Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Strafontslag. Verboden nevenwerkzaamheden. Belangenverstrengeling.

Uitspraak



10/2579 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 30 maart 2010, 09/1108 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie, thans de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

Datum uitspraak: 5 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door M. Cousijnse. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C.E. de Riet, advocaat, en H.C. van Wijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant werkte sedert 1997 als coördinator taakstraffen bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), regio Limburg. Vanuit die functie was hij verantwoordelijk voor het (doen) uitvoeren van leer- en werkstraffen aan minderjarigen, die een taakstraf kregen opgelegd. Die taakstraffen werden niet door de RvdK zelf uitgevoerd, maar door externe leveranciers. Appellant verzorgde ook de inschakeling van externe leveranciers en zocht projecten om opgelegde werkstraffen te kunnen uitvoeren.

1.2. Vanaf 1998 had appellant toestemming van de RvdK om, op beperkte schaal en buiten de regio Limburg, nevenwerkzaamheden voor een tweetal externe leveranciers van de RvdK te verrichten. In 2003 is appellant, samen met de heer G en mevrouw W, [handelsnaam] begonnen, een bedrijf dat onder meer binnen de eigen regio van appellant als externe leverancier projecten uitvoerde. In 2005 zijn appellant en mevrouw W een vennootschap onder firma aangegaan, genaamd [naam]-vof. Als vennoot van [naam]-vof heeft appellant ook werkzaamheden uitgevoerd binnen de regio Limburg van de RvdK.

1.3. In 2006 is binnen de RvdK geconstateerd dat de nevenwerkzaamheden van appellant conflicteren met zijn functie bij de RvdK en is appellant voor de keuze gesteld om ofwel te stoppen met zijn werkzaamheden als coördinator taakstraffen dan wel zijn betrokkenheid als vennoot bij en zijn trainingsactiviteiten voor [naam]- vof te beëindigen. Hierop heeft appellant bij brief van 14 november 2006 medegedeeld dat hij per 7 november 2006 uit de vof is gestapt en dat hij na 1 januari 2007 geen enkele zakelijke bemoeienis meer zou hebben met [naam]-vof. Verder had appellant op zijn werk de afspraak gemaakt alleen nog zaken in behandeling te nemen die geen relatie met [naam]-vof zouden krijgen. Trainingen zou appellant alleen nog op persoonlijke titel en buiten de regio Limburg geven. Voor het geven van die trainingen, volgens opgave van appellant gedurende 6 tot 8 uur per week, heeft de regiodirecteur Limburg op 18 januari 2007 aan appellant, in afwachting van nieuwe regelgeving met betrekking tot nevenwerkzaamheden, tijdelijk toestemming verleend.

1.4. Bij brief van 25 maart 2008 is appellant ervan in kennis gesteld dat een extern onderzoek uitgevoerd zou gaan worden naar mogelijke belangenverstrengeling en/of plichtsverzuim vanuit zijn functie. In het kader van dit onderzoek, dat is uitgevoerd door KPMG, heeft er op 22 april 2008 een gesprek plaatsgevonden met appellant. Met ingang van 25 april 2008 is appellant buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend en vanaf 24 juli 2008 is appellant in het belang van de dienst geschorst. Op 18 augustus 2008 heeft KPMG het eindrapport uitgebracht. Naar aanleiding van de bevindingen van KPMG heeft er daarna nog verder intern onderzoek plaatsgevonden.

1.5. Bij besluit van 15 december 2008 is appellant primair met ingang van 18 december 2008 de straf van onvoorwaardelijk ontslag als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) opgelegd. Subsidiair is appellant op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR ontslagen op grond van ongeschiktheid voor zijn functie, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Na bezwaar is dat besluit gehandhaafd bij het bestreden besluit van

22 juni 2009.

1.6. Appellant wordt het volgende verweten:

(a) het uitoefenen van per 1 januari 2007 verboden nevenwerkzaamheden voor [naam]-vof;

(b) het doen van een onjuiste opgave van het aantal uren nevenwerkzaamheden over de jaren 2005 tot en met 2007;

(c) het uitoefenen van nevenwerkzaamheden tijdens ziekte in de jaren 2005 tot en met 2008;

(d) het voeren van een onjuiste verlofurenregistratie over de jaren 2005 tot en met 2007;

(e) het indienen van onjuiste onkostendeclaraties over de periode december 2004 tot en met februari 2008;

(f) het ontvangen van betalingen voor trainingen die zijn uitgevoerd door een collega.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan het onder (a) genoemde plichtsverzuim en dat al op grond van dit plichtsverzuim tot strafontslag kon worden overgegaan. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat ook de verwijten onder (b) tot en met (f) vaststaan en aangemerkt kunnen worden als ernstig plichtsverzuim. De straf van ongevraagd ontslag achtte de rechtbank niet onevenredig aan de aard en omvang van het totale plichtsverzuim.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Op grond van artikel 61, vierde lid, van het ARAR is het de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.

3.2. De minister heeft in 2006 terecht geoordeeld dat de nevenwerkzaamheden die appellant tot dan toe binnen zijn eigen regio uitoefende, de goede vervulling van zijn functie vanwege mogelijke belangenverstrengeling niet in redelijkheid verzekerde. Officiële besluitvorming daarover was niet noodzakelijk, nu aan appellant voor de bewuste nevenwerkzaamheden nimmer formeel toestemming was verleend, appellant dat oordeel toen niet bestreed en vervolgens maatregelen heeft getroffen om zodanige belangenverstrengeling te voorkomen.

3.3. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat de minister hem, alvorens KPMG in te schakelen, de gelegenheid had moeten geven zich daarover uit te laten. Het stond de minister vrij om, zonder voorafgaand overleg met, laat staan instemming van, appellant het onderzoek door KPMG te laten uitvoeren. Later heeft appellant voldoende gelegenheid gehad zich tegen de bevindingen van dit onderzoek zich te verweren.

3.4. Ten aanzien van de door appellant na 1 januari 2007 verrichte werkzaamheden merkt de Raad op dat appellant in zijn verklaring van 22 april 2008 heeft erkend dat hij na 7 november 2006 nog betrokkenheid heeft gehad bij [naam]-vof. Zo heeft hij geld overgemaakt van de rekening van die vof naar zijn eigen bankrekening, heeft hij andere betalingen verricht en heeft hij met het bankpasje van [naam]-vof geld opgenomen. Ook heeft appellant als coördinator taakstraffen nog opdrachten verstrekt aan [naam]-vof. Ter zitting heeft appellant de inhoud van die verklaring niet bestreden.

3.5. Evenals voor de rechtbank staat voor de Raad voldoende vast dat appellant vanaf januari 2007 verboden nevenwerkzaamheden heeft verricht, dat hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en dat dit plichtsverzuim appellant geheel is aan te rekenen.

3.6. Eveneens deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat ook de overige aan appellant verweten gedragingen zijn komen vast te staan en zijn aan te merken als plichtsverzuim. Evenmin als de rechtbank acht de Raad aannemelijk dat deze gedragingen slechts zijn terug te voeren op een gebrekkige administratie van zowel appellant als de minister.

3.7. Gezien de aard en de ernst van de verweten gedragingen, in zijn totaliteit bezien, acht de Raad de straf van ontslag daaraan niet onevenredig. De verweten gedragingen stroken niet met de door appellant in zijn functie te dienen doelen, namelijk jongeren door middel van een taakstraf te doen leren van hun fouten. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2012.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) J. van Dam.

NK


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature