Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Aan het ontslag van appellant heeft geen dringende reden ten grondslag gelegen, zodat diens werkloosheid niet verwijtbaar is in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. Het Uwv heeft appellant bij het bestreden besluit terecht in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Het beroep van het college tegen het bestreden besluit is ongegrond.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



14/1307 WW

Datum uitspraak: 16 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 november 2013, 12/3629 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv nadere stukken ingediend.

Namens het college heeft mr. D. Çevik een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2015. Namens appellant is

mr. Wintjes verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.J. van der Vlist.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is vanaf 1 mei 1995 werkzaam geweest bij de gemeente Rotterdam, laatstelijk bij de dienst [dienst] als medewerker [functie] bij [bedrijf] . Bij brief van 10 april 2007 is appellant berispt omdat hij in maart 2007 een aantal dagen ongeoorloofd afwezig is geweest.

1.2.

Naar aanleiding van herhaalde keren ongeoorloofd verzuim van appellant heeft er op

10 november 2010 een verantwoordingsgesprek plaatsgevonden. Met appellant is onder meer een proefperiode van een half jaar afgesproken, waarin geen sprake meer mag zijn van ongeoorloofd verzuim en waarin appellant zich moet houden aan de afspraken met en de adviezen van de bedrijfsarts en de regels over ziek melden. Vanaf 2 december 2010 is appellant meerdere keren zonder opgave van reden niet op het werk verschenen. Hierop is de bezoldiging van appellant meerdere keren gestaakt. Daarnaast zijn aan appellant bij besluiten van 11 februari 2011 en 15 februari 2011 disciplinaire maatregelen opgelegd. Daarbij is appellant erop gewezen dat bij nieuw plichtsverzuim disciplinair ontslag niet is uitgesloten.

1.3.

Op 28 februari 2011 is appellant zonder bericht niet op het werk verschenen. De dag erna, op 1 maart 2011, is hij om 12.00 uur op het werk verschenen met de mededeling dat hij direct weer weg moest omdat hij met zijn zoon naar de rechtbank moest. Op 2 maart 2011 heeft een gesprek met appellant plaatsgevonden, waarna hij naar huis is gegaan zonder zich af te melden. Appellant heeft zich die dag om 14.00 uur ziek willen melden, maar die ziekmelding is niet geaccepteerd. Appellant is schriftelijk gesommeerd om de volgende dag, 3 maart 2011, op het werk te verschijnen. Appellant is niet op het werk verschenen. Evenmin heeft appellant gevolg gegeven aan de telefonische opdracht van een medewerker van de afdeling personeelszaken om telefonisch contact op te nemen met zijn teamleider.

1.4.

Bij brief van 3 maart 2011 is appellant op de hoogte gesteld van het voornemen om hem disciplinair ontslag te verlenen. Daarbij is appellant in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken een zienswijze in te dienen. Appellant heeft geen zienswijze ingediend. Bij besluit van 24 maart 2011 is appellant geschorst en is zijn bezoldiging verminderd tot het sociaal minimum. Bij brief van 20 mei 2011 is aan appellant het ontslagvoorstel kenbaar gemaakt. Hierop heeft appellant bij brief van 27 mei 2011 zijn zienswijze gegeven. Vervolgens is appellant uitstel verleend tot 1 juli 2011 voor het indienen van een zienswijze door een advocaat. De gemachtigde van appellant heeft een zienswijze ingediend op 29 juni 2011. In verband met zijn vakantie heeft de gemachtigde van appellant vervolgens tot 8 augustus 2011 uitstel gekregen om een nadere reactie op het ontslagvoorstel te geven, wat hij heeft gedaan bij e-mailbericht van 8 augustus 2011. Bij besluit van 22 augustus 2011 heeft het college appellant met onmiddellijke ingang de straf van disciplinair ontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het ontslagbesluit. Dit bezwaar is bij besluit van 1 maart 2012 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2013 (12/1625) is het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.5.

Appellant heeft op 27 september 2011 een aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend. Omdat op dat moment in verband met de toen nog lopende beroepsprocedure tegen het ontslagbesluit onzekerheid bestond over het recht van appellant op onverminderde doorbetaling van zijn loon, heeft het Uwv bezien of appellant een voorschot kon worden verstrekt. Bij besluit van 18 oktober 2011 heeft het Uwv geweigerd appellant een voorschot toe te kennen. Deze weigering is gebaseerd op de verwachting dat een WW-uitkering bij wijze van maatregel blijvend geheel zou worden geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid van appellant, omdat aan diens ontslag een dringende reden ten grondslag ligt. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.6.

Bij besluit van 17 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en het besluit van 18 oktober 2011 herroepen. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant niet verwijtbaar werkloos is geworden omdat er geen sprake was van een dringende reden, omdat uit het tijdsbestek tussen het voor het eerst constateren van ongeoorloofd verzuim, het niet houden aan gemaakte afspraken op 10 april 2007 en het ontslag per 22 augustus 2011 is af te leiden dat het college geen urgentie had om ontslag te verlenen per 22 augustus 2011. Appellant is alsnog met ingang van 23 augustus 2011 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Het college heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van het college gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opdracht gegeven om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant ernstig plichtsverzuim heeft begaan, wat hem volledig is toe te rekenen. Ook is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een subjectieve dringende reden. Met het ontslagvoornemen van 3 maart 2011 is naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gereageerd op de gebeurtenissen van 28 februari 2011 en de dagen daarna. De omstandigheid dat de daadwerkelijke ontslagverlening vervolgens op procedurele gronden - genoemd zijn de ontslagvoordracht, de termijn voor zienswijzen, herhaaldelijk verleende uitstellen aan appellant en zijn advocaat - nog enige tijd op zich liet wachten, doet volgens de rechtbank niet af aan de subjectieve dringendheid van de ontslagreden.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat het college eerder tot ontslag had kunnen overgaan, niet afdoet aan de objectieve dringendheid, noch aan de subjectieve dringendheid van de dringende reden. Dat de nodige rechtspositionele stappen moesten worden genomen en dat een disciplinair straftraject enige tijd vergt, rechtvaardigt volgens appellant niet een tijdsverloop van meer dan vijf maanden.

3.2.

Het Uwv heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het college, gelet op de procedurevoorschriften die hij in acht heeft moeten nemen, voldoende voortvarend heeft gehandeld. Volgens het Uwv is er sprake van zowel een objectieve als subjectieve dringende reden voor ontslag.

3.3.

Het college heeft schriftelijk toegelicht wat er is gebeurd in de periode vanaf het ontslagvoornemen van 3 maart 2011 tot en met het ontslagbesluit van 22 augustus 2011 en heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Of sprake is van zo’n dringende reden moet worden beoordeeld volgens de maatstaven van het arbeidsovereenkomstenrecht, ook indien het gaat om een arbeidsverhouding die wordt beheerst door het ambtenarenrecht. Als de werknemer de verplichting om werkloosheid te voorkomen niet is nagekomen, weigert het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.2.

Ter beoordeling staat de vraag of appellant door de maatregel van disciplinair ontslag per 22 augustus 2011 verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW . Voor dat oordeel is niet bepalend de wijze waarop het dienstverband is geëindigd. Er dient een materiële beoordeling plaats te vinden, waarbij zowel de aard en de ernst van de gedraging van de werknemer van belang zijn, als de reactie van de werkgever op het gedrag van de werknemer en andere relevante aspecten, zoals de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.

4.3.1.

Anders dan het Uwv in het bestreden besluit heeft aangenomen is het ongeoorloofd verzuim in 2007 niet ten grondslag gelegd aan het ontslag van appellant. Wel is daaraan ten grondslag gelegd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, doordat hij zich geruime tijd niet heeft gehouden aan de met hem gemaakte afspraken over bereikbaarheid, werktijden, verlof- en verzuimaanvragen. Appellant is hierop herhaaldelijk aangesproken en hem zijn diverse disciplinaire maatregelen opgelegd. Daarbij is aan appellant kenbaar gemaakt dat bij een volgend plichtsverzuim disciplinair ontslag niet uitgesloten is. Dit heeft niet geleid tot een verbetering in de houding en het gedrag van appellant. Voor het college waren de gedragingen van appellant genoemd in 1.3 uiteindelijk aanleiding om over te gaan tot disciplinair ontslag.

4.3.2.

Met het Uwv en de rechtbank wordt geoordeeld dat in het licht van de omstandigheden, de gedragingen van appellant op en na 28 februari 2011 een objectief dringende reden voor ontslag vormen.

4.4.1.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of aan het ontslag van appellant ook een subjectief dringende reden ten grondslag heeft gelegen. Daartoe moet beoordeeld worden of door het college in reactie op de aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen van appellant voortvarend genoeg is opgetreden.

4.4.2.

Onderkend wordt dat het college aan een aantal rechtspositionele voorschriften en afspraken was gebonden. Daarmee is geen verklaring gegeven voor de lange tijd die is verstreken tussen het eerste ontslagvoornemen van 3 maart 2011 en het ontslagvoorstel van

20 mei 2011. De gedragingen van appellant waren voor de algemeen directeur van de [dienst] aanleiding om hem bij brief van 3 maart 2011 al kenbaar te maken dat hij de disciplinaire straf van ontslag opgelegd zou krijgen. Nadat appellant geen gebruik had gemaakt van de hem in die brief geboden gelegenheid om binnen een termijn van twee weken een zienswijze in te dienen, heeft de algemeen directeur eerst op 21 april 2011 de verantwoordelijke wethouder voorgesteld om appellant met onmiddelijke ingang te bestraffen met onvoorwaardelijk ontslag wegens plichtsverzuim. Niet is duidelijk gemaakt waarom het na het verstrijken van die zienswijzetermijn meer dan een maand heeft moeten duren voordat de directeur zijn ontslagvoorstel kenbaar heeft gemaakt aan de wethouder en dat het daarna nog een maand heeft moeten duren voordat het ontslagvoorstel van de [dienst] opnieuw aan appellant kenbaar is gemaakt bij brief van 20 mei 2011. Deze gang van zaken staat er reeds aan in de weg om het college te volgen in zijn standpunt dat sprake is geweest van voortvarend handelen, gericht op een zo spoedig mogelijke beëindiging van de aanstelling van appellant. Gelet hierop kan verder in het midden blijven of het college met inachtneming van de destijds geldende voorschriften en afspraken wel voortvarend heeft gehandeld in de periode tussen 20 mei 2011 en 22 augustus 2011.

4.4.3.

Uit 4.4.2 volgt dat aan het ontslag van appellant geen dringende reden ten grondslag heeft gelegen, zodat diens werkloosheid niet verwijtbaar is in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. Het Uwv heeft appellant bij het bestreden besluit terecht in aanmerking gebracht voor een

WW-uitkering.

4.5.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en het beroep van betrokkene zal ongegrond worden verklaard. Het bestreden besluit blijft in stand. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de door appellant verzochte schadevergoeding geen ruimte.

5. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

vernietigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het beroep van het college tegen het bestreden besluit ongegrond;

wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 980,-;

bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van M.A.E. Adamsson als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) M.A.E. Adamsson

UM


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature