Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Herziening arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak



05/4111 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[A. te B. ] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 mei 2005, 05/167 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam.

II. OVERWEGINGEN

Appellant ontvangt per 24 oktober 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), aanvankelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 1 oktober 1999 is appellant voor 4 uren per week in dienst getreden bij de Stichting landelijk bureau DISK. Deze werkhervatting heeft destijds geen invloed gehad op de mate van arbeidsongeschiktheid, zodat artikel 44 van de WAO niet is toegepast. Bij brief van 4 februari 2000 is appellant hiervan op de hoogte gesteld.

Bij een herbeoordeling in november 2002 heeft de arbeidsdeskundige P. Nelissen, zoals blijkt uit zijn rapportage van 14 november 2002, het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 79% en op grond daarvan geconcludeerd dat appellant met ingang van 1 oktober 2002 voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt te beschouwen is. Bij besluit van 29 november 2002 heeft het Uwv met toepassing van artikel 36 van de WAO, de uitkering van appellant met ingang van 1 oktober 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Nadat de bezwaararbeidsdeskundige W.Th. Pompe in zijn rapport van 12 augustus 2003 tot de conclusie was gekomen dat de restverdiencapaciteit van appellant per 1 oktober 2002 79,98% bedroeg, zodat hij onveranderd 65 tot 80% arbeidsongeschikt diende te worden beschouwd, is het bezwaar bij besluit van 15 oktober 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 2 november 2004, nr. 03/2809, het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 15 oktober 2003 gegrond verklaard. De rechtbank heeft dat besluit vernietigd met opdracht aan het Uwv om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nader besluit te nemen. Daarbij heeft de rechtbank enerzijds vastgesteld dat appellant zich actief heeft opgesteld met betrekking tot vergaring van de noodzakelijke informatie, terwijl de informatieverstrekking van de zijde van het Uwv voorafgaande aan het besluit van 29 november 2002 onduidelijk en onvolledig is geweest. De rechtbank heeft in dat verband de brief van het Uwv van 4 februari 2000 genoemd. Anderzijds was de rechtbank van oordeel dat het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel niet zo ver gaan dat bepalingen van dwingend recht buiten werking kunnen worden gesteld. Wel oordeelde de rechtbank dat in een dergelijke situatie de zorgvuldigheid een uitlooptermijn vereist en appellant in de gelegenheid gesteld diende te worden zich op een nieuwe financiële situatie in te stellen. Nu dat in de onderhavige zaak niet was gebeurd, heeft de rechtbank het besluit vernietigd. Partijen hebben in deze uitspraak berust.

Ter uitvoering van de uitspraak van 2 november 2004 heeft het Uwv op 13 december 2004 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (hierna: het bestreden besluit), waarbij het bezwaar tegen het besluit van 29 november 2002 gegrond is verklaard en de WAO-uitkering van appellant per 29 januari 2003 is herzien en gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Aan zijn beslissing heeft het Uwv de beoordeling van de bezwaararbeidsdeskundige R.C. Hooff ten grondslag gelegd, die in zijn rapportage van 31 augustus 2004 tot de conclusie is gekomen dat de restverdiencapaciteit 79,86% bedroeg. Ook dit leidde tot een onveranderde indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%.

Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld. Ter ondersteuning van zijn verweer heeft het Uwv een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J. den Hartog van 29 maart 2005 overgelegd, die de mate van arbeidsongeschiktheid per 29 januari 2003 heeft berekend naar zowel uurloon als maandloon. De mate van arbeidsongeschiktheid heeft hij vastgesteld op 79,58% respectievelijk 79,52 %, hetgeen in beide gevallen overeenkomt met de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Weliswaar constateerde de rechtbank dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid op verschillende wijzen heeft berekend en daarmee appellant niet duidelijk en eenduidig tegemoet is getreden, maar dit vormde voor de rechtbank geen reden het bestreden besluit te vernietigen. Voorts was de rechtbank van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige Den Hartog de mate van arbeidsongeschiktheid heeft berekend volgens de uitgangspunten die daarvoor in de wet- en regelgeving zijn neergelegd.

Naar aanleiding van appellants beroepsgronden heeft de rechtbank in het bijzonder overwogen dat er geen aanleiding was het door het Uwv gehanteerde indexcijfer voor onjuist te houden en de mate van arbeidsongeschiktheid (naar boven) af te ronden. Bestendig afrondingsbeleid van het Uwv was de rechtbank niet bekend en het Uwv was daartoe naar het oordeel van de rechtbank ook niet gehouden.

Met betrekking tot de door appellant gestelde onbillijkheid en onrechtvaardigheid die de strikte uitvoering van de regeling van vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de WAO en het geldende schattingsbesluit met zich brengt, overwoog de rechtbank dat het niet aan de rechter is om de billijkheid van het door de wetgever gekozen wettelijk systeem van arbeidsongeschiktheid(sklassen) te beoordelen. Aan het systeem van de arbeidsongeschiktheidswetgeving waarin met klassen wordt gewerkt, is inherent dat klassengrenzen overschreden kunnen worden door - relatief gezien - geringe inkomstenveranderingen, maar eveneens is daaraan inherent dat de indeling in een arbeidsongeschiktheidsklasse door een - relatief- klein verschil in maatmaninkomen, voor een betrokkene bij benadering van zo’n klassegrens - relatief- gunstig (indien de klassegrens maar net overschreden wordt) of juist - relatief - ongunstig (indien de hogere klassegrens net niet gehaald wordt) kan uitwerken. De stelling dat appellant door zijn bereidheid om weer aan het arbeidsproces deel te nemen op deze manier wordt “afgestraft” kon de rechtbank om die reden niet onderschrijven.

Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft in essentie zijn eerdere grieven herhaald. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

De Raad overweegt als volgt.

Appellant heeft er in hoger beroep wederom op gewezen dat met de brief van 4 februari 2000 het vertrouwen is opgewekt dat de werkhervatting geen invloed zou hebben op de mate van zijn arbeidsongeschiktheid.

Ook heeft hij er op gewezen dat hij met ingang van 1 mei 2003 zijn arbeidsduur heeft teruggebracht van 4 uren naar 3,4 uren per week en dat hij met ingang van 23 september 2003 opnieuw is ingedeeld in de klasse 80 tot 100%. Naar de mening van appellant had de arbeidsdeskundige bij zijn herbeoordeling dan ook uit moeten gaan van de feitelijke gewerkte uren dat wil zeggen van 3,4 uren in plaats van 4 uren.

De Raad begrijpt deze laatste grief aldus dat appellant zich op het standpunt stelt dat het Uwv bij zijn herbeoordeling de gehele periode, dat wil zeggen de periode van 1 oktober 2002 tot 23 september 2003, had moeten betrekken.

Deze beide grieven treffen geen doel. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 2 november 2004, nr. 03/2809, uitgebreid gemotiveerd waarom het vertrouwensbeginsel niet is geschonden. Appellant heeft in die uitspraak door intrekking van zijn aanvankelijk ingesteld hoger beroep uiteindelijk berust, zodat de vraag of de brief van 4 februari 2000 rechtens te honoreren vertrouwen heeft opgewekt thans niet meer aan de orde kan komen. Het onderhavige geding beperkt zich dan ook tot de vraag of de rechtbank het bestreden besluit, waarbij de WAO-uitkering met ingang van 29 januari 2003 is herzien, terecht in stand heeft gelaten. De omstandigheid dat appellant na deze datum 3,4 uren per week is gaan werken en dat dit nadien heeft geleid tot een herziening van de WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% valt buiten de omvang van het geding.

Met betrekking tot de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de berekeningswijzen van de arbeidsdeskundigen onvoldoende inzichtelijk zijn omdat deze van elkaar verschillen, mede omdat de arbeidsdeskundigen wisselende indexcijfers gebruiken. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat de rechtbank een niet correcte versie van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: het Schattingsbesluit) heeft gehanteerd. Appellant kan voorts de rechtbank niet volgen in haar oordeel dat er geen aanleiding is de mate van arbeidsongeschiktheid die wordt aangegeven met twee cijfers achter de komma, af te ronden naar 80%, wat tot indeling in de klasse 80 tot 100% leidt. Door een foutieve berekening in het verleden is artikel 44 van de WAO niet van toepassing verklaard. Indien dat duidelijk zou zijn geweest, zou appellant geweten hebben dat een werkhervatting van 4 uur financieel ongunstig voor hem zou uitpakken. Appellant wilde echter maatschappelijk weer actief zijn en ondervindt van zijn keuze nu de nadelige gevolgen. Hij ziet dat als een onredelijke afstraffing van het door hem en zijn werkgever getoond actief burgerschap.

Met appellant is de Raad van oordeel dat ten tijde van de datum in geding artikel 8, eerste lid, van het Schattingsbesluit van 8 juli 2000 (Stb 2000/307), zoals dit artikellid luidde op dat tijdstip, van toepassing was. In artikel 8, eerste lid, is bepaald dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid het maatmaninkomen aangepast wordt aan de wijziging van de index van de CAO-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen, Categorie Volwassenen, zoals dit door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wordt gepubliceerd. Op de datum in geding gold derhalve niet, zoals de rechtbank aannam, artikel 8, zoals dit luidde na de wijziging van het Schattingsbesluit met ingang van 1 oktober 2004. Met ingang van deze datum hield artikel 8, eerste lid, in dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid het maatmaninkomen aangepast wordt aan de door het CBS eerst gepubliceerde indexcijfers.

Deze omissie heeft evenwel geen gevolgen voor de beoordeling in onderhavige zaak. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 11 oktober 2005, LJN: AU4362 heeft geoordeeld is het, gelet op de wijze waarop het CBS tot juli 2003 de indexcijfers publiceerde, namelijk in de vorm van eerst gepubliceerde, voorlopige en definitieve cijfers, niet altijd te vermijden dat het Uwv gebruik maakt van wisselende CBS-loonindexcijfers. Gelet hierop heeft de Raad het handelen van het Uwv terzake op zichzelf niet in strijd met het gestelde in het Schattingsbesluit geacht. Dit laat evenwel onverlet dat bij de berekening van het verlies aan verdiencapaciteit door de arbeidsdeskundige de nodige zorgvuldigheid in acht moet worden genomen. Het is de Raad in de onderhavige zaak niet gebleken dat de berekening van de resterende verdiencapaciteit niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat het gebruik in de loop der tijd van verschillende loonindexcijfers tot een wisseling van de arbeidsongeschiktheidsklasse voor appellant heeft geleid.

Met betrekking tot de door appellant bepleitte afronding van het arbeidsongeschiktheidspercentage naar boven onderschrijft de Raad de overwegingen dienaangaande van de rechtbank. De Raad voegt daar nog aan toe, dat zoals de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft toegelicht, de wetgever heeft gekozen voor een systeem waarin de vastgestelde mate van arbeidongeschiktheid leidt tot indeling in de in artikel 21, tweede lid, van de WAO onderscheiden klassen. Daarin past naar het oordeel van de Raad niet een afronding zoals deze door appellant wordt beoogd. Ook deze grief faalt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 september 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.A. Huizer.

MH


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature