Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Partneralimentatie. Alimentatieplichtige niet verwijtbaar werkloos.

Uitspraak



GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 20 december 2007 in de zaak met landelijk zaaknummer 106.011.122/01 (rekestnummer 632/07) van:

[…],

wonende te [woonplaats],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

procureur: mr. J.M.H. Lebouille,

t e g e n

[…],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANT in incidenteel hoger beroep,

procureur: mr. P. van Dolderen.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellant in incidenteel hoger beroep, worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 6 juni 2007 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 7 maart 2007 van de rechtbank te Amsterdam met kenmerk 344161/ FA RK 06-3562.

1.3. De man heeft op 4 juli 2007 incidenteel hoger beroep ingesteld en op 31 oktober 2007 een verweerschrift ingediend.

1.4. De vrouw heeft op 26 oktober 2007 een verweerschrift ingediend in het incidenteel hoger beroep.

1.5. De zaak is op 8 november 2007 ter terechtzitting behandeld.

2. De feiten

2.1. Het hof heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Partijen zijn [in] 1972 gehuwd. Hun huwelijk is [in] 1996 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 24 juli 1996 in de registers van de burgerlijke stand.

2.3. Partijen hebben [in] 1997 een echtscheidingsconvenant getekend waarin is afgesproken dat de man met ingang van de dag dat de voormalig echtelijke woning aan de vrouw zal zijn toegescheiden maandelijks een bedrag zal betalen van ƒ 5.500,- (€ 2.496,-) als uitkering tot levensonderhoud. Partijen zijn tevens overeengekomen dat de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voor het eerst van toepassing is per 1 januari 1997. Dit convenant is aan een beschikking van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 8 augustus 1997 gehecht. In verband met de wettelijke indexering bedraagt de uitkering met ingang van 1 januari 2007 € 3.285,- per maand.

2.4. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1949. Hij is opnieuw gehuwd met […], die in eigen levenonderhoud voorziet.

Hij ontvangt met ingang van 1 juli 2007 een 80 % WW-uitkering van, blijkens de betaalspecificatie van 5 oktober 2007, € 1.811,- bruto per vier weken. Daarvóór genoot hij (vanaf na te noemen datum) een volledige WW-uitkering ten bedragen van € 2.208,- bruto per vier weken.

De man is met ingang van 1 mei 2006 op zijn verzoek door de rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht, als directeur van [A] B.V. te […] ontslagen en heeft bij zijn ontslag een vergoeding van twee maandsalarissen ontvangen. Zijn laatstgenoten bruto loon bedroeg € 8.895,- per maand, exclusief vakantiebijslag en emolumenten.

Hij is directeur groot aandeelhouder van de besloten vennootschap [B] B.V. In het jaar 2007 heeft hij tot en met oktober een omzet behaald van € 6.750,- en een winst van € 8.349,-. Hij heeft zich in de maand oktober 2007 vanuit de B.V. een inkomen laten uitkeren van € 1.600,- bruto. In het jaar 2006 heeft de B.V. verlies geleden.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door hem bewoonde woning betaalt hij € 2.073,- per maand aan rente. Deze rente is voor een deel niet aftrekbaar. Aan premie voor de levensverzekering die verband houdt met de hypothecaire lening, betaalt hij € 87,- per maand. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 579.000,-.

Uit de belastingaangifte van 2006 blijkt dat hij op 31 december 2006 een vermogen had van € 44.770,-.

Hij betaalt aan premie inzake de Zorgverzekeringswet maandelijks een bedrag van € 118,-.

2.5. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1946. Zij is alleenstaand.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is met wijziging van de beschikking van (lees:) 8 augustus 1997 bepaald dat de man met ingang van 7 maart 2007 € 260,- per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud. Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man de bijdrage te bepalen op nihil met ingang van 1 juli 2006, dan wel met ingang van 2 juni 2006, althans met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist zou achten.

3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de man in zijn verzoek tot wijziging van de partneralimentatie alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek alsnog af te wijzen, althans, opnieuw rechtdoende, de bijdrage van de man aan de vrouw te bepalen op € 700,- per maand met ingang van 7 maart 2007, te weten de datum van de beschikking van de rechtbank.

3.3. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, zijn bijdrage aan de vrouw met ingang van 1 juli 2006 op nihil te stellen, dan wel op een lager bedrag dan € 260,-.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. De behoefte van de vrouw aan een uitkering tot haar levensonderhoud is in hoger beroep niet betwist en staat derhalve vast.

4.2. De vrouw stelt dat er geen wijziging van omstandigheden op grond van artikel 1:401 lid 1 BW is die rechtvaardigt dat de uitkering tot haar levensonderhoud wordt verlaagd. Naar haar mening is de man verwijtbaar werkloos geraakt en dient daarom met zijn inkomensverlies geen rekening te worden gehouden. Zij stelt dat de man in staat is zijn huidige inkomen aan te vullen met zijn ontslaguitkering dan wel met zijn vermogen en daarmee zijn inkomensverlies kan herstellen.

De man geeft aan dat hij vanwege een reorganisatie van het bedrijf van zijn toenmalige werkgever is ontslagen. Het ontslag kan hem niet worden verweten. Hij stelt dat bij het bepalen van zijn draagkracht rekening dient te worden gehouden met de helft van zijn woonlasten. Deze lasten zijn, gezien zijn inkomsten, niet onredelijk hoog. Ook dient rekening te worden gehouden met de premie levensverzekering die is gekoppeld aan de hypotheek, alsmede met het feit dat een deel van zijn Hypotheekrente niet aftrekbaar is. De uitkering dient, in plaats van per 7 maart 2007, met ingang van 1 juli 2006 te worden verlaagd, aldus de man.

4.3. Het hof overweegt als volgt.

Anders dan de vrouw betoogt, is er in casu sprake van wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW , immers het feit dat de man is ontslagen betreft reeds een wijziging van omstandigheden die aanleiding geeft na te gaan of de bijdrage nog aan de wettelijke maatstaven voldoet. Dit brengt mee dat de draagkracht van de man opnieuw zal worden bepaald.

4.4. Ten aanzien van zijn inkomen heeft de man, naar het oordeel van het hof, voldoende aannemelijk gemaakt dat hij is ontslagen in verband met een reorganisatie en niet vanwege disfunctioneren. Zijn ontslag kan hem niet worden verweten. Dit wordt niet anders door het feit dat de man, achteraf bezien, een inschattingsfout heeft gemaakt door een hem aangeboden dienstbetrekking, waarmee hij een inkomen van € 5.000,- bruto per maand had kunnen ontvangen, niet te accepteren. Zijn verwachting, dat hij een andere dienstbetrekking met een vergelijkbaar inkomen als zijn laatstgenoten inkomen zou kunnen krijgen, was niet dermate ongerechtvaardigd, dat hij die baan in het kader van zijn alimentatieplicht had moeten aanvaarden.

Anders dan door de vrouw is aangevoerd, bestaat geen aanleiding om bij het inkomen van de man rekening te houden met zijn ontslagvergoeding dan wel met zijn vermogen. De ontslagvergoeding van de man diende ter compensatie van zijn inkomensverlies alsmede als aanvulling op zijn WW-uitkering en is in 2006 aan de man uitgekeerd. De vergoeding heeft derhalve geen invloed op de draagkracht van de man in 2007. Ten aanzien van zijn vermogen heeft de man voldoende aangetoond dat dit is verbonden aan zijn woning en dat hij daarover niet kan beschikken.

Gezien de duur van zijn werkloosheid en het inkomen dat de man in 2007 in zijn onderneming heeft verdiend, acht het hof de man in staat zich een inkomen te verschaffen van € 3.500,- bruto per maand.

4.5. Het hof houdt rekening met de helft van de door de man opgevoerde rentelast ten behoeve van zijn woning en met de helft van de eigenaarslasten aangezien de echtgenote van de man in staat is in deze kosten bij te dragen en de kosten niet onredelijk hoog zijn ten opzichte van een inkomen van € 3.500,- bruto per maand. Het hof houdt ook rekening met de helft van de premie overlijdensrisicoverzekering omdat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze verzekering is gekoppeld aan zijn hypotheek. Het hof houdt geen rekening met het feit dat een deel van de hypotheek van de man niet aftrekbaar is, aangezien de man deze last is aangegaan in verband met zijn echtscheiding van zijn tweede echtgenote en deze lasten, naar het oordeel van het hof, niet ten nadele behoren te komen van de draagkrachtruimte van de man om een uitkering aan de vrouw te betalen.

Voorts houdt het hof rekening met de premie inzake de Zorgverzekeringswet inclusief de inkomensafhankelijke bijdrage die de man verschuldigd is.

4.6. Het hof bepaalt de ingangsdatum op 7 maart 2007 omdat van de vrouw niet kan worden verlangd dat zij tevoren met een dergelijke grote verlaging van haar uitkering tot levensonderhoud rekening had hoeven te houden.

4.7. Gelet op de behoefte van de vrouw enerzijds en de draagkracht van de man anderzijds is de door de man met ingang van 7 maart 2007 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 800,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Voorzover de man vanaf 7 maart 2007 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan de hiervoor vermelde uitkering, kan van de vrouw, nu een dergelijke uitkering van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt.

4.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 8 augustus 1997, de door de man bij vooruitbetaling te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 7 maart 2007 op € 800,- (ACHTHONDERD EURO) per maand, met dien verstande dat, voorzover de man over de periode vanaf 7 maart 2007 tot heden meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de uitkering tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.M. Smit, C.G. Kleene-Eijk en M. Gonggrijp-Van Mourik in tegenwoordigheid van mr. M. Knoop-Gerritsen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2007 door de rolraadsheer.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature