Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Legitieme portie. Inkorting op begiftigde.

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.074.531

(zaaknummer rechtbank 239643/HA ZA 07-2122)

arrest van de vierde kamer van 29 mei 2012

in de zaak van

1. [appellant sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellante sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellante sub 3],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. L.A.M. van Kippersluis.

tegen

de stichting [geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna: de stichting,

advocaat: mr. E.J.A. Vilé,

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 30 januari 2008, 1 april 2009 en 12 mei 2010 die de rechtbank Utrecht tussen appellanten als eisers en de stichting als gedaagde heeft gewezen. Van die vonnissen wordt een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 11 augustus 2010,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

3.1 Appellanten zijn samen met hun broers [A.] en [B.] de enige kinderen van [C.], overleden op 11 juli 2002, en [D.], overleden op 8 januari 2004, verder te noemen: de erflaatster.

3.2 De erflaatster heeft over haar nalatenschap beschikt bij haar testament, verleden op 20 september 1994 ten overstaan van notaris mr. Jan Willem van Ee. Zij is in dit testament niet afgeweken van de wettelijke regeling omtrent de vererving van haar nalatenschap, zodat zij als haar enige erfgenamen heeft achtergelaten haar vijf kinderen, ieder voor een gelijk deel. Voorts heeft zij in dit testament beschikkingen ten gunste van haar echtgenoot opgenomen die vanwege zijn vooroverlijden geen effect hebben. Zij heeft ook nog bepaald dat de erfgenaam die niet instemt met de in haar testament gemaakte bepalingen en niet tot bekrachtiging van haar testament overgaat, uit haar nalatenschap niet meer verkrijgt dan zijn legitieme portie.

3.3 De ouders van appellanten hebben op 10 april 1986 de stichting opgericht. Blijkens artikel 2 van de thans van kracht zijnde statuten heeft de stichting ten doel: "Het in het algemeen belang doen voortbestaan van buitenplaats [X] te [vestigingsplaats] aan de [adres], met de daarbij behorende gebouwen en met de zich in het huis bevindende inboedel als cultuurhistorisch en natuurmonument, een en ander in de zin van de Natuurschoonwet 1928 en de Monumentenwet en het uitoefenen van de daaraan verbonden rechten en het voldoen aan de daarmee gepaard gaande verplichtingen."

3.4 Blijkens een onderhandse akte, die op 25 december 1996 is ondertekend door de ouders van appellanten en hun broer [B.], ieder zowel voor zich als in de hoedanigheid van bestuurder van de stichting, hebben de ouders van appellanten aan de stichting een schuld wegens door hen aan de stichting ter beschikking gestelde gelden van

f. 3.168.604,- kwijtgescholden, een bedrag van f. 2.000.000,- geschonken en bepaald dat deze kwijtschelding en schenking zijn geschied "onder de last om de stichting gedurende een periode van vijfentwintig jaar na heden in stand te houden en om de gelden aan te wenden voor het behouden in eigendom en instandhouden, zulks genomen in de ruimste zin des woords, van het monument Huis [X] gelegen aan de [adres]. Bij het niet volvoeren van deze last zijn de schenkers of de langstlevende hunner, of hun rechtverkrijgenden onder algemene titel gerechtigd om nakoming van de last ofwel vernietiging van de kwijtschelding en de schenking te vorderen."

3.5 Leden van het bestuur van de stichting zijn thans: de beide broers van appellanten, [A.] en [B.], een neef van appellanten, [E.] (zoon van [A.]), [F.] en mr. [G.].

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Tegen het tussenvonnis van 9 april 2010 zijn geen grieven aangevoerd, zodat het hof het hoger beroep in zoverre zal verwerpen.

4.2 Het geschil in hoger beroep betreft, kort gezegd, (grief 1) de legitieme portie van appellanten in de nalatenschap van erflaatster en inkorting van giften van de erflaatster aan de stichting en (grief 2) een periodieke informatieplicht van de stichting over de wijze van uitvoering van de last die is omschreven in 3.4.

4.3 De erflaatster heeft haar testament vóór de inwerkingtreding van het huidige erfrecht gemaakt; zij is na die inwerkingtreding overleden. Op grond van artikel 68a Overgangswet Burgerlijk Wetboek is het erfrecht zoals dat geldt met ingang van 1 januari 2003 (het huidige erfrecht) van toepassing op de legitieme portie van de appellanten. Dat zou alleen anders kunnen zijn, voor zover uit de omstandigheid dat de erflaatster haar testament onder het oude erfrecht heeft gemaakt, zou voortvloeien dat het oude erfrecht bepalend is voor de rechten van de legitimaris. Dat de erflaatster in haar testament heeft bepaald dat de erfgenaam, die niet instemt met de in haar testament gemaakte bepalingen en niet tot bekrachtiging van haar testament overgaat, uit haar nalatenschap niet meer verkrijgt dan zijn legitieme portie is daartoe niet voldoende. Met deze strafbepaling beoogt de erflaatster dat de erfgenaam die de beschikkingen die zij heeft gemaakt ten behoeve van haar echtgenoot niet respecteert, niet meer verkrijgt dan zijn legitieme portie. Daarmee beoogt zij naar het oordeel van het hof dat deze erfgenaam zo min mogelijk verkrijgt. Nu de legitieme portie naar huidig erfrecht kleiner is dan naar oud erfrecht is het hof, anders dan appellanten, van oordeel dat de omstandigheid dat erflaatster haar testament onder het oude erfrecht heeft gemaakt niet betekent dat zij daarbij ook beoogde dat het breukdeel van de legitieme portie zoals die gold onder het oude erfrecht zou gelden.

4.4 De appellanten hebben tijdig aanspraak gemaakt op de legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster. De legitieme portie van elk van de appellanten wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f BW (artikel 4:65 BW), hierna ook de legitimaire massa. De legitieme portie van elk van de appellanten is op grond van artikel 4:64 BW 1/10e van de ze legitimaire massa. De waarde van giften, door de erflaatster aan de legitimaris gedaan, en van al hetgeen de legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt, komt in mindering van zijn legitieme portie (artikel 4:70 en 71 BW ). Hetgeen dan resteert is de legitimaire aanspraak. Ter zake van deze legitieme aanspraak kan de legitimaris een vordering verkrijgen op de gezamenlijke erfgenamen dan wel op een begiftigde

(artikel 4:79 BW). Is hetgeen een legitimaris op grond van deze vordering op de gezamenlijke erfgenamen kan verkrijgen onvoldoende om hem zijn legitieme portie te verschaffen, dan kan hij op de daarvoor vatbare giften inkorten, voor zover zij aan zijn legitieme portie afbreuk doen. Inkorting van een gift geschiedt door een verklaring aan de begiftigde, die verplicht is de waarde van het ingekorte gedeelte van de gift aan de legitimaris te vergoeden, voor zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is (artikel 4:90 lid 1 BW).

4.5 Partijen zijn het in beginsel erover eens dat het saldo van de nalatenschap van de erflaatster € 2.791.322,- bedraagt, dat de nalatenschap is verdeeld en dat ieder van de erfgenamen zijn deel heeft gehad. Het hof berekent de verkrijging krachtens erfrecht van elk van de appellanten op afgerond € 558.264,-. De stichting stelt dat zij nog een vordering van € 500.000,- heeft op de nalatenschap van de erflaatster uit hoofde van een schenking van de erflaatster aan de stichting, hetgeen de appellanten betwisten. Omtrent deze vordering is bij dit hof in hoger beroep een procedure tussen partijen aanhangig onder zaaknummer 200.043.772. Bij de berekeningen zal het hof ook rekening houden met de mogelijkheid dat het bestaan van deze vordering alsnog in rechte komt vast te staan en het saldo van de nalatenschap € 2.291.322,- bedraagt en het erfdeel van iedere appellant € 458.264,-.

4.6 Partijen zijn het erover eens dat bij de berekening van de legitimaire massa een schenking van de erflaatster aan de stichting van € 1.435.000,- in aanmerking moet worden genomen.

4.7 Partijen zijn het erover eens dat de erflaatster aan de stichting haar onverdeelde helft van de inboedel en kostbaarheden zoals aanwezig in Huize [X] heeft geschonken, maar verschillen van mening over de vraag of deze schenking in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van de legitimaire massa en, zo dat het geval is, voor welke waarde. Op grond van artikel 4:67 onder e BW geldt als hoofdregel dat bij de berekening van de legitieme portie alle giften in aanmerking worden genomen, voor zover de prestatie binnen vijf jaar vóór het overlijden van de erflaatster is geschied. De appellanten stellen geen feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de prestatie binnen vijf jaar vóór het overlijden van de erflaatster is geschied. Zij hebben zich in de processtukken in eerste aanleg noch in de memorie van grieven uitgelaten over het tijdstip van de schenking en de uitvoering daarvan. De appellanten stellen evenmin feiten en omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de giften in afwijking van de hoofdregel van artikel 4:67 onder e BW toch in aanmerking moeten worden genomen (artikel 4:67 onder a-d BW ). De stichting voert in de memorie van antwoord aan dat de schenking van de inboedel en de kostbaarheden in 1989 heeft plaatsgehad. Bij deze stand van zaken oordeelt het hof dat niet is komen vast te staan dat de schenking van de inboedel en de kostbaarheden bij de berekening van de legitimaire massa in aanmerking moet worden genomen. Nu appellanten, zoals hiervoor is overwogen, niet aan hun stelplicht op dit punt hebben voldaan, wordt voorbijgegaan aan het bewijsaanbod dat zij in de memorie van grieven doen onder punt 5.

4.8 De stichting stelt in de memorie van antwoord dat de erflaatster op 19 november 2002 aan elk van haar kinderen behalve aan [B.] een bedrag van € 2.905.000,- heeft geschonken en aan [B.] € 1.465.000,- , derhalve in totaal een bedrag van € 13.085.000,-. Appellanten zijn nog niet in de gelegenheid geweest op deze stelling te reageren.

4.9 Op grond van het vorenstaande zijn er vier mogelijke uitkomsten. Het hof zal voor elk van die vier situaties de legitieme portie en de legitieme aanspraak, afgerond op hele euro's, van de appellanten berekenen.

situatie 1

4.10 Uitgangspunt voor deze berekening is dat niet komt vast te staan dat de stichting een vordering heeft op de nalatenschap van € 500.000,- en dat evenmin rekening wordt gehouden met de schenkingen aan de kinderen van erflaatster van 19 november 2002.

De legitimaire massa bedraagt dan: € 2.791.322,- + € 1.435.000,- = € 4.226.322,-.

De legitieme portie van elke appellant bedraagt: 1/10e (€ 4.226.322,-) = € 422.632,-.

De verkrijging krachtens erfrecht van elke appellant bedraagt: € 558.264,-.

De legitimaire aanspraak bedraagt: € 422.632,- -/- € 558.264,- = - € 135.631,-.

situatie 2

4.11 Uitgangspunt voor deze berekening is dat vast komt te staan dat de stichting een vordering vanwege een schenking heeft op de nalatenschap van € 500.000,-, dat deze schenking wel in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de legitimaire massa, maar dat geen rekening wordt gehouden met de schenkingen aan de kinderen van 19 november 2002.

De legitimaire massa bedraagt dan:

€ 2.291.322,- + € 1.435.000,- + € 500.000,- = € 4.226.322,-.

De legitieme portie van elke appellant bedraagt: 1/10e (€ 4.226.322,-) = € 422.632,-.

De verkrijging krachtens erfrecht van elke appellant bedraagt: € 458.264,-.

De legitimaire aanspraak bedraagt: € 422.632,- -/- € 458.264,- = - € 35.631,-.

situatie 3

4.12 Uitgangspunt voor deze berekening is dat niet komt vast te staan dat de stichting een vordering heeft op de nalatenschap van € 500.000,- en dat rekening wordt gehouden met de schenkingen aan de kinderen van 19 november 2002.

De legitimaire massa bedraagt dan:

€ 2.791.322,- + € 1.435.000,- + € 13.085.000,- = € 17.311.322,-.

De legitieme portie van elke appellant bedraagt:

1/10e (€ 17.311.322,-) = € 1.731.132,-.

De verkrijging krachtens erfrecht van elke appellant bedraagt: € 558.264,-.

De waarde van de door elke appellant verkregen giften is: € 2.905.000,-.

De legitimaire aanspraak bedraagt:

€ 1.731.132,- - -/- (€ 558.264,- + € 2.905.000,-) = - € 1.732.132,-.

situatie 4

4.13 Uitgangspunt voor deze berekening is dat vast komt te staan dat de stichting een vordering heeft op de nalatenschap van € 500.000,- en dat rekening wordt gehouden met de schenkingen aan de kinderen van 19 november 2002.

De legitimaire massa bedraagt dan:

€ 2.291.322,- + € 1.435.000,- + € 500.000,- + € 13.085.000,- = € 17.311.322,-.

De legitieme portie van elke appellant bedraagt:

1/10e (€ 17.311.322,-) = € 1.731.132,-.

De verkrijging krachtens erfrecht van elke appellant bedraagt: € 458.264,-.

De waarde van de door elke appellant verkregen giften is: € 2.905.000,-.

De legitimaire aanspraak bedraagt:

€ 1.731.132,- - -/- (€ 458.264,- + € 2.905.000,-) = - € 1.632.132,-.

4.14 Nu in alle mogelijke situaties de legitimaire aanspraak negatief is, oordeelt het hof dat van inkorting door de appellanten op de giften door de erflaatster aan de stichting geen sprake kan zijn. Het hof ziet dan ook geen aanleiding appellanten nog te laten reageren op de stelling van de stichting omtrent de schenkingen ten bedrage van € 13.085.000,-, nu ongeacht of wel of niet rekening wordt gehouden met deze schenkingen er geen legitimaire aanspraak ontstaat. Grief 1 faalt.

4.15 Appellanten hebben in eerste aanleg bij conclusie na niet gehouden deskundigenbericht, tevens inhoudende vermeerdering van eis, hun eis vermeerderd en gevorderd dat de rechtbank de stichting veroordeelt appellanten periodiek te informeren over de (wijze van) uitvoering van de haar opgelegde last dan wel gegeven opdracht bij schenkingsakte van 25 december 1996 en alle besluiten aan appellanten te melden die zien op een wijziging van doelstelling van de stichting en die van belang zijn dan wel een wijziging of inperking inhouden van hun statutaire positie jegens de stichting. De rechtbank heeft beslist dat deze vermeerdering van eis buiten beschouwing moet worden gelaten. Tegen deze beslissing staat geen hoger beroep open (artikel 130 lid 2 Rv). Het staat appellanten op grond van artikel 353 juncto 130 Rv wel vrij in hoger beroep deze eis alsnog op te voeren. Het hof oordeelt dat de eisen van de goede procesorde zich niet verzetten tegen deze vermeerdering van eis, nu de stichting daardoor niet onredelijk wordt bemoeilijkt in haar verdediging en dit geding daardoor ook niet onredelijk wordt vertraagd. De goede procesorde eist niet dat er tussen de vorderingen die de appellanten jegens de stichting hebben ingesteld enig verband of een niet te ver verwijderd verband dient te bestaan.

4.16 Het hof oordeelt dat het hier een overeenkomst van schenking respectievelijk een gift betreft waarbij aan de begiftigde verplichtingen zijn opgelegd en dat geen sprake is van een overeenkomst van opdracht of een overeenkomst van lastgeving. De verplichting de stichting in stand te houden voor een bepaalde periode en de gelden te gebruiken voor het behoud van Huis [X] kan niet worden aangemerkt als een verplichting werkzaamheden te verrichten, zodat van opdracht geen sprake is. Voor lastgeving is vereist dat de lasthebber zich verbindt voor rekening van de lastgever een of meer rechtshandelingen te verrichten. Daarvan is hier evenmin sprake. De stichting is dan ook niet op grond van artikel 7:403 BW gehouden de appellanten als rechtsopvolgers van de schenkers periodiek te informeren of rekening en verantwoording te doen aan appellanten.

4.17 Wel kan gelet op de aard van de overeenkomst uit de eisen van de redelijkheid en de billijkheid voortvloeien dat de stichting over de uitvoering van de last informatie geeft aan appellanten (artikel 6:248 lid 1 BW). Die informatie dient dan naar het oordeel van het hof in elk geval verband te houden met de verplichtingen die aan de stichting zijn opgelegd, waarbij er tevens een concreet belang dient te bestaan bij de gevorderde informatie. Dat laatste zou het geval kunnen zijn bij een (voorgenomen) ontbinding van de stichting of ingeval er een gegronde vrees bestaat dat de geschonken gelden niet zijn of zullen worden besteed aan het behoud van Huis [X]. Het een noch het ander is gesteld of gebleken. Verder oordeelt het hof dat niet valt in te zien wat het verband is tussen de aan de stichting opgelegde verplichtingen en informatie over besluiten die een effect hebben op de statutaire positie van appellanten jegens de stichting. Appellanten hebben ook niet nader geconcretiseerd wat hun statutaire positie jegens de stichting inhoudt. Het hof oordeelt dat uit de eisen van de redelijkheid niet voortvloeit dat de stichting de door appellanten gevorderde informatie dient te verstrekken. Grief 2 faalt.

4.18 Het hof ziet aanleiding voor een veroordeling van appellanten in de kosten van beide instanties, nu zij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in het ongelijk worden gesteld. Grief 3 faalt.

5. Slotsom

5.1 De grieven falen, zodat het bestreden vonnis van 12 mei 2010 moet worden bekrachtigd. Het hof zal het hoger beroep, voor zover gericht tegen het vonnis van 9 april 2010, zoals al is overwogen in 4.1, verwerpen.

5.2 Als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij zal het hof appellanten in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de stichting worden begroot op € 314,- aan griffierecht en op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt x tarief II).

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwerpt het beroep tegen het tussenvonnis van de rechtbank Utrecht van 9 april 2010;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 12 mei 2010;

veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de stichting vastgesteld op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 314,- voor verschotten.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en J.G. Luiten en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2012.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature