Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Strafontslag. Fysiek geweld van de trambestuurder jegens passagier van de tram.

Uitspraak



07/5265 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2007, 06/2248 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 18 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.M. Brink, advocaat te Haarlem. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A. de Jong, advocaat te Amsterdam, en W. van Oort, werkzaam bij GVB Exploitatie BV.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds juli 1979 werkzaam bij het voormalig Gemeentelijk Vervoersbedrijf Amsterdam (hierna: GVB) in de functie van personenvervoerder (trambestuurder).

1.2. In de late avond van 8 juni 2005 had appellant dienst op tramlijn [tramlijn]. Bij de halte [halte] richting Centraal Station stapte een man in die zich tijdens de rit naar het Centraal Station enige malen met de rijstijl van appellant bemoeide, waarbij hij appellant, naar diens verklaring, beledigde. Na enige tijd gaf appellant de passagier te kennen bijstand in te roepen als hij zich zou blijven misdragen. Dit volstond.

1.3. Aangekomen bij de halte Centraal Station verliet de passagier de tram via de uitgang aan de voorzijde, waarbij hij appellant in het voorbijgaan weer uitschold. Toen is ook appellant de tram uitgestapt en is hij de passagier achterna gegaan. Bij hem gekomen heeft hij deze man in het gezicht geslagen; de passagier kwam te vallen tegen de glazen wand van een abri die brak; appellant heeft hem nogmaals in het gezicht geslagen; omstanders hebben erger kunnen voorkomen. De passagier liep ten gevolge van de klappen en de val lichamelijk letsel op. Hij heeft aangifte ter zake van eenvoudige mishandeling gedaan en bij het GVB een klacht tegen appellant ingediend.

1.4. Naar aanleiding van die klacht heeft het college bij besluit van 13 juni 2005 appellant met behoud van bezoldiging geschorst hangende het onderzoek naar de klacht.

1.5. Nadat appellant het voornemen daartoe was meegedeeld en hij daarover zijn zienswijze had gegeven, heeft het college bij besluit van 16 september 2005 appellant wegens zeer ernstig plichtsverzuim op grond van de artikelen 204 en 1003, eerste lid, aanhef en onder f, van het Ambtenarenreglement Amsterdam de disciplinaire maatregel van ontslag met directe ingang opgelegd.

1.6. Het bezwaar dat appellant tegen het besluit van 16 september 2005 heeft ingediend, heeft het college bij besluit van 28 april 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep dat appellant tegen het bestreden besluit had ingesteld, ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

3.1. Appellant betwist niet dat hij zich in de avond van 8 juni 2005 heeft gedragen zoals onder 1.3 nader is beschreven: hij heeft zijn tram verlaten, is de passagier die hem tijdens de rit van de [halte] naar het Centraal Station naar zijn verklaring herhaaldelijk heeft beledigd, achterna gegaan en heeft deze persoon tweemaal in het gezicht geslagen, met letsel als gevolg. De Raad is van oordeel dat appellant zich op deze wijze heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. De stelling van appellant dat hij zich nog steeds van het begaan van het plichtsverzuim niets kan herinneren en in een toestand van black-out zal hebben gehandeld, wordt niet door enig medisch gegeven gesteund. Dit geldt ook voor het rapport van 20 augustus 2005 dat de klinisch psycholoog Tjebbes op verzoek van appellant heeft uitgebracht, waarin geen psychologische verklaring voor de appellant verweten gedragingen is te vinden en appellant een evenwichtig mens wordt genoemd.

3.2. Appellant heeft ook in hoger beroep naar voren gebracht dat de hem opgelegde disciplinaire maatregel van ontslag onevenredig is aan de ernst van het hem verweten plichtsverzuim. In dit verband heeft appellant een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en gewezen op een aantal gevallen van medewerkers van het GVB die ook tegen anderen fysiek geweld hebben gebruikt, maar aan wie het college de disciplinaire maatregel van voorwaardelijk ontslag heeft opgelegd. Dit betoog slaagt niet. Naar het oordeel van de Raad heeft het college voldoende gemotiveerd gesteld dat in die gevallen geen sprake was van plichtsverzuim van de ernst als aan appellant wordt verweten, waarvan de kern is dat hij zonder eerst zelf in enige vorm lichamelijk letsel te hebben opgelopen een passagier te lijf is gegaan. Verder heeft appellant gesteld dat het GVB hem door de jaren heen onvoldoende heeft gewapend tegen de toenemende agressiviteit en geweld van de kant van passagiers. Ook dit volgt de Raad niet. In het verweerschrift in hoger beroep heeft het college een aantal middelen genoemd die zijn ingezet om de door appellant genoemde agressiviteit aan te pakken en de veiligheid in tram en bus voor het rijdend personeel en de passagiers te verhogen. In dit verband heeft appellant in 2003 een training weerbaarheid gedaan en was hij ervan op de hoogte dat hij in gevallen van agressiviteit bijstand kon inroepen. Tot slot heeft appellant erop gewezen dat hij ruim

20 jaar in dienst van het GVB is geweest en dat hem niet eerder een disciplinaire maatregel is opgelegd. De Raad acht deze feiten zeker niet zonder gewicht, maar zij kunnen niet opwegen tegen de ernst van het appellant verweten plichtsverzuim.

3.3. De Raad komt dan ook tot het oordeel dat niet gezegd kan worden dat de aan appellant opgelegde disciplinaire maatregel van ontslag onevenredig is aan de ernst van het door appellant gepleegde plichtsverzuim.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet dus worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.G. Treffers en K. Zeilemaker als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 december 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) K. Moaddine.

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature