen twee maanden na het wijzen van dat vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag voor iedere dag dat [appellant] niet of niet geheel hieraan voldoet tot een maximum van € 100.000;

- een bedrag van € 153.871,41 aan de kinderen te betalen;

en is tenslotte [appellant] toegelaten tot (tegen)bewijslevering tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat [appellant] na zijn hertrouwen de facto de bestaande huwelijkse voorwaarden heeft gewijzigd, zodanig dat zijn ten huwelijk aangebracht vermogen niet langer privé eigendom is gebleven dan wel zal moeten worden verrekend.

3.11.

Hiertegen komen [appellant] en [geïntimeerden] in hoger beroep op.

3.12.

Het geschil van partijen in hoger beroep heeft betrekking op de volgende onderwerpen:

De vraag of de vorderingen van de kinderen op [appellant] ingevolge het testament van de moeder direct opeisbaar zijn geworden (grief I in principaal appel);

De gevolgen van het verzwijgen van goederen van de nalatenschap (grief II in principaal appel);

De omvang van de verzwijging (grief II in principaal appel, grief VI en VII in incidenteel appel);

Welke goederen vallen onder de uitsluitingsclausule in het testament van de ouders van de moeder en wat is de waarde daarvan (grieven III, VI en VII in incidenteel appel, grief VI in principaal appel);

De waarde van de woonboot (grief IV in incidenteel appel) en afgifte van stukken aangaande de verrekening van de koopprijs tussen [appellant] en [X] (grief I in incidenteel appel);

Inzage in c.q. afgifte van stukken door [appellant] (grief VI in principaal appel);

Rechtsbijstandskosten van [geïntimeerden] (grief IV in principaal appel, grief II in incidenteel appel);

De opheffing van de beslagen (grief V in principaal appel);

I. De vraag of [appellant] paulianeus heeft gehandeld jegens de kinderen (grief III in principaal appel, grief I in incidenteel appel).

A. Opeisbaarheid geldvorderingen kinderen

3.13.

De rechtbank heeft in het deelvonnis van 21 maart 2012 beslist dat voorshands, behoudens tegenbewijs door [appellant] , is bewezen dat [appellant] na zijn hertrouwen in feite de bestaande huwelijkse voorwaarden heeft gewijzigd zodanig dat zijn ten huwelijk aangebracht vermogen niet langer privé-eigendom is gebleven. Tegen dit oordeel is grief I in principaal appel gericht. Volgens [appellant] kan er geen sprake van zijn dat de huwelijkse voorwaarden de facto zijn gewijzigd.

3.14.

Partijen hebben ervoor gekozen bij de rechtbank voort te procederen. In dat verband heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden en is op 17 april 2013 eindvonnis gewezen. Hierin heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] niet is geslaagd in het hem opgedragen tegenbewijs. Dit eindvonnis is niet in het onderhavige hoger beroep betrokken. Bij deze stand van zaken kan het hof niet zonder meer ervan uitgaan dat [appellant] zijn grief – in ongewijzigde vorm, althans zonder nadere toelichting – wenst te handhaven. Met het oog op deze ontwikkeling zal het hof een comparitie van partijen gelasten, waarin partijen kunnen toelichten welke gevolgen het eindvonnis zou moeten hebben voor de onderhavige procedure.

B. De gevolgen van het verzwijgen van goederen van de nalatenschap

3.15.

De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] in de door hem in 2005/2006 opgestelde boedelbeschrijving geen opgave heeft gedaan van een aantal goederen, hoewel hij wel op de hoogte was van het bestaan daarvan. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in art. 3:194 lid 2 BW zijn aandeel in de (opzettelijk) verzwegen goederen heeft verbeurd.

3.16.

[appellant] bestrijdt dit oordeel in zijn tweede grief met de volgende argumenten. In de regeling van de wettelijke verdeling in het nieuwe erfrecht is een met art. 3:194 lid 2 BW vergelijkbare bepaling niet opgenomen. Het sanctiekarakter van deze bepaling verzet zich tegen overeenkomstige toepassing buiten de in de wet wel geregelde situatie van een onverdeelde gemeenschap (nalatenschap). Het levert dan ook een niet bij wet voorziene inbreuk op zijn eigendomsrechten op en komt in strijd met art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, aldus [appellant] Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.17.

De wettelijke verdeling wordt geregeld in de artikelen 4:13 e.v. BW. De omvang van de geldvordering van de kinderen op de langstlevende echtgenoot wordt bij overeenkomst tussen de erfgenamen vastgesteld. Art. 4:15 BW bevat een geschillenregeling voor het geval de erven over de vaststelling van de omvang van de geldvorderingen op de langstlevende niet tot overeenstemming kunnen komen; de artikelen 677 tot en met 679 Rv worden daarin van overeenkomstige toepassing verklaard. In het geval waarin de geldvordering aanvankelijk verkeerd is berekend, kan deze door de kantonrechter worden gewijzigd. De bijzondere dwalingsregeling in geval van benadeling voor meer dan een kwart van art. 3:196 e.v. BW is (gedeeltelijk) van toepassing verklaard. Art. 4:16 BW voorziet in een boedelbeschrijving en een inlichtingenplicht ter vaststelling van de samenstelling en waarde van de nalatenschap, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 673 tot en met 676 Rv. De bepaling omtrent opzettelijke verzwijging van tot de boedel behorende goederen (art. 3:194 lid 2 BW) is in deze wettelijke regeling door de wetgever niet van toepassing verklaard. De wet voorziet ook overigens niet in een sanctie in geval van opzettelijke verzwijging van bestanddelen van de nalatenschap waarop de wettelijke verdeling van toepassing is.

3.18.

Naar het oordeel van het hof zou bij de wettelijke verdeling in een geval als hier aan de orde een met art. 3:194 lid 2 BW vergelijkbare sanctie wellicht gewenst zijn. Zonder een dergelijke sanctie is aan bedrog door een of meer erven in de vorm van opzettelijke verzwijging nauwelijks enig risico verbonden.

3.19.

De vraag doet zich echter voor in hoeverre toepassing – al dan niet op grond van de redelijkheid en billijkheid – van een met art. 3:194 lid 2 BW vergelijkbare sanctie zich in deze casus verdraagt met art. 1 lid 1van Protocol I bij het EVRM (Bescherming van eigendom):

“Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.”

[appellant] stelt, met een beroep op rechtspraak van het EHRM, dat hier een voldoende duidelijke en begrijpelijke wettelijke bepaling, die voorziet in inbreuk op zijn (eigendoms)rechten, ontbreekt. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.20.

Niet in geschil is dat de in de artikelen 4:13 e.v. BW aan [appellant] toegekende rechten op de nalatenschap van de moeder worden beschermd door art. 1. De vordering van de kinderen strekt ertoe dat inbreuk wordt gemaakt op het ongestoorde genot van deze nalatenschap. Mede in aanmerking genomen dat de vordering van de kinderen ertoe strekt een (civielrechtelijke) sanctie te doen verbinden aan gedragingen van [appellant] is vereist dat de hierdoor gemaakte inbreuk op het ongestoorde genot van [appellant] berust op een voldoende duidelijke en specifieke wettelijke bepaling en niet arbitrair is. Naar het oordeel van het hof is niet aan dit vereiste voldaan. Onvoldoende daarvoor is de (wel in de wet verankerde) redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen de erfgenamen beheerst. Bij gebreke van een specifieke wetsbepaling kan daarop in dit geval niet met de vereiste duidelijkheid de toepassing van een met artikel 3:194 lid 2 BW vergelijkbare sanctie worden gebaseerd, alleen al omdat in casu geen verdeling meer is vereist en de sanctie van ‘verbeuren’ niet zonder meer toepasbaar is in het kader van een verdeling van rechtswege onder toekenning van een geldvordering. Het zonder meer ‘verbeuren’ van verzwegen goederen zou een (te) arbitrair karakter kunnen krijgen. Hier doet zich ook niet een geval voor dat vergelijkbaar is met het geval waarop het arrest van de Hoge Raad van 7 dec. 1990 (NJ 1991, 593) betrekking had. Daar ging het om een uitzondering op een in de wet vastgelegd uitgangspunt (de verdeling bij helfte van een huwelijksgemeenschap) op grond van onaanvaardbaarheid naar redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:2 lid 2 BW, in een wel zeer sprekend geval. Hier gaat het om het verbeuren van verzwegen goederen aan de kinderen die op grond van de toepasselijke bepaling van erfrecht een (vooralsnog niet opeisbare) geldvordering hebben. Hoewel [appellant] door het opzettelijk verzwijgen van boedelbestanddelen niet heeft gehandeld in overeenstemming met hetgeen van hem als langstlevende erfgenaam (en executeur) in het kader van een wettelijke verdeling van de nalatenschap mocht worden verwacht (en hij hierin laakbaar heeft gehandeld), is zijn gedrag naar het oordeel van het hof niet zodanig laakbaar dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij de hem in de artikelen 4:13 e.v. BW toekende aanspraken nog kan uitoefenen voor zover het de verzwegen goederen betreft. In zoverre kan deze zaak niet op één lijn worden gezet met het in 1990 door de Hoge Raad besliste geval. Daarbij is ook in aanmerking te nemen, dat twijfelachtig is of een louter op jurisprudentie gebaseerde beperking van eigendomsrechten, voldoende tegemoetkomt aan het vereiste "voorzien in de wet" dat bij het aanbrengen van beperkingen in het kader van het eerste Protocol gesteld wordt. In zoverre slaagt grief II in principaal appel.

C. Welke bestanddelen van de nalatenschap zijn er verzwegen?

3.21.

Gelet op hetgeen hiervoor is beslist is geen verdere bespreking van dit geschilpunt nodig.

D. De goederen die vallen onder de uitsluitingsclausule

3.22.

Niet in geschil is dat in de testamenten van de ouders van de moeder een uitsluitingsclausule is opgenomen en dat al hetgeen de moeder van haar ouders heeft geërfd buiten de huwelijksgemeenschap is gebleven. Voor de vaststelling van de omvang van de geldvorderingen van de kinderen is noodzakelijk te bepalen of deze goederen in het privévermogen van de moeder vielen of in de huwelijksgemeenschap. Tot het privévermogen van de moeder zijn de kinderen en [appellant] met inachtneming van de wettelijke verdeling (bij de berekening van hun geldvordering) ieder voor een vierde gedeelte gerechtigd. De kinderen hebben derhalve belang bij de vaststelling of bepaalde boedelbestanddelen op 22 juli 2004 tot het privévermogen van de moeder behoorden dan wel in de huwelijksgemeenschap vielen.

3.23.

Van de volgende goederen dient te worden vastgesteld of zij al dan niet onder de uitsluitingsclausule vallen:

het appartement te [plaats] ;

de grondstukken te Madeira ;

de gelden in de kluis;

de in augustus 2004 verkochte effecten.

De grieven III, VI en VII in incidenteel appel zien op deze kwestie. Voorts is er geschil over de waarde van de grondstukken te Madeira (grief VI in principaal appel) en de omvang van de gelden in de kluis.

ad 1. Appartement [plaats]

3.24.

[appellant] heeft onvoldoende gemotiveerd bestreden dat de moeder het appartement te [plaats] (onder uitsluitingsclausule) uit de nalatenschap van haar ouders heeft verkregen en dat dit appartement tot haar privévermogen behoorde. De omstandigheid dat [appellant] als advocaat optredend voor zijn echtgenote (de moeder) nadien werkzaamheden heeft verricht teneinde de verkoop te realiseren in weerwil van een voorkeursrecht brengt nog niet mee dat de verkoopopbrengst van het appartement in de huwelijksgemeenschap is gevallen. Tot de nabetaalde verkoopopbrengst van (afgerond) € 227.238,- inclusief rente zijn de kinderen en [appellant] krachtens erfrecht ieder voor een vierde gedeelte gerechtigd. In zoverre slaagt incidentele grief VI.

ad 2. Grondstukken Madeira

3.25.

[geïntimeerden] stellen dat de grondstukken op Madeira uit privégelden van de moeder zijn gefinancierd. Zij voeren daartoe aan dat de moeder in september 2001 een bedrag van NLG 55.000,- en in november 2001 een bedrag van NLG 197.861,- (in totaal NLG 252.861,-) onder uitsluitingsclausule heeft ontvangen uit de nalatenschappen van haar ouders, dat de grondstukken in 2001 zijn gekocht voor € 39.900 en € 124.700, en dat binnen de huwelijksgemeenschap geen andere middelen beschikbaar waren om deze aankopen te financieren. In de aanvulling op de aangiftes IB over de jaren 2001 tot en met 2005 aangaande het box III-vermogen bij brief van 5 maart 2007 (productie 4.1 bij de antwoordakte van 18 mei 2011 van de kinderen) doet [appellant] weliswaar opgave van de aankoop in 2001 van de grond te Madeira voor een koopsom van in totaal € 165.000,- met behulp van de verkoopopbrengst van de eigen woning, maar dit kan volgens de kinderen niet kloppen. Deze woning is pas in 2002 verkocht en op 4 november 2002 is geleverd.

[appellant] heeft dit betwist. [appellant] stelt (in zijn akte van 16 mei 2012 bij de rechtbank) dat zijn ex-echtgenote in april 2001 over circa NLG 161.756,- (€ 73.402,-) aan bank- en effectentegoeden beschikte, dus onvoldoende om de koopsom van € 165.000,- en de aktekosten etc. te financieren, en beroept zich in dit verband op een verklaring van [G] van 23 april 2012 (productie 2 bij die akte). [appellant] stelt dat de aankoop van de grondstukken is gefinancierd uit het overbruggingskrediet van € 612.600,- op de gemeenschappelijke woning aan de [straatnaam] . Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.26.

De moeder beschikte in april 2001 al over NLG 161.756,- aan bank- en effectentegoeden en heeft in september en november 2001 nog eens NLG 252.861,- ontvangen uit de nalatenschappen van haar ouders. De moeder beschikte derhalve ten tijde van de aankoop van de grondstukken op Madeira over voldoende geldmiddelen. [appellant] heeft hiertegenover zijn stelling dat de grondstukken op Madeira zijn gefinancierd met het overbruggingskrediet onvoldoende onderbouwd. [appellant] heeft zelf al aangegeven (in zijn akte uitlating producties van 1 juni 2011, pag. 2 onderaan) dat dit krediet in 2001 mede is besteed aan de aankoop en verbouwing van de woonboot. Hij heeft geen gegevens overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat onder dit krediet een bedrag van ruim € 165.000,- is opgenomen en gebruikt voor de betaling van de grondstukken op Madeira . Het hof acht derhalve voorshands bewezen dat de grondstukken op Madeira uit privégelden van de moeder zijn gefinancierd.

[appellant] heeft evenwel bewijs aangeboden. Ter comparitie zal worden besproken hoe hij dit bewijs denkt te leveren. Indien [appellant] slaagt in bovengenoemd tegenbewijs, zal ten behoeve van ieder van de kinderen één achtste gedeelte van de waarde in aanmerking worden genomen, indien [appellant] niet slaagt in dit bewijs, voor ieder een vierde gedeelte daarvan.

3.27.

[appellant] stelt voorts de waarde van de grondstukken te Madeira (grief VI onder a in principaal appel) aan de orde. De rechtbank heeft deze grondstukken gewaardeerd op een bedrag van € 500.000, de waarde die voorkomt in een vermogensopstelling uit juli 2005 die zoon [C] in de computer van [appellant] heeft aangetroffen. [appellant] bestrijdt deze waarde. Hij verwijst naar de taxatierapporten (van Pink Real Estate) van 5 maart 2007, waarin het grondstuk [n] op een bedrag van € 200.000 wordt gewaardeerd en het grondstuk [p] op een bedrag van € 125.000, in totaal voor beide grondstukken € 325.000.

Naar het oordeel van het hof hebben de kinderen deze taxatierapporten onvoldoende gemotiveerd betwist en hebben ook geen eigen taxatie in het geding gebracht. Het hof zal, evenals de deskundige [deskundige c] heeft gedaan in haar verslag aan de rechtbank, de grondstukken op dit bedrag van € 325.000 waarderen. Grief VI, onderdeel a, in principaal appel slaagt.

ad 3. Contanten in de kluis

3.28.

De kinderen stellen in grief III in het incidenteel appel (p. 18 onder nr. 3) dat het verzwegen bedrag aan contanten in de kluis privévermogen van de moeder was. Zij beroepen zich erop dat [appellant] heeft gezegd dat het bedrag van € 40.000,- aan contanten afkomstig was uit Luxemburg.

Naar het oordeel van het hof hebben de kinderen – op wie terzake de bewijslast rust – aldus niet aangetoond dat deze contanten in het privévermogen van de moeder vielen. Op de bankrekening te Luxemburg zijn gelden van de huwelijksgemeenschap (de verkoopopbrengst van de [straatnaam] ) vermengd met privégelden van de moeder (de nagekomen opbrengst van [plaats] ). Niet is komen vast te staan dat de contante opnamen van die bankrekening uit privévermogen afkomstig is. Het hof zal derhalve ervan uit te gaan dat deze gelden tot de huwelijksgemeenschap behoorden. Ten behoeve van ieder van de kinderen zal een achtste gedeelte van het bedrag van € 40.000,- in aanmerking worden genomen, zijnde € 5.000,- per kind. In zoverre faalt grief III in principaal appel.

3.29.

[appellant] stelt in zijn memorie van antwoord in incidenteel appel nog dat in werkelijkheid een bedrag van € 25.000 aan contanten in de kluis voorhanden was (zodat hij een bedrag van € 20.000 heeft verzwegen). Deze stelling heeft het karakter van een nieuwe grief tegen de vaststelling van de rechtbank – op basis van de eigen verklaringen van [appellant] – dat in de kluis een bedrag van € 40.000,- lag. Er bestaat geen grond voor het aannemen van uitzondering op de “twee-conclusie”-regel, zodat het hof aan deze grief voorbij zal gaan.

ad 4. Opbrengst effecten

3.30.

De kinderen hebben (als productie 1 bij de (antwoord)akte van 18 mei 2011 in eerste aanleg) rekeningafschriften overgelegd aangaande deze effectentransacties, waaruit blijkt dat het effectendepot was verbonden aan de bankrekening met nummer [1] op naam van mevrouw [Y] in privé en dat de verkoopopbrengst naar deze bankrekening is overgeboekt.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] (in zijn akte houdende reactie op producties van 1 juni 2011) niet althans onvoldoende gemotiveerd bestreden dat de effecten tot het privévermogen van de moeder behoorden. Ook in hoger beroep bestrijdt hij dit onvoldoende gemotiveerd. Voor ieder van de kinderen zal een vierde gedeelte in de verkoopopbrengst van € 8.168,54 zijnde een bedrag van € 2.042,14 in aanmerking worden genomen.

E. Waarde woonboot

3.31.

Als gezegd is de rechtbank bij het bepalen van de waarde van de woonboot uitgegaan van de taxatie van [deskundige b] van € 478.870.

De kinderen bestrijden deze taxatie met hun incidentele grief IV. Volgens hen berust de taxatie op een misslag omdat [deskundige b] zich heeft laten leiden door de argumenten van [appellant] Volgens de kinderen kent [appellant] zelf aan de woonboot in bewoonde staat een waarde toe van € 441.000, maar heeft de rechtbank bij vonnis van 24 oktober 2007 bepaald dat het gaat om de waarde in onbewoonde staat. Reeds hieruit volgt dat de door [deskundige b] vastgestelde waarde niet juist kan zijn. [geïntimeerden] wijzen er ook op dat de woonboot te koop is gezet voor € 969.000,-, terwijl sprake is van een dalende markt. Ook dat wijst er volgens hen op dat de waarde op de peildatum hoger moet zijn dan € 478.870,-.

Het hof constateert dat er een aanzienlijk verschil bestaat tussen de taxatie van [deskundige b] en de huidige vraagprijs voor de woonboot, die niet zonder meer kan worden verklaard door het tijdsverloop en mogelijke aan de boot aangebrachte verbeteringen. Ook is van belang dat de kinderen (in eerste aanleg) zich hebben beroepen op een in opdracht van [appellant] opgemaakt taxatierapport van 12 respectievelijk 30 september 2005, waarin de vrije verkoopwaarde van de woonboot, de ligplaats en het extra terras is bepaald op € 785.000,-, en op de zichttaxatie door [deskundige a] van 23 januari 2009, waarin een waarde van € 720.000,- wordt genoemd. Laatstgenoemde taxatie bevindt zich niet bij de gedingstukken.

Het hof constateert dat het procesdossier niet compleet is en dat een aantal stukken ontbreekt die nodig zijn om de grief te kunnen beoordelen. De kinderen dienen de correspondentie waarnaar de rechtbank in rov. 2.4.8 van het tussenvonnis van 15 december 2010 verwijst (de faxbrieven van mr. Janssen van 7 mei 2008 en van 19 september 2008, de faxbrieven van mr. Rasker van 16 mei 2008, 1 oktober 2008 en 19 december 2008, en de (gelijkluidende) brieven van 13 november 2008 van de rechtbank aan partijen) alsnog over te leggen, evenals het taxatierapport van [deskundige a] . Deze kwestie zal op de comparitie aan de orde komen.

F. Veroordeling tot inzage in en afgifte van financiële stukken

3.32.

De rechtbank heeft [appellant] (onder 3.2 van het vonnis van 21 maart 2012) veroordeeld inzage te geven in de boekhouding van Advocatenkantoor [D] over de periode van november 2002 tot en met juli 2004, in de afschriften van de bankrekeningen genoemd in het vonnis van 15 december 2010 onder 2.4.9.b en in het vonnis van 21 maart 2012 onder 2.27, voor zover (mede) ten name van de moeder gesteld, over de periode van april 2003 tot augustus 2004 en in de stukken met betrekking tot de pensioenrechten, telkens op straffe van verbeurte van een dwangsom.

[appellant] bestrijdt in grief VI in principaal appel kort gezegd dat de kinderen deze informatie nodig hebben voor de vaststelling van hun aanspraken, althans hij voert aan dat hij deze informatie voor zover nodig reeds heeft verschaft, althans dat hij daarover niet meer de beschikking heeft. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.33.

De kinderen hebben recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven, zie art. 4:16 lid 4 BW. [appellant] is gehouden daaraan mee te werken. Op de te houden comparitie kan worden besproken welke gegevens thans nog ontbreken (afgezien van de hiervoor te bespreken bewijslevering door [appellant] aangaande de financiering van de grondstukken op Madeira ) om tot een complete boedelbeschrijving te kunnen komen alsmede wanneer en op welke wijze [appellant] deze gegevens zal verschaffen. De kinderen zal worden opgedragen ter voorbereiding op de comparitie een schriftelijk overzicht te geven van de redelijkerwijs nog benodigde informatie.

G. Kosten van rechtsbijstand/depot voorschot

3.34.

De rechtbank heeft beslist dat de kosten van rechtsbijstand van de kinderen met betrekking tot deze procedure ten laste van de nalatenschap komen en heeft deze kosten tot en met 14 februari 2011 begroot op een bedrag van € 90.669,46 waarvan [appellant] al een bedrag van € 30.000 had betaald, en heeft in het vonnis van op 21 maart 2012 het restant bedrag van € 60.669,46 toegewezen (als onderdeel van het toegewezen bedrag van € 153.871,41).

3.35.

[appellant] bestrijdt een en ander met grief IV in principaal appel. Er is volgens hem geen rekening gehouden met de rechtsbijstandsverzekering van [C] . De door mr. E.J. Rasker gedeclareerde kosten zijn bovendien bovenmatig en betreffen voorts ook andere werkzaamheden dan het opmaken van een boedelbeschrijving ter vaststelling van de geldvorderingen van de kinderen. De kosten van rechtsbijstand die de overige geschillen tussen de erven betreffen, behoren niet tot de boedelkosten, aldus [appellant]

3.36.

Naar het oordeel van het hof dient onderscheid te worden gemaakt tussen de kosten van mr. E.J. Rasker die betrekking hebben op het geschil over de boedelbeschrijving en over de vaststelling van de geldvorderingen van de kinderen enerzijds en de kosten die betrekking hebben op de overige geschilpunten anderzijds.

De geschillen over de boedelbeschrijving en de vaststelling van de geldvordering van de kinderen zijn zozeer verweven met de taken die in het testament van de moeder aan de executeur zijn opgedragen (het opstellen van een boedelbeschrijving, het beheer van de goederen van de nalatenschap en het voldoen van de schulden van de nalatenschap, waaronder taxatie en boedelkosten) - en waarvan in deze procedure is gebleken dat [appellant] zich daarvan onvoldoende heeft gekweten - dat de in dit verband door de kinderen gemaakte kosten kunnen worden aangemerkt als schulden van de nalatenschap.

De overige geschilpunten, zoals de opeisbaarheid van deze geldvorderingen, het verhaal daarvoor op de boedel en de vernietiging op grond van de Pauliana van de schenking van de helft van de woonboot, betreffen niet rechtstreeks de werkzaamheden van de executeur. Er bestaat onvoldoende grond de in verband hiermee door de kinderen gemaakte advocatenkosten en verschotten (zoals beslagkosten) als schulden van de nalatenschap aan te merken.

3.37.

De kinderen zal worden opgedragen een specificatie over te leggen van de tot en met 14 februari 2011 gemaakte kosten van mr. E.J. Rasker, uitgesplitst naar kosten die rechtstreeks het geschil over de boedelbeschrijving en de vaststelling van de geldvorderingen betreffen en de overige kosten, waarbij voorts aandacht wordt besteed aan het van de rechtsbijstandverzekering van [C] ontvangen voorschot van € 25.000.. Deze specificatie en uitsplitsing zal ter comparitie aan de orde kunnen komen.

3.38.

De rechtbank heeft een voorschot van € 50.000 ten behoeve van vanaf 15 februari 2011 te maken kosten van rechtsbijstand afgewezen. De kinderen komen daartegen met grief II in incidenteel appel op. De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 2 oktober 2012 (zaaknummer 52149/KG ZA 12-975) een voorschot van € 15.000 toegewezen aan de kinderen voor de vanaf 15 februari 2011 gemaakte advocatenkosten. In het op 17 april 2013 door de rechtbank gewezen eindvonnis is de vergoeding van de vanaf 15 februari 2011 gemaakte kosten van rechtsbijstand begroot op het bedrag van de geliquideerde proceskosten en is de vordering van de kinderen (waaronder zo begrijpt het hof het gevorderde voorschot) op dit punt voor het overige afgewezen. Het betreft hier uitspraken die zijn gewezen nadat in deze zaak de stukken waren overgelegd en een datum voor arrest was bepaald. In hoeverre de kinderen (alsnog) aanspraak (kunnen) maken op toekenning van een verder voorschot op (meer of andere) kosten van rechtsbijstand zal op de comparitie aan de orde kunnen komen. Incidentele grief II wordt aangehouden.

H. Opheffen beslagen onder [appellant]

3.39.

[appellant] heeft nadat de stukken waren gefourneerd en een datum voor arrest was bepaald een vonnis van de voorzieningenrechter van 30 mei 2013 (zaaknummer 541103/KG ZA 13-536) en een beschikking van dezelfde datum (zaaknummer 5411355/KG RK 13/958) overgelegd. De kinderen hebben daartegen geen bezwaar gemaakt. Het hof neemt deze stukken bij de beoordeling van dit onderdeel van de vordering van de kinderen in aanmerking. Uit deze stukken blijkt dat de woonboot op 26 maart 2013 is verkocht en dat de geplande transportdatum 1 juli 2013 is. In het vonnis van 30 mei 2013 is het conservatoire beslag op het aandeel van [appellant] in de woonboot opgeheven. Bij beschikking van dezelfde datum heeft de voorzieningenrechter aan de kinderen verlof verleend beslag te leggen onder de transporterende notaris op het aandeel van [appellant] in de koopsom. Op de vordering tot opheffing van het beslag op het aandeel van [appellant] in de woonboot behoeft daarom niet meer te worden beslist.

Uit de overwegingen van de voorzieningenrechter in het vonnis van 30 mei 2013 blijkt voorts dat de kinderen na het wijzen van het eindvonnis van 17 april 2013 de door het onder ING-bank gelegde beslag getroffen tegoeden (het vonnis van 30 mei 2013 vermeldt onder 2.9 een door het beslag getroffen bedrag van ruim € 90.000,-) hebben geïnd tot verhaal van (onder meer) de in het vonnis van 21 maart 2012 toegewezen bedragen. Bij de stukken bevindt zich een opgave van ING-Bank van 8 februari 2010 van de door het beslag getroffen tegoeden van in totaal € 90.835,65 (productie 7 bij de antwoordakte van 18 mei 2011 van de kinderen). Nu [appellant] zelf dit vonnis heeft overgelegd gaat het hof er vanuit dat dit bedrag inmiddels door de kinderen is geïnd en dat hij geen belang meer heeft bij zijn vordering tot opheffing van het beslag onder de ING-bank.

I. Paulianeuze schenking helft woonboot/afgifte stukken

3.40.

Met grief III in principaal appel komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij paulianeus heeft gehandeld ter zake van de transacties met betrekking tot de woonboot. Grief I in incidenteel appel ziet op de afgewezen vordering van [geïntimeerden] tot afgifte van de stukken over de verrekening van de koopprijs van de woonboot tussen [appellant] en [X] .

Deze onderling samenhangende geschilpunten zullen worden aangehouden totdat een definitieve boedelbeschrijving is opgemaakt en de omvang van de geldvordering van de kinderen is bepaald. Ter comparitie zal dit aan de orde komen. Ieder van partijen dient tijdig tevoren een nieuwe berekening (voorzover thans mogelijk) van de geldvordering van de kinderen uit hoofde van de wettelijke verdeling over te leggen, rekening houdende met hetgeen in dit arrest is beslist, met de daarover inmiddels gekweekte rente. Ter comparitie zal ook het punt van opeisbaarheid van de vorderingen als gevolg van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden aan de orde komen. De bespreking van grief III wordt met het oog daarop aangehouden.

Slotsom

3.41.

Aan ieder van partijen zal worden opgedragen – ter voorbereiding op de te houden comparitie - bij (eenvoudige) akte een nieuwe berekening van de geldvordering van de kinderen in het geding te brengen, rekening houdende met hetgeen in dit arrest is beslist. De kinderen zal tevens worden opgedragen de onder 3.31 omschreven stukken, het onder 3.33 bedoelde overzicht en de onder 3.37 bedoelde specificatie in het geding te brengen. Een antwoordakte c.q. nadere memorie zal over en weer niet worden toegestaan. De in het geding gebrachte stukken kunnen ter comparitie worden besproken.

Het hof zal een verschijning van partijen gelasten met de hiervoor onder 3.14, 3.26, 3.31, 3.33, 3.37, 3.38 en 3.40 genoemde doelen. De comparitie zal tevens worden benut voor het beproeven van een schikking. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

draagt de kinderen op bij akte in het geding te brengen:

de correspondentie waar de rechtbank in het tussenvonnis van 15 december 2010 onder 2.4.8 naar verwijst (de faxbrieven van mr. Janssen van 7 mei 2008 en van 19 september 2008, de faxbrieven van mr. Rasker van 16 mei 2008, 1 oktober 2008 en 19 december 2008, en de (gelijkluidende) brieven van 13 november 2008 van de rechtbank aan partijen) alsnog over te leggen, evenals het taxatierapport van [deskundige a] ;

een schriftelijk overzicht te geven van de voor het opstellen van de boedelbeschrijving redelijkerwijze noodzakelijke (en nog ontbrekende) informatie;

een specificatie van de kosten van rechtsbijstand tot en met 14 februari 2011;

een berekening van de geldvordering van de kinderen;

draagt [appellant] op bij akte in het geding te brengen:

- een nieuwe berekening van de geldvordering van de kinderen;

verwijst de zaak naar de rol van 3 september 2013 voor het door ieder van partijen nemen van een akte als hierboven omschreven;

bepaalt dat partijen in persoon, tezamen met hun advocaten, tot het hiervoor onder 3.41 omschreven doel zullen verschijnen ten overstaan van mr. W.J. van den Bergh, daartoe als raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op vrijdag 27 september 2013 om 09:30 uur;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] dient na te (laten) gaan of partijen en hun advocaten op de hierboven bepaalde dag en tijd kunnen verschijnen en dat deze – zo dat niet het geval mocht zijn – uiterlijk op 3 september 2013 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de periode van september tot en met november 2013 aan het (enquêtebureau van het) hof dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen;

bepaalt dat partijen, voor het geval zij zich ter comparitie willen bedienen van (nog niet in de procedure overgelegde) schriftelijke bewijsstukken, deze uiterlijk 2 weken voor de comparitiedatum toe te zenden aan de raadsheer‑commissaris, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan de wederpartij;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, W.J. van den Bergh en A.R. Sturhoofd, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2013.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature