Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Geen geldige verblijfsvergunning. Geen recht op kinderbijslag.

Uitspraak



13/1915 AKW

Datum uitspraak: 21 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

15 maart 2013, 12/1049 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is afkomstig uit China en is in maart 2005 naar Nederland gekomen. Haar [zoon]is [in] 2005 in Nederland geboren. Appellante heeft enige tijd kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ten behoeve van haar zoon ontvangen. Het recht op kinderbijslag is vervolgens beëindigd met ingang van het derde kwartaal van 2010, omdat appellante toen niet meer beschikte over een geldige verblijfsvergunning. Op 23 februari 2012 heeft appellante opnieuw kinderbijslag aangevraagd, waarbij een beroep is gedaan op de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR1905). Deze aanvraag is bij besluit van 27 maart 2012 afgewezen, omdat appellante geen verblijfsvergunning heeft en daarom niet verzekerd is voor de AKW.

1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 19 september 2012 heeft de Svb zijn besluit van

27 maart 2012 gehandhaafd. Hierbij is onder meer overwogen dat de Svb de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011 niet volgt en daartegen beroep in cassatie heeft ingesteld.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW7740) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de gronden die appellante heeft aangevoerd in de kern overeenkomen met de gronden die door de Hoge Raad zijn besproken en beoordeeld. Gelet op het door de Hoge Raad gegeven oordeel, is de rechtbank van oordeel dat het beroep van appellante op de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011 en op de internationaalrechtelijke bepalingen niet slaagt.

3. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat zij slachtoffer is van mensenhandel en dat het onthouden van kinderbijslag, gezien de omstandigheden waarin zij verkeert, in strijd is met het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (VN-Vrouwenverdrag). Voorts heeft appellante erop gewezen dat zij Nederland niet kan worden uitgezet en financiële hulp krijgt van de gemeente Groningen waar de kinderbijslag een aanvulling op zou kunnen zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil het recht op kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2011 tot en met het eerste kwartaal van 2012.

4.2.

Niet in geschil is dat appellante aan het nationale recht geen recht op kinderbijslag kan ontlenen. In geschil is de vraag of uit het internationale recht moet worden afgeleid dat appellante niet mag worden uitgesloten van de verzekering voor de AKW op de grond dat zij niet beschikt over een verblijfstitel als in artikel 6, tweede lid, van de AKW genoemd.

4.3.

Kortheidshalve wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:994) in een met het onderhavige geding vergelijkbare zaak. In die uitspraak heeft de Raad, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van

23 november 2012, overwogen dat het beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 14 van het EVRM niet kan slagen. Van dusdanige schrijnende omstandigheden dat deze in het geval van appellante zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van het koppelingsbeginsel, is ook hier niet gebleken. In het kader van de toetsing aan het discriminatieverbod kan ook het beroep op het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), gezien het arrest van de Hoge Raad niet tot een andere uitkomst leiden (vergelijk ook de uitspraak van de Raad van 23 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2492). Het beroep op het VN-Vrouwenverdrag is reeds in de uitspraak van 15 juli 2011 door de Raad verworpen. De in 4.2 geformuleerde vraag dient dan ook ontkennend te worden beantwoord.

4.4.

Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2014.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) R.L. Rijnen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde

NK

Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature