Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Op de berekening van de hoogte van de WW-uitkering van betrokkene in de periode van 2 januari 2007 tot en met 27 mei 2007 was het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW van toepassing. Daarin was niet voorzien in het aanmerken van de MKB-winstvrijstelling als inkomsten uit arbeid. Er is daarom geen grond om de MKB-vrijstelling in de berekening van de inkomsten uit arbeid te betrekken en het bedrag van de terugvordering te corrigeren, zoals de rechtbank heeft gedaan. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Uitspraak



11/6360 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 september 2011, 10/1362 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[A. te B.] (betrokkene)

Datum uitspraak 20 februari 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. N.A.H. Koopman-Hoek een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2013. Voor appellant is verschenen mr. P.J. van Ogtrop. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Koopman-Hoek.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene, aan wie een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) was toegekend, heeft bij besluit van 5 december 2006 van appellant toestemming gekregen om gedurende de periode van 2 januari 2007 tot en met 27 mei 2007, met behoud van uitkering werkzaamheden te gaan verrichten in zijn eigen bedrijf. Daarbij is bepaald dat de

WW-uitkering tijdens de startperiode doorloopt, dat 70% van de inkomsten als zelfstandige op die uitkering in mindering wordt gebracht, dat de uitkering gedurende de startperiode als voorschot wordt betaald en dat na de startperiode een verrekening zal plaatsvinden. Omdat de hoogte van de inkomsten pas na de startperiode bekend zou zijn, zou betrokkene nader worden geïnformeerd over de verrekening.

1.2. Aan de hand van gegevens die zijn vastgesteld door de Belastingdienst voor het jaar 2007 heeft appellant geconcludeerd dat betrokkene tijdens de in 1.1 genoemde startperiode meer heeft verdiend dan hij heeft geschat en opgegeven. Bij besluit van 17 oktober 2010 heeft appellant de teveel aan betrokkene betaalde voorschotten tot een bedrag van € 1.539,20 van hem teruggevorderd. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 20 december 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant te kennen gegeven dat hij op grond van de wet verplicht is om alles wat onverschuldigd is betaald terug te vorderen en dat niet is gebleken van een dringende reden om van terugvordering af te zien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, geoordeeld dat appellant overeenkomstig zijn richtlijnen vermeld in het zogeheten Proceshandboek POWwER heeft gehandeld maar ten onrechte het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW van toepassing heeft geacht. Volgens de rechtbank geldt in het onderhavige geval het Inkomstenbesluit Werkloosheidswet. Hierdoor is appellant uitgegaan van een onjuist bedrag aan inkomsten van betrokkene. Uit een oogpunt van finale geschilbeslechting heeft de rechtbank aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door de inkomsten uit arbeid van betrokkene opnieuw te berekenen en het door appellant van betrokkene terug te vorderen bedrag vast te stellen op € 1.367,39. Tevens heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand en de reis- en verletkosten van betrokkene in bezwaar en in beroep.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat bij betrokkene de zogeheten MKB-winstvrijstelling niet als inkomsten uit arbeid moet worden aangemerkt omdat het gaat om de vaststelling van te betalen WW-uitkering over de periode van 2 januari 2007 tot en met 27 mei 2007. Volgens appellant is terecht de oude regeling, neergelegd in het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW toegepast, waarin de MKB-winstvrijstelling nog geen onderdeel uitmaakte van de inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 35aa, eerste lid, van de WW .

4. Betrokkene heeft in zijn verweerschrift zijn standpunt herhaald dat appellant niet overeenkomstig zijn richtlijnen, vermeld in het zogeheten Proceshandboek POWwER, heeft gehandeld en dat op grond daarvan het bedrag van de terugvordering op nihil gesteld dient te worden. Tevens heeft betrokkene beroepsgronden aangevoerd tegen de hoogte van de door de rechtbank uitgesproken kostenveroordeling en de Raad verzocht om vergoeding van wettelijke rente.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Naar aanleiding van het verweerschrift van betrokkene wordt eerst vastgesteld dat uitsluitend appellant hoger beroep heeft ingesteld. Volgens vaste rechtspraak wordt de omvang van het geding in hoger beroep dan in beginsel bepaald door de beroepsgronden van appellant. Beroepsgronden en standpunten van betrokkene die door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen kunnen, voor zover de in hoger beroep aangevoerde gronden zich niet tot die oordelen van de rechtbank uitstrekken, in hoger beroep niet opnieuw aan de orde komen. Dit is slechts anders, indien sprake is van nauwe verwevenheid tussen beroepsgronden van het hoger beroep en eventueel in verweer naar voren gebrachte standpunten, dan wel indien van betrokkene redelijkerwijs niet kon worden gevergd zelf hoger beroep in te stellen, omdat hij daarbij geen zelfstandig belang had (zie bijvoorbeeld CRvB 11 mei 2006, LJN AX8930, en CRvB 22 oktober 2008, LJN BG1621).

5.2. De in het verweerschrift herhaalde beroepsgrond over de berekening van het in aanmerking te nemen inkomen, die volgens betrokkene niet overeenkomstig de richtlijnen van appellant zou zijn, is uitdrukkelijk en zonder voorbehoud door de rechtbank verworpen. Deze grond is niet verweven met de onder 3 vermelde beroepsgrond van appellant die alleen gericht is tegen de toepassing van het Inkomstenbesluit Werkloosheidswet door de rechtbank, terwijl, gelet op hetgeen betrokkene heeft aangevoerd, hij een zelfstandig belang had bij het instellen van hoger beroep. Aan behandeling van die grond kan dan ook niet worden toegekomen. Hetzelfde geldt voor de in verweer naar voren gebrachte beroepsgronden over de hoogte van de kostenveroordeling in bezwaar en in beroep, die door de rechtbank zijn begroot op € 1.948,02 maar volgens betrokkene hadden moeten worden vastgesteld op € 3.718,92.

5.3. Voor de beoordeling van de onder 3 vermelde beroepsgrond van appellant is het volgende van belang. In de periode waarin betrokkene met behoud van WW-uitkering als zelfstandige van start ging, van 2 januari 2007 tot en met 27 mei 2007, was het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW van kracht. Het Inkomstenbesluit Werkloosheidswet is op 1 juli 2009 in werking getreden, waarbij in artikel 8 van dit besluit is bepaald dat het Besluit inkomsten startende zelfstandigen WW wordt ingetrokken. Vervolgens is met een wijziging van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Inkomstenbesluit Werkloosheidswet geregeld dat de MKB-winstvrijstelling tot het inkomen uit arbeid moet worden gerekend

(Stb. 2009, 595). Deze wijziging is met ingang van 1 januari 2010 in werking getreden. Zowel bij de invoering van het Inkomstenbesluit Werkloosheidswet als bij de latere wijziging daarvan in verband met de MKB-winstvrijstelling is niet voorzien in overgangsrecht.

5.4. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 1 december 2010, LJN BO6299, geoordeeld dat in het geval van betrokkene het Inkomstenbesluit Werkloosheidswet geldt en dat op grond van artikel 2, eerste lid, van het Inkomstenbesluit Werkloosheidswet de MKB-winstvrijstelling bij de belastbare winst uit onderneming opgeteld moet worden. Dit oordeel is niet juist. Appellant heeft terecht gewezen op de uitspraken van de Raad van 8 november 1994, LJN ZB0906, 23 december 1996, AL0754, en 29 juni 2011, LJN BQ9827, waarin de regel is toegepast dat, wanneer bij verandering van wetgeving geen specifieke voorschriften van overgangsrecht zijn gegeven, de aanspraken en verplichtingen van een verzekerde dienen te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de aanspraken of verplichtingen betrekking hebben. Hieruit volgt dat op de berekening van de hoogte van de WW-uitkering van betrokkene in de periode van 2 januari 2007 tot en met 27 mei 2007 het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW van toepassing was. Daarin was niet voorzien in het aanmerken van de MKB-winstvrijstelling als inkomsten uit arbeid. Er is daarom geen grond om de MKB-vrijstelling in de berekening van de inkomsten uit arbeid te betrekken en het bedrag van de terugvordering te corrigeren, zoals de rechtbank heeft gedaan.

5.5. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Uitgaande van wat de rechtbank over de in 5.2 vermelde beroepsgrond heeft overwogen kan hetgeen in beroep door betrokkene is aangevoerd niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit daarom ongegrond verklaren. Gelet hierop bestaat voor de door betrokkene gevraagde veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente geen ruimte.

6. Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 20 december 2010 ongegrond;

-wijst het verzoek van betrokkene om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) J.R. Baas

CVG


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature