Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Toename van arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak



04/4124 WAO

04/4126 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 20 juli 2004, reg. nr. 03/469 en 03/470 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

met tevens als partij:

[na[vestigingsplaats]ever], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: werkgever).

Aan het geding in hoger beroep heeft tevens de werkgever als partij deelgenomen.

Datum uitspraak: 13 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene en de werkgever hebben ieder afzonderlijk een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th. Martens. Betrokkene is met zijn echtgenote in persoon verschenen. De werkgever is verschenen bij haar gemachtigde J.H.C. van Dongen, werkzaam bij de Koninklijke Metaalunie te Nieuwegein.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene, laatstelijk voltijds bij de werkgever werkzaam als hoofd bedrijfsbureau, heeft op 9 april 2001 zijn werkzaamheden gestaakt vanwege klachten samenhangend met sarcoidose (ziekte van Besnier Boeck) en surmenage. In september 2001 heeft betrokkene in het kader van zijn reïntegratie, aanvankelijk voor een beperkt aantal uren, in een in die zin aangepaste functie bij de werkgever het werk hervat dat die niet de aan zijn oude functie verbonden leidinggevende en probleemoplossende taken omvatte, omdat hij de daaraan verbonden psychosociale belasting nog niet aankon.

Aan het rapport van 15 februari 2002 van de arts K.J. Volders valt te ontlenen dat betrokkene als gevolg van zijn ziekte duidelijke energetische beperkingen heeft en dat betrokkene ook op geestelijk gebied enige beperkingen ervaart. Deze arts heeft betrokkene in staat geacht arbeid te verrichten die energetisch licht is en die qua psychosociale belasting niet extreem zwaar moet zijn. De arbeidsdeskundige J.W. Looijmans is vervolgens bij rapport van 10 april 2002 tot de conclusie gekomen dat betrokkene na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken met zijn aangepaste werkzaamheden een zodanig inkomen kon verwerven dat hij een loonverlies leed van 12%. Daarop is betrokkene bij besluit van 12 april 2002 meegedeeld dat hem met ingang van 7 april 2002 geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toekomt, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

Op 22 augustus 2002 heeft betrokkene zijn aangepaste werkzaamheden in zijn geheel gestaakt. De arts Volder heeft vervolgens onderzoek gedaan naar de vraag of sprake was van een situatie dat met toepassing van een verkorte wachttijd van vier weken aan betrokkene een WAO-uitkering kon worden verleend. In zijn rapport van 13 november 2002 heeft deze arts zijn conclusie wat dat betreft als volgt verwoord:

“Bij het onderzoek werden weliswaar afwijkende bevindingen vastgesteld, maar deze zijn niet veranderd t.o.v. de vorige beoordeling. Wel is er thans een situationele component aanwezig die maakt dat betrokkene thans verzuimt. Dit ziekteverzuim is echter het terrein van betrokkene en diens werkgever (c.q. de arbodienst). Er is geen toename van beperkingen voor werk in het algemeen en zeker niet door de ziekteoorzaak in verband waarmee in het verleden een WAO-beoordeling heeft plaatsgevonden. De belastbaarheid is conform het opgestelde belastbaarheidsprofiel d.d. 15 februari 2002.”

Bij besluit van 20 november 2002 is betrokkene daarop meegedeeld dat hem niet na vier weken arbeidsongeschiktheid uitkering kan worden toegekend, omdat de arbeidsongeschiktheid niet uit dezelfde oorzaak voortkomt als die op grond waarvan hij eerder de wettelijke wachttijd van 52 weken had vervuld. Daarbij is opgemerkt dat toekenning van een WAO-uitkering wellicht wel mogelijk was als de huidige arbeidsongeschiktheid 52 weken zal hebben geduurd. In dat verband is betrokkene geadviseerd een nieuwe aanvraag in te dienen als de arbeidsongeschiktheid acht maanden heeft geduurd.

In bezwaar hebben betrokkene en zijn werkgever aangevoerd dat de ziekte sarcoidose de oorzaak is van de nieuwe uitval. De bezwaarverzekeringsarts M.A. Peerden heeft in zijn rapport van 7 maart 2003 gesteld :

“De PVA (lees: de primaire verzekeringsarts) maakt inzichtelijk dat voor de WAO niet verzekerde entiteiten - karakterstructuur en, ten dele in het verlengde daarvan, interactie tussen werkgever en werknemer - de directe oorzaak waren van betrokkene’s klachten bij uitval. Uiteraard is er een relatie tussen de beperkingen voortvloeiend uit Besnier Boeck en het feit dat de kwetsbaarheid in de persoonlijkheid nu meer manifest wordt, maar deze relatie is naar de vigerende wet- en regelgeving niet dusdanig eenduidig dat van dezelfde ziekteoorzaak kan worden gesproken.”

Bij het thans bestreden en op de bezwaren van betrokkene en zijn werkgever genomen besluit van 8 april 2003 heeft appellant onder verwijzing naar voormeld rapport van de bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat betrokkene niet voldoet aan de in artikel 43a van de WAO gestelde voorwaarden, zodat er niet na een verkorte wachttijd van vier weken uitkering kan worden toegekend. Daaraan is toegevoegd dat als gevolg hiervan een eventuele WAO-beoordeling na een reguliere wachttijd van 52 weken zal plaatsvinden.

Tijdens de gedingvoering bij de rechtbank is de bezwaarverzekeringsarts Peerden tot de conclusie gekomen dat na vorenbedoelde wachttijd van 52 weken een medische urenbeperking tot zes uur per dag was aangewezen. Aan betrokkene is, mede rekening houdend met de door hem op dat tijdstip verworven inkomsten in aangepast werk gedurende 29 uur per week, daarop een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat appellant in het kader van de toepasselijkheid van artikel 43a van de WAO deugdelijk had dienen te motiveren dat boven twijfel was verheven dat de bij betrokkene opgetreden surmenage in augustus 2002 niet in verband stond met de surmenage in april 2001. Door dit na te laten heeft appellant ruimte gelaten voor de mogelijkheid dat bedoeld verband wel bestond.

Tegen dit oordeel van de rechtbank richt zich het hoger beroep van appellant. Aangevoerd is dat ten tijde van de uitval in april 2001 alleen de ziekte van Besnier Boeck aanleiding heeft gegeven tot het stellen van medische beperkingen voor het verrichten van arbeid. Voorts is door appellant, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 21 april 2004 (RSV 2004/211), aangevoerd dat weliswaar de psychische klachten van betrokkene bij de eerste arbeidsongeschiktheidsschatting bekend waren maar dat deze, omdat zij geen aanleiding hebben gegeven tot het stellen van medische beperkingen, niet als oorzaak van arbeidsongeschiktheid zijn aan te merken. Ervan uitgaande dat sprake is van twee verschillende ziekteoorzaken, de ziekte van Besnier Boeck en de psychische spanningsklachten, kan, aldus appellant, ten aanzien van de uitval van augustus 2002 niet worden gesproken van een toename van de arbeidsongeschiktheid waarbij deze toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de eerder vastgestelde arbeidsongeschiktheid voortvloeide. Ten slotte heeft appellant de reden om als oorzaak van arbeidsongeschiktheid een onderscheid te maken tussen de ziekte Besnier Boeck en de bij betrokkene bestaande spanningsklachten als volgt toegelicht:

“[betrokkene] kent als gevolg van de ziekte Besnier Boeck energetische beperkingen. Door deze beperkingen kan [betrokkene] in zijn werk niet meer hetzelfde als voorheen. Mede daardoor zijn ook spanningen in de werksfeer ontstaan. Tezamen met zijn persoonlijkheid, die ons imponeert als streng voor zich zelf en moeite hebbend met veranderingen, hebben zich bij [betrokkene] de psychische klachten ontwikkeld. Ofschoon deze klachten een relatie hebben met de energetische beperkingen dienen deze klachten naar onze mening als een op zichzelf staande ziekte-entiteit te worden beschouwd. Overigens achten wij deze klachten, ten tijde in geschil, situationeel bepaald en zouden die klachten niet leiden tot een toename van beperkingen voor arbeid in het algemeen. Na de wachttijd van 52 weken hebben deze klachten, voor zover nog aanwezig, ook niet geleid tot een wijziging van de in februari 2002 vastgestelde functionele mogelijkhedenlijst.”

Ter zitting heeft appellant zijn hiervoor weergegeven standpunt gehandhaafd. Betrokkene en de werkgever hebben staande gehouden dat, kort samengevat, geen sprake is van een nieuwe ziekteoorzaak.

De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat betrokkene ten tijde van zijn uitval op 9 april 2001 en zijn melding met toegenomen klachten op 22 augustus 2002 lijdende was aan de ziekte van Besnier Boeck.

Het hiervoor al deels weergeven rapport van de arts Volders van 15 februari 2002 vermeldt dat betrokkene na zijn ziekmelding op 9 april 2001 weer in staat moest worden geacht lichtenergetisch werk te verrichten, dat qua psychosociale belasting ook niet extreem zwaar moet zijn. Dit in aanmerking nemend komt de Raad tot de conclusie dat de ziekte Besnier Boeck bij betrokkene heeft geleid tot een aantal lichamelijke én psychische klachten, waarmee de arts Volder blijkens zijn rapport rekening heeft gehouden. Dat de verminderde psychosociale belasting geen vertaling heeft gekregen in een in de functionele mogelijkhedenlijst aangegeven beperking doet, gelet op het karakter van hulpmiddel voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van deze lijst, daaraan op zich niet af.

Bij rapport van 13 november 2002, opgemaakt naar aanleiding van de uitval op 22 augustus 2002, heeft de arts Volders naast de ziekte van Besnier Boeck als diagnose gesteld: surmenage door werkgerelateerde en intrapersoonlijke factoren. Hieraan ontleent de Raad dat zich op dat moment bij betrokkene (opnieuw) psychische klachten voordeden. De arts Volders heeft, naar aan zijn rapport eveneens valt te ontlenen, evenwel geen toegenomen beperkingen aanvaard, uitsluitend omdat de klachten van betrokkene sterk werkgerelateerd en derhalve situationeel van aard waren.

De Raad acht deze vorm van besluitvorming in het kader van de beoordeling of voor betrokkene een wachttijd van vier weken arbeidsongeschiktheid geldt niet adequaat. Appellant heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat betrokkene niet voldoet aan de “wettelijke gestelde voorwaarden” en (op pagina 1 van het besluit) als -kennelijk belangrijkste- voorwaarde vermeld dat “de arbeidsongeschiktheid moet voortkomen uit dezelfde oorzaak”.

Het bepaalde in artikel 43a van de WAO brengt met zich dat de vraag of sprake is van toegenomen beperkingen voorafgaat aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. Met andere woorden: eerst als de vraag of sprake is van toegenomen beperkingen is beantwoord, komt de vraag aan de orde of deze voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak.

De Raad onderschrijft bovendien niet het in het medisch oordeel van de arts Volders besloten liggende standpunt dat psychische klachten die samenhangen met het ondervinden van problemen in de werksituatie door een verminderd functioneren als gevolg van beperkingen die de ziekte van betrokkene met zich brengen, een andere oorzaak hebben zoals bedoeld in artikel 43a van de WAO . Daarbij attendeert de Raad erop, dat als hiervoor door de Raad vastgesteld, er reeds bij de beoordeling in februari 2002 sprake was van lichamelijke én psychische klachten. Dienaangaande wijst de Raad er tevens op dat, mede gelet op de daarop door de wetgever gegeven toelichting, in geval van twijfel over het oorzakelijk verband tussen de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid en de later toegenomen arbeidsongeschiktheid, de balans ten voordele van de verzekerde dient door te slaan.

Nu de bezwaarverzekeringsarts Peerden vorenvermelde zienswijze van de arts Volder heeft onderschreven en het bestreden besluit hierop steunt, heeft appellant dit besluit in strijd met het bepaalde in artikel 43a van de WAO genomen en komt dit reeds op die grond voor vernietiging in aanmerking.

De Raad kan thans aan de gedingstukken niet met voldoende zekerheid ontlenen dat sprake was van toegenomen beperkingen. Aanwijzingen daarvoor vormen wel dat op zich niet bestreden wordt door appellant dat bij betrokkene sprake was van psychische klachten en dat aan de gedingstukken valt te ontlenen dat de bezwaarverzekeringsarts Peerden na een wachttijd van 52 weken na 22 augustus 2002 een medische urenbeperking tot zes uur per dag heeft aanvaard in een situatie dat betrokkene, anders dan na ommekomst van de hier in geding zijnde wachttijd van vier weken, zijn aangepaste werkzaamheden deels weer had hervat.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit een draagkrachtige motivering ontbeert en dat de aangevallen uitspraak, zij het op ander gronden, voor bevestiging in aanmerking komt. Appellant zal een nieuw besluit op de bezwaren van betrokkene en de werkgever dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de kosten van betrokkene en de werkgever in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 38,42 aan reiskosten ten behoeve van betrokkene en aan € 644,-voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep ten behoeve van de werkgever.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een nieuw besluit neemt op de bezwaren van betrokkene en de werkgever met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag groot € 38,42 en in de proceskosten van de werkgever tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 422,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.J. Janssen.

RB0410


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature