Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Parkeerbelasting moet in casu worden voldaan door middel van het kopen van een kaartje uit een parkeerautomaat. Daaronder valt niet het werpen van geld in een parkeerautomaat zonder dat deze een kaartje afgeeft, terwijl het ingeworpen geld wordt teruggegeven. Aan het opleggen van een naheffingsaanslag en het aanbrengen van een wielklem staat niet in de weg dat de parkeerautomaat defect was, dat het regende op het moment dat belanghebbende parkeerde of dat belanghebbende een briefje achter de voorruit had aangebracht met zijn telefoonnummer en de mededeling dat de parkeerautomaat defect was. De gestelde omstandigheid dat de onderhavige parkeerautomaat in drie maanden vier maal defect is geweest en dat verweerder nalaat defecte parkeerautomaten spoedig te repareren - wat daarvan ook zij - staat niet in de weg aan het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag, nu er in de directe omgeving enige andere (niet defecte) parkeermeters waren. Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat een wanverhouding bestaat tussen de kosten enerzijds en de nageheven belasting anderzijds.

Uitspraak



GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de directeur stadstoezicht van de gemeente P, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 27 september 2000.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 11 september 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting en de beschikking kosten wielklem, beide gedagtekend 5 juli 2000 en beide genummerd 6044176.

Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd berekend tot een bedrag van ƒ 3,25 parkeerbelasting en ƒ 70 kosten opleggen naheffingsaanslag. Voorts is hem bij beschikking ƒ 65 in rekening gebracht als kosten van het aanbrengen en de verwijdering van een wielklem. Na bezwaar tegen de aanslag en de beschikking zijn deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van verweerder, van de aanslag en van de beschikking.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Ter zitting van 5 juli 2001 is verschenen belanghebbende, tot zijn bijstand vergezeld van B, alsmede namens verweerder mr. C. Belanghebbende heeft ter zitting zonder bezwaar van verweerder kopieën overgelegd van brieven van hem aan verweerder, gedagtekend 27 september 2000 en 18 januari 2001, van D (Stadstoezicht gemeente P) aan hem van 19 december 2000 en van E (directeur Stadstoezicht gemeente P) aan hem van 2 april 2001. Verweerder heeft van deze kopieën kunnen kennisnemen en daarop kunnen reageren. Verweerder heeft zonder bezwaar van belanghebbende ter zitting een situatieschets/plattegrond overgelegd. Belang-hebbende heeft daarvan kunnen kennisnemen en daarop kunnen reageren. Voorts heeft belanghebbende ter zitting een verzoek tot proceskostenvergoeding met twee bijlagen overgelegd.

2. De verordening

2.1. De Verordening Parkeerbelastingen 1999 van de gemeente P (gepubliceerd in het Gemeenteblad van de gemeente P, jaargang 1998, afd. 3, volgn. 152) luidt (na wijziging bij besluiten van de gemeenteraad van P van 14 juli 1999, nr. 379, gepubliceerd in vorenvermeld gemeenteblad, jaargang 1999, afd. 3, volgn. 60, van 15 december 1999, nr. 885, gepubliceerd in vorenvermeld gemeenteblad, jaargang 1999, afd. 3, volgn. 120, en van 12 januari 2000, nr. 8, gepubliceerd in vorenvermeld gemeenteblad, jaargang 2000, afd. 3, volgn. 10) voor het onderhavige geval onder meer als volgt:

" Parkeerbelastingen

Art. 1

Onder de naam parkeerbelastingen worden de volgende belastingen geheven:

a een belasting terzake het parkeren van een voertuig op een bij deze belastingverordening dan wel krachtens deze belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door Burgemeester en Wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

b (…)

Begripsomschrijvingen

Art. 2

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

c parkeerapparatuur: parkeermeters, (…) parkeerautomaten, (…) en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;

(…)

Tijdstip van ontstaan van de belastingschuld

Art. 4

1. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren.

2. (…)

Wijze van heffing en termijn van betaling en restitutie

Art. 6

1. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel door middel van het werpen van geld in parkeerapparatuur en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren. (…) Het College van Burgemeester en Wethouders geeft omtrent een en ander nadere regels.

(…)

Wielklem en wegsleepregeling

Art. 8

1. Met uitzondering van (…), wordt (…) aan het voertuig een wielklem aangebracht tot zekerheid voor de betaling van de naheffingsaanslag terzake de belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel a.

Kosten

Art. 9

1. De kosten van de naheffingsaanslag terzake van de belasting bedoeld in art. 1, onderdeel a, bedragen ƒ 70,00.

2. De kosten van het aanbrengen respectievelijk het verwijderen van de wielklem bedragen ƒ 32,50. De kosten van het aanbrengen en het verwijderen van de wielklem bedragen in totaal ƒ 65.

(…)

4. Het bedrag van de ingevolge het tweede (…) lid in rekening te brengen kosten wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld.

(…)

Nadere regels door het College van Burgemeester en Wethouders

Art. 11

Het College van Burgemeester en Wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van parkeerbelastingen.

Inwerkingtreding en citeertitel

Art. 12

(…)

2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1999.

3. De verordening kan worden aangehaald als Verordening Parkeerbelastingen 1999. "

2.2. Het Uitvoeringsbesluit op grond van de verordening parkeerbelastingen 1999 en de parkeerverordening 1996 (vastgesteld bij besluit van Burgemeester en Wethouders van P van 5 januari 1999, gepubliceerd in vorenvermeld gemeenteblad 1999, nr. 4) luidt onder meer als volgt:

" Burgemeester en Wethouders van P,

(…)

Brengen ter algemene kennis, dat zij bij hun besluit van 5 januari 1999 hebben besloten:

(…)

III dat de voldoening van de parkeerbelasting door middel van het kopen van een kaartje uit een parkeerautomaat geschiedt met inachtneming van de voorschriften die op dat kaartje zijn gesteld; "

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende heeft op 5 juli 2000 zijn auto geparkeerd aan de a-straat te P, ter hoogte van nummer 1 op een plaats waar op dat tijdstip voor dat parkeren parkeerbelasting verschuldigd was. Op dat moment regende het ter plaatse. Belanghebbende heeft getracht de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen door het inwerpen van geld in parkeerautomaat 123. Door een defect aan de automaat werd het ingeworpen geld geretourneerd en werd geen parkeerkaartje afgegeven. Belanghebbende heeft niet bij een andere parkeerautomaat de parkeerbelasting voldaan. Belanghebbende heeft achter de voorruit van zijn auto een briefje gelegd met de volgende tekst:

" De parkeermeter 123 accepteert het geld niet. Gooit het er weer uit + ƒ 5,-. Daarna kon het er niet meer in. "

Daaronder stonden de naam en het mobiele telefoonnummer van belanghebbende.

3.2. Binnen een straal van ongeveer 150 meter van de plaats waar belanghebbende had geparkeerd, stonden ten minste vier parkeerautomaten.

4. Geschil

In geschil is of de bestreden naheffingsaanslag terecht is opgelegd en of verweerder belanghebbende terecht bij beschikking de kosten van het aanbrengen en verwijderen van een wielklem in rekening heeft gebracht.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken. Ter zitting is daaraan het volgende toegevoegd.

Namens belanghebbende: Ik leg brieven over van de afdeling Stadstoezicht over het aantal malen dat de onderhavige parkeermeter defect was en over de reparatie daarvan. Daaruit blijkt dat deze meter om de haverklap defect was. De gemeente kan zelf niet eens zeggen hoe lang de reparaties hebben geduurd. De meter is ondeugdelijk. De gemeente moet ervoor zorgen dat defecte meters spoedig worden gerepareerd. De gemeente laat de meter expres defect om op die manier meer geld binnen te halen. Ik trek mijn getuigenaanbod in, aangezien verweerder het te bewijzen feit (dat de parkeerautomaat defect was) erkent. Ik kon redelijkerwijs niet naar een andere meter zoeken, omdat ik zomerkleding droeg en het regende. Ik zag geen andere meter. Door het inwerpen van geld in de automaat heb ik de parkeerbelasting voldaan. Dat de automaat het geld weer teruggaf doet daaraan niet af. De controleur stelt dat de parkeerbelasting niet voldaan was, maar in het briefje onder mijn voorruit stond dat ik niet kon betalen. Ik heb mijn goede gedrag getoond. Als de controleur mij had gebeld op het nummer dat op het briefje stond, zou ik hem meteen hebben betaald.

Namens verweerder: Op bladzijde 2 van het verweerschrift staat ten onrechte 5 september; dat moet 5 juli zijn. Parkeerautomaten zijn niet vaak kapot en als ze kapot zijn worden ze spoedig, binnen enkele uren, gerepareerd. Als de parkeerautomaat het ingeworpen geld niet accepteert is er niet betaald. Ik leg een situatieschets over van de omgeving van de plek waar is geparkeerd. De volgende parkeerautomaat staat 60 meter de ene kant of 30 meter de andere kant op.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Belanghebbende heeft gesteld dat hij de parkeerbelasting heeft voldaan, door het verschuldigde bedrag in de parkeerautomaat te werpen. Verweerder stelt daartegenover dat de verschuldigde belasting pas is voldaan als de parkeerautomaat het geld accepteert en een kaartje afgeeft. Het Hof constateert dat in casu de parkeerbelasting moet worden voldaan door middel van het kopen van een kaartje uit een parkeerautomaat met inachtneming van de voorschriften die op dat kaartje zijn gesteld (artikel 1, onderdeel a, van de Verordening en artikel III van het Uitvoeringsbesluit op grond van de verordening parkeerbelastingen 1999 en de parkeerverordening 1996 van de gemeente P). Daaronder valt naar het oordeel van het Hof niet het werpen van geld in een parkeerautomaat zonder dat deze een kaartje afgeeft en het ingeworpen geld wordt teruggegeven. Belanghebbende heeft dus - naar 's Hofs oordeel - de verschuldigde parkeerbelasting niet voldaan.

6.2. Belanghebbende stelt dat hij - mede gelet op de regenachtige weersomstandigheden - geen andere parkeerautomaat heeft waargenomen, dat redelijkerwijs niet van hem verwacht kon worden dat hij in de regen op zoek zou gaan naar een andere parkeerautomaat om aldaar de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen, dat hij zijn goede wil heeft getoond door een briefje met telefoonnummer achter de voorruit te leggen en dat daarom de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Naar het oordeel van het Hof brengt het enkele feit dat de parkeerautomaat defect was, niet mee dat verweerder moest afzien van het opleggen van een naheffingsaanslag en van het aanbrengen van een wielklem (HR 22 november 1995, nr. 30.456, BNB 1996/28). Dat wordt naar 's Hofs oordeel niet anders door het feit dat het regende op het moment dat belanghebbende parkeerde en evenmin doordat belanghebbende een briefje achter de voorruit had aangebracht met zijn telefoonnummer en de mededeling dat de parkeerautomaat defect was.

6.3. Belanghebbende stelt dat het evenredigheidsbeginsel en het rechtvaardigheidsbeginsel worden geschonden nu bij de naheffing kosten in rekening worden gebracht die ongeveer 4100% bedragen van de verschuldigde belasting. Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat een wanverhouding bestaat tussen de in de naheffingsaanslag begrepen en de bij de beschikking kosten wielklem in rekening gebrachte kosten enerzijds en de nageheven belasting anderzijds. Niet gesteld of gebleken is dat die kosten meer hebben bedragen dan voortvloeit uit artikel 234, zesde en zevende lid, en artikel 235, dertiende lid, van de Gemeentewet , artikel 2, 3 en 5 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen of artikel 9, eerste en tweede lid, van de Verordening. Voorts kan niet worden gezegd dat de gemeente in redelijkheid niet had kunnen komen tot het aan de auto aanbrengen van een wielklem.

6.4. Belanghebbende stelt dat de onderhavige parkeerautomaat in de periode tussen 1 juli 2000 en 27 september 2000 vier maal defect is geweest en dat verweerder nalaat defecte parkeerautomaten spoedig te repareren. Naar het oordeel van het Hof staat deze gestelde omstandigheid - wat daarvan ook zij - niet in de weg aan het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag, nu - naar verweerder onweersproken heeft gesteld - in de directe omgeving enige andere parkeermeters aanwezig waren en niet gesteld of aannemelijk geworden is dat deze eveneens defect waren.

7. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

8. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 19 juli 2001 door mr. Goes, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature