Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Geen geldige verblijfsvergunning. Geen recht op kinderbijslag.

Uitspraak



13/1548 AKW

Datum uitspraak: 21 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

12 maart 2013, 12/716 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Çakici-Reinders, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 16 mei 2006 vanuit Burundi naar Nederland gekomen. Haar [kind] is [in] 2006 in Nederland geboren. Appellante heeft enige tijd kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ten behoeve van haar kind ontvangen. Het recht op kinderbijslag ingevolge de AKW is beëindigd met ingang van het eerste kwartaal van 2010 omdat appellante toen niet meer beschikte over een geldige verblijfsvergunning. Op 3 april 2012 heeft appellante opnieuw kinderbijslag aangevraagd, waarbij zij een beroep heeft gedaan op de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR1905). Aan appellante en haar kind is met ingang van 17 juni 2013 weer een verblijfsvergunning verleend.

1.2.

Bij besluit van 20 april 2012 heeft de Svb de aanvraag om kinderbijslag afgewezen omdat appellante geen verblijfsvergunning heeft en daarom niet verzekerd is voor de AKW.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 30 augustus 2012 heeft de Svb zijn besluit van

20 april 2012 gehandhaafd. Hierbij is overwogen dat de Svb de uitspraak van de Raad van

15 juli 2011 niet volgt en daartegen beroep in cassatie heeft ingesteld.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW7740) ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de Hoge Raad in het bovengenoemde arrest zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en dat om die reden de gemachtigde van appellante en haar kantoorgenoten een klacht zullen indienen bij het Human Rights Committee

(VN-Mensenrechtencomité) te Geneve, welke klacht als nadere grond in deze procedure wordt gebracht. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte niet bij haar afweging betrokken dat appellante eerder recht op kinderbijslag heeft gehad.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil het recht op kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2011 tot en met het tweede kwartaal van 2012.

4.2.

Niet in geschil is dat appellante aan het nationale recht geen recht op kinderbijslag kan ontlenen. In geschil is de vraag of uit het internationale recht moet worden afgeleid dat appellante niet mag worden uitgesloten van de verzekering voor de AKW op de grond dat zij niet beschikt over een verblijfstitel als in artikel 6, tweede lid, van de AKW genoemd.

4.3.

Nu namens appellante in hoger beroep geen nadere internationaalrechtelijke gronden zijn aangevoerd, wordt kortheidshalve volstaan met een verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 5 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:994) in een met het onderhavige geding vergelijkbare zaak. Van dusdanige schrijnende omstandigheden dat deze in het geval van appellante zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van het koppelingsbeginsel, is ook hier niet gebleken. Het feit dat appellante eerder wel aanspraak had op kinderbijslag maakt dat niet anders. Ook hetgeen door de gemachtigde in de klacht aan het VN-Mensenrechtencomité naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. De in 4.2 geformuleerde vraag dient dan ook ontkennend te worden beantwoord.

4.4.

Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, dient te worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2014.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) R.L. Rijnen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

MK


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature