Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Nevenactiviteiten. Onderzoek naar declaraties. Weigering vergoeding kosten rechtsbijstand.

Uitspraak



04/5589 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], (hierna: appellant),

en

de Minister van Justitie (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 15 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 september 2004.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2007. Namens appellant is mr. P.J. Signer, advocaat te Almere, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. van Meer, werkzaam bij het ministerie van Justitie.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend. Hij heeft aan verweerder schriftelijk enkele vragen gesteld. Deze heeft daarop bij brief van 6 maart 2008 geantwoord. Bij brief van 21 april 2008 heeft appellant hierop gereageerd.

Na daartoe van partijen toestemming te hebben gekregen, heeft de Raad bepaald dat het verdere onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft vanaf zijn benoeming als rechterlijk ambtenaar bij het openbaar ministerie regelmatig nevenactiviteiten op het gebied van het strafrecht verricht. Met ingang van 1 juli 2000 is appellant benoemd tot [functie] bij het ressortsparket [plaats] (hierna: ressortsparket). In 2001 heeft appellant in het kader van internationale rechtshulp voor [het land] een door het MATRA-fonds van het ministerie van Buitenlandse Zaken te subsidiëren project opgezet en is hij daar de projectleider van geworden. Als uitvloeisel daarvan heeft appellant in 2001 een aantal reizen naar [het land] gemaakt. Voor enkele daarvan vroeg en verkreeg hij instemming van een lid van het College van procureurs-generaal (hierna: college van p-g). Met ingang van 21 januari 2002 is appellant met (langdurig) ziekteverlof gegaan.

1.2. Bij brief van 10 juli 2002 heeft de plaatsvervangend [functie] van het ressortsparket appellant aangeschreven in verband met een aanzienlijk bedrag aan onterecht door het ressortsparket aan appellant vergoede kosten van diverse aard. In de loop van juli 2002 heeft appellant het grootste deel van de door het ressortsparket aan hem vergoede kosten inzake het [project] terugbetaald. Een op 3 augustus 2002 aan de Rijksrecherche gegeven opdracht om een feitenonderzoek in te stellen heeft geleid tot een rapportage van 15 augustus 2002. Met ingang van 1 september 2002 is appellant teruggetreden uit zijn functie van [functie] en is hij benoemd tot advocaat-generaal bij een ander ressortsparket.

1.3. Op 3 december 2002 is namens de [functie] aangifte gedaan van strafbare feiten van appellant ten aanzien van het ressortsparket in verband met zijn declaraties inzake reizen voor het [project]. Het proces-verbaal van het strafrechtelijk onderzoek is afgesloten op 6 mei 2003. De hoofdofficier van justitie van het landelijk parket heeft besloten tot een technisch sepot met betrekking tot de verdenking van oplichting en tot een beleidssepot met betrekking tot de verdenking van verduistering (in dienstbetrekking). Het college van p-g heeft hiermee ingestemd.

1.4. In verband met het strafrechtelijk onderzoek heeft appellant juridische bijstand ingeroepen en de minister bij brief van 30 januari 2003 verzocht hem de kosten daarvan te vergoeden op grond van artikel 46 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra). Bij besluit van 3 maart 2003 is dit verzoek afgewezen. Bij het bestreden besluit van 3 september 2004 is - voor zover in dit geding van belang - de afwijzing van het verzoek gehandhaafd en is ook het verzoek afgewezen om de kosten van het bezwaar te vergoeden.

1.5. Aan de gehandhaafde afwijzing van vergoeding van de kosten van juridische bijstand in het strafrechtelijk onderzoek heeft verweerder, daarbij lettend op het bepaalde in artikel 46, eerste lid, van de Wrra, zoals luidend van af 15 mei 2002 (Wet van 6 december 2001, Stb. 584), kort samengevat het volgende ten grondslag gelegd. Door een ernstige verdenking jegens appellant is de aangifte tot stand gekomen. De verdenkingen met betrekking tot de verduistering zijn niet vervallen. De noodzaak van strafrechtelijke bijstand is naar het oordeel van de minister ontstaan door verwijtbaar gedrag van appellant zelf, zodat op grond van de billijkheid geen reden bestaat voor een vergoeding, een schadeloosstelling of een tegemoetkoming. Het gelijkheidsbeginsel is niet geschonden. De bekendheid van het college van p-g met appellants activiteiten voor het [project] doet niet af aan zijn eigen verantwoordelijkheid. Voor vergoeding van de kosten van rechtskundige bijstand in bezwaar is geen aanleiding, omdat de afwijzing bij het primaire besluit niet is herroepen. Dat de motivering bij het bestreden besluit enigermate is gewijzigd vormt geen grond voor de vergoeding van deze kosten.

2. Appellant heeft in beroep gewezen op diverse omstandigheden die zijns inziens hadden moeten leiden tot een positieve beslissing op zijn verzoek.

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Verweerder heeft verzocht om een door appellant ingezonden geschrift van 22 juni 2007 uit de gedingstukken te verwijderen, omdat dit geschrift tot stand is gekomen in een mediation traject, waarbij partijen geheimhouding waren overeengekomen. Gelet op de - door appellant niet betwiste - overeengekomen geheimhouding in het mediation traject, is de Raad van oordeel dat het appellant niet vrijstond zich op dit geschrift te beroepen. De Raad zal het geschrift van 22 juni 2007 dus bij zijn oordeelsvorming buiten beschouwing laten.

3.2. Appellant heeft in de loop van deze beroepsprocedure het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit achterhaald is door toezeggingen van de zijde van het college van p-g tot volledige vergoeding van de advocatenkosten.

De Raad kan appellant niet volgen. De door appellant genoemde brief van 5 oktober 2007 (lees: 2006) van procureur-generaal S laat zien dat de vergoeding van de advocaatkosten onderdeel uitmaakte van een integraal door appellant te accepteren pakket. Deze brief bevat dus niet een onverkorte toezegging zoals door appellant bedoeld. Appellant heeft voorts niet gesteld dat hij het in de brief van 5 oktober 2006 aangeboden pakket integraal heeft aanvaard en ook uit de gedingstukken blijkt daar niet van.

3.3. Bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden is van belang dat de in artikel 46 van de Wrra aan het bevoegd gezag gegeven bevoegdheid om een rechterlijk ambtenaar naar billijkheid een schadeloosstelling, een vergoeding van kosten of overigens een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen, discretionair van aard is. Dit betekent dat de toetsing van de gehandhaafde weigering om gebruik te maken van artikel 46 van de Wrra beperkt is tot de beantwoording van de vraag of, gelet op hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd, verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van bedoelde bevoegdheid gebruik te maken, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.

3.4. Appellant meent dat van belang is dat zijn activiteiten voor het [project] behoorden tot de 15% in zijn functie van [functie] te verrichten landelijke taken. Hij heeft daartoe onder meer gewezen naar zijn gesprekken over het project met het college van p-g.

Verweerder acht de opvatting van appellant onjuist.

3.4.1. De Raad heeft in de gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten gevonden die appellants opvatting ondersteunen. De uiteenzettingen van appellant over het reilen en zeilen van het project en de beslissingen over het project wijzen erop dat appellant alle activiteiten voor het [project] geheel zelfstandig ten opzichte van het ressortsparket en het college van p-g verrichtte. De omstandigheid dat appellant voor enige reizen naar [het land] instemming van het college van p-g vroeg en kreeg is onvoldoende om de werkzaamheden aan te merken als behorende tot zijn functie van [functie].

Het mogelijke belang van appellants functie voor degenen die hem gevraagd hadden om een project op dit gebied te entameren kan evenmin tot gevolg hebben dat de werkzaamheden een onderdeel vormden van appellants taak als rechterlijk ambtenaar.

3.4.2. Niet ten onrechte heeft verweerder de activiteiten voor het [project] dus als nevenactiviteiten aangemerkt.

3.5. De Raad zal appellants stellingen over de onterecht gedane aangifte en het ontbreken van verwijtbaarheid van zijn gedragingen in onderlinge samenhang bespreken.

3.5.1. Appellant acht zijn gedrag niet verwijtbaar. Hij heeft in dat verband gewezen op de trage besluitvorming over de subsidie, zijn bespreking vooraf met het managementteam over de voorfinanciering door het ressortsparket, de reisopdrachten van het college van p-g en zijn gezondheidssituatie toen in december 2001 de subsidie was verstrekt.

Appellant meent dat de aangifte tegen hem ten onrechte is gedaan, omdat ten tijde van de aangifte het volledige bedrag inzake het [project] al was terugbetaald. Appellant heeft voorts gewezen op de opmerking van procureur-generaal B bij de hoorzitting van de bezwaaradviescommissie dat het onderzoek achteraf niet nodig was geweest en op de mededeling van procureur-generaal S dat deze na bestudering van het proces-verbaal van de Rijksrecherche tot het oordeel kwam dat van de kant van de procureur-generaal destijds, indien dat gevraagd zou zijn, zou hebben kunnen worden ingestemd met ook een sepot wegens onvoldoende bewijs voor wat betreft de verdenking wegens verduistering (in dienstbetrekking). Daarbij meent appellant ook dat een bestuursrechtelijk disciplinair onderzoek had kunnen en moeten worden ingesteld in plaats van een strafrechtelijk onderzoek. Daarmee zouden de kosten van juridische bijstand zeer beperkt gebleven zijn.

3.5.2. Dat er een bespreking met het managementteam over het laten voorfinancieren van de kosten van het [project] door het ressortsparket heeft plaatsgevonden is de Raad uit de gedingstukken niet gebleken. De instemming van procureur-generaal B met enkele reizen voor het [project] bracht niet mee, dat deze mede op de hoogte was of zou kunnen zijn van het laten vergoeden van de kosten van alle reizen van appellant en andere deelnemers aan het project door het ressortsparket in afwachting van de verstrekking van subsidie. De Raad kan uit het geheel van de beschikbare gegevens niet anders concluderen dan dat de leiding van het ressortsparket door de uitbetaalde declaraties van appellant in 2001 in samenhang met de afwezigheid van een schriftelijke verantwoording door appellant, gerechtvaardigde twijfel over de rechtmatigheid daarvan kon krijgen. Hierbij kan er niet aan voorbij worden gezien dat appellant als hoofd van dienst en eindverantwoordelijke van het ressortsparket de door hem ingediende declaraties zelf ondertekende, op basis waarvan de uitbetalingen plaatsvonden.

Nadat de waarnemer van appellant in juli 2002 de vergoeding van de kosten voor het [project] in 2001 had onderkend, bleek vervolgens dat de voor het project opgerichte stichting in december 2001 subsidie had gekregen, dat appellant eveneens in december 2001 van de rekening van de stichting een aanzienlijk bedrag naar een door hem recent geopende eigen rekening had overgemaakt en daarvan privé-uitgaven had betaald. Dat deze gedraging van appellant, in samenhang met het achterwege blijven van enig bericht van appellant over de terugbetaling van de vergoedingen voor het [het land]- project, aanleiding gaf om te twijfelen aan de bedoelingen van appellant kan de Raad niet onbegrijpelijk achten.

3.5.3. Wat betreft de veel langere duur van de besluitvorming over de subsidie dan appellant had verwacht volstaat de Raad met de opmerking dat de activiteiten voor het project niet een aangelegenheid van het ressortsparket waren, zodat niet valt in te zien dat verweerder daar betekenis aan zou moeten hechten. Dat appellant, naar zijn zeggen, altijd beoogd heeft om de vergoedingen terug te betalen, hetgeen ten tijde van de aangifte ook was gedaan, doet aan de aard en de ernst van de ontstane verdenkingen niet af.

3.5.4. Voor zover appellant van opvatting is dat zijn handelwijze niet verwijtbaar is vanwege zijn gezondheidsproblemen en de aansluitende periode van arbeidsongeschiktheid kan de Raad appellant niet volgen. In de eerste plaats is arbeidsongeschiktheid op zichzelf geen reden om verwijtbaarheid afwezig te achten. Aan de medische rapportages van de huisarts van 18 mei 2003 en van de klinisch psycholoog-psychotherapeut drs. S. Berendsen van 31 januari 2008 kan de Raad niet ontlenen dat appellant van februari 2001 tot medio 2002 aan zodanige gezondheidsproblemen heeft geleden, dat hij in het geheel niet verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden voor de financiële beslissingen die hij in die periode heeft genomen.

3.5.5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de zojuist besproken omstandigheden niet meebrengen, dat appellant niet verwijtbaar zou hebben gehandeld met zijn declaratiegedrag en met zijn nalatigheid tot onverwijlde terugstorting in december 2001.

Tegen deze achtergrond en gelet op de aard en de ernst van de ontstane verdenkingen komt geen betekenis toe aan de omstandigheid dat verweerder na het rapport van 15 augustus 2002 ook een andere keuze dan de aangifte had kunnen maken en aan de omstandigheid dat het openbaar ministerie na het strafrechtelijk onderzoek mogelijkerwijs tot een andere beslissing had kunnen komen dan het beleidssepot inzake de verdenking van verduistering (in dienstbetrekking).

3.6. Appellant acht het gelijkheidsbeginsel geschonden. Daartoe heeft hij verwezen naar de vergoeding die verweerder heeft verstrekt voor kosten van rechtsbijstand van een met name genoemde officier van justitie die betrokken was geraakt bij een tegen hem gerichte strafrechtelijke procedure. Gelet op de door verweerder over die zaak gegeven en door appellant niet betwiste informatie volstaat de Raad met de constatering dat bij het bestreden besluit met juistheid is overwogen en beslist dat geen sprake is van gelijke gevallen.

3.7. Al het vorenstaande brengt mee dat de Raad niet tot het oordeel is kunnen komen dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren van zijn in artikel 46 van de Wrra gegeven bevoegdheid gebruik te maken, of anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. De bij het bestreden besluit gehandhaafde afwijzing houdt dus in rechte stand.

4. Appellants beroepsgronden tegen de weigering van verweerder om de kosten van bezwaar te vergoeden zal de Raad beoordelen aan de hand van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge deze bepaling komen de kosten van bezwaar, voor zover hier van belang, uitsluitend voor vergoeding in aanmerking voor zover het primaire besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De door verweerder, naar aanleiding van hetgeen door appellant in bezwaar naar voren was gebracht, gegeven gewijzigde motivering bij het bestreden besluit van de afwijzing van het verzoek impliceert geen herroeping van het primaire besluit, noch de onrechtmatigheid van dit besluit. Hierdoor is niet voldaan aan de vereisten zoals deze zijn genoemd in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb om voor vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten in aanmerking te komen. Verweerder heeft het desbetreffende verzoek van appellant terecht afgewezen.

5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. Het beroep van appellant zal dus ongegrond worden verklaard.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 december 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature