Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Beoordeling en ontslag ambtenaar.

Uitspraak



05/3833 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 mei 2005, nr. 03/1573 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen (hierna: college)

Datum uitspraak: 28 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.G.M. van Zutphen, advocaat te Almelo. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M.C. Verheyden, advocaat te Zutphen en door J.P. Augustijn, werkzaam bij de gemeente Zutphen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als systeembeheerder bij de gemeente Zutphen. Nadat hij in 2001 tijdelijk uit zijn functie was ontheven wegens onvoldoende functioneren, is met hem een verbetertraject afgesproken dat voorzag in terugplaatsing in zijn functie onder inten-sieve begeleiding en een eindbeoordeling na zes maanden. Mocht bij die eindbeoordeling blijken dat appellant de gestelde doelen niet had gehaald dan zou ontslag wegens ongeschiktheid volgen, met als ingangsdatum 15 februari 2003. Een en ander is vastgelegd in een brief van 28 maart 2002 met bijlagen.

1.2. Op 31 oktober 2002 is de eindbeoordeling over het functioneren van appellant opgemaakt, welke op 30 december 2002 (onder het aanbrengen van enkele kleine wijzigingen) is vastgesteld. Het samenvattend oordeel luidt “onvoldoende”. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 30 januari 2003 is aan appellant per 15 februari 2003 op grond van artikel 8:6, eerste lid, van de CAR /UWO eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de functie van systeembeheerder, anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ook tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 september 2003 heeft het college beide bezwaarschriften ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. de beoordeling

3.1. Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van de in geding zijnde beoordeling heeft de rechtbank de juiste maatstaf aangelegd. Die toetsing is volgens vaste jurisprudentie (CRvB 5 november 1998, LJN ZB7954 en TAR 1998, 191) beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in geval van negatieve oordelen zoals hier, het betrokken bestuursorgaan aan de hand van concrete feiten in rechte aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust.

3.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat van de in geding zijnde beoordeling niet kan worden gezegd dat deze onhoudbaar is. Hij sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen en verwijst daarnaar. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt de Raad nog het volgende toe.

3.3. Met betrekking tot de grief dat het traject van zes maanden te kort was, zodat appellant geen reële verbeterkans is gegeven, overweegt de Raad dat appellant, destijds voorzien van een raadsman, zelf heeft ingestemd met de duur van het traject. Appellant heeft blijkens de brief van 28 maart 2002 immers te kennen gegeven zichzelf in staat te achten de gestelde doelen te halen. Het was appellant ook op voorhand bekend dat de vakantieperiode in de voorgestelde zes maanden viel en dat dit gevolgen kon hebben voor de begeleiding. De Raad acht een periode van zes maanden niet zodanig kort dat reeds op grond daarvan gezegd moet worden dat geen daadwerkelijke kans op verbetering werd gegeven. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat het traject intensief was, exact omschreven doelstellingen had, en voorzag in dagelijkse begeleiding en wekelijkse evaluatie. Dat dit onwerkbaar was, zoals appellant stelt, acht de Raad niet aannemelijk gemaakt. Integendeel, uit de verslaglegging blijkt dat met appellant steeds gedetailleerd werd doorgenomen wat er fout was gegaan en hoe hij dit in de toekomst beter kon doen. Ook is niet gebleken dat appellant onvoldoende werd begeleid. Steeds is aangegeven tot wie appellant zich kon wenden als hij hulp nodig had. Deze grief treft dus geen doel.

3.4. Dat in tegenstelling tot de gemaakte afspraken met name de subjectieve criteria de doorslag hebben gegeven, terwijl appellant voldaan heeft aan de getalsmatige - objectieve - criteria kan de Raad niet volgen. Uit de bijlage behorende bij de brief van 28 maart 2002 kan worden afgeleid dat bij de beoordeling niet alleen acht zou worden geslagen op foutpercentages, maar dat ook zou worden bezien of aan de door appellant uitgevoerde werkzaamheden het etiket succesvol kon worden gehangen. Deze kwalitatieve waardering is terug te vinden in de verslagen van de functioneringsgesprekken. Daaruit blijkt dat appellant herhaaldelijk te kennen is gegeven dat zijn functioneren onder de maat bleef en te weinig vooruitgang liet zien. Overigens blijkt daaruit ook dat appellant heeft verklaard zich in de op- en aanmerkingen te kunnen vinden.

3.5. Dit laatste geldt ook voor het verloop van het migratieproject, getuige het gespreks-verslag van 15 augustus 2002. Namens het college is voldoende aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden in het kader van dit project behoren tot de normale taak van een systeembeheerder. De grief van appellant dat het niet redelijk was hem deze werkzaam-heden te laten uitvoeren tijdens het verbetertraject kan daarom niet slagen.

3.6. Dat het functioneren van appellant negatief werd beïnvloed door medische omstan-digheden acht de Raad evenmin als de rechtbank aannemelijk geworden. Van ziekmel-dingen is tijdens het traject geen sprake geweest en ook is niet gebleken dat appellant op enigerlei wijze te kennen heeft gegeven dat hij psychische klachten had, die hem belem-merden bij zijn werk. Dat appellant tijdens het verbetertraject onder druk stond wil de Raad wel aannemen, maar dat betekent niet dat aan hem geen eisen mochten worden gesteld. Tot slot acht ook de Raad het aannemelijk dat appellants uitval in november 2002 direct te maken had met de negatieve beoordeling en het aangekondigde ontslag.

3.7. Het vorenstaande betekent dat de beoordeling stand houdt, evenals de aangevallen uitspraak voor zover deze hierop betrekking heeft.

4. het ontslag

4.1. Het ontslagbesluit is gebaseerd op de negatieve uitkomst van het verbetertraject, de lange duur waarin er al sprake is van disfunctioneren en de inspanningen die verricht zijn om het functioneren te verbeteren. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de Raad de ongeschiktheid van appellant voldoende met concrete gegevens onderbouwd. Appellant voldeed met name niet op het gebied van het tonen van initiatief, het nemen van verantwoordelijkheid en het tijdig terugkoppelen, waardoor hij niet als zelfstandig systeembeheerder werkzaam kon zijn. Aan appellant is voldoende de kans gegeven zich te verbeteren en hij heeft deze kans niet benut. Daarvoor zijn geen medische oorzaken aan te wijzen. Van een vooropgezet plan appellant te ontslaan, is in de gedingstukken geen aanknopingspunt te vinden. Gelet hierop en nu reeds in 2001 was gesignaleerd dat het functioneren van appellant problematisch was, kan niet worden staande gehouden dat het college appellant niet in redelijkheid heeft kunnen ontslaan.

4.2. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak ook wat het ontslag betreft stand houdt.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 september 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) O.C. Boute.

HD

01.09


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature