Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Beoordeling en ontslag ambtenaar.

Uitspraak



05/5165 AW en 05/5166 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 juli 2005, 05/230, (hierna: aangevallen uitspraak 1) en tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 5 juli 2005, 05/575 en 05/576, (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 augustus 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Namens het College heeft mr. L.S. van Loon, advocaat te ’s-Hertogenbosch, een verweerschrift ingediend.

Een verzoek van appellant tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de aangevallen uitspraak 2 is door de voorzieningenrechter van de Raad bij uitspraak van 24 oktober 2005, 05/5792, afwezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 22 juni 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.J.M.C.I. Janischka, werkzaam bij het CNV Publieke Zaak. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Loon voornoemd en door M.M.L. Mertschuweit-Janssen, werkzaam bij de gemeente Venlo.

II. OVERWEGINGEN

1. Onder verwijzing overigens naar de in de aangevallen uitspraken 1 en 2 gegeven overzichten van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

1.1. Appellant is sedert 1979 werkzaam geweest bij de gemeente Venlo, laatstelijk voor

1 januari 2001 als [naam functie]. Bij de gemeentelijke herindeling per 1 januari 2001 is hij geplaatst als [naam functie 2]. Bij besluit van 10 september 2002 is appellant met ingang van 1 januari 2002 geplaatst op de functie ICT-beheerder A bij de afdeling afdeling ICT, dienst Concern.

1.2. Na functioneringsgesprekken van appellant met de nieuwe leidinggevende in oktober 2001 en november 2002 is in overleg met appellant een coachingstraject afgesproken ten behoeve van tien concrete verbeterpunten in werkhouding en gedrag van appellant. In oktober 2003 is het traject geëvalueerd en heeft een functioneringsgesprek plaats-gevonden.

1.3. In oktober 2003 is eveneens een beoordeling over de periode van januari 2002 tot februari 2003 definitief vastgesteld. Daarin is de functievervulling in haar geheel ten aanzien van kwaliteit met een A en ten aanzien van kwantiteit met een B beoordeeld. Deze beoordeling is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 21 december 2004. Bij de aangevallen uitspraak 1 is het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.4. In november 2003 heeft gedaagde het voornemen bekend gemaakt om appellant met ingang van 1 juli 2004 ontslag te verlenen met toepassing van artikel 8:6 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo (AGV). In december 2003 is appellant ontheven van zijn functie ten behoeve van sollicitatieactiviteiten dan wel outplacement. Na een nieuw ontslagvoornemen is aan appellant bij besluit van 21 september 2004 met toepassing van artikel 8:6 van de AGV met ingang van 1 januari 2005 ontslag verleend. Bij het bestreden besluit op bezwaar van 15 maart 2005 is het ontslag gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak 2 is met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht het ingestelde beroep ongegrond verklaard en de gevraagde voorziening afgewezen.

2. Uitspraak 1 (de beoordeling)

2.1. Appellant heeft in hoger beroep enige formele grieven herhaald en voor zijn materiële grieven grotendeels verwezen naar hetgeen in zijn bezwaarschrift was vermeld. Het College heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2.2. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

2.3.1. Appellant heeft erop gewezen dat het hoofd van dienst de beoordeling al vóór het beoordelingsgesprek had ondertekend en dat dit in strijd is met het geldende voorschrift. In lijn met ’s Raads uitspraak van 12 april 1990, LJN ZB4482, TAR 1990, 132, acht appellant daarmee de waarborg, die de beoordelingsregeling biedt, ondermijnd en acht hij dat gebrek niet herstelbaar. Reeds om die reden kunnen, aldus appellant, het besluit van 21 december 2004 en de beoordeling in rechte geen stand houden.

2.3.2. De Raad kan appellant in dit standpunt niet volgen. De Raad ziet geen grond om te twijfelen aan de door het College gegeven verklaring dat het plaatsen van de handtekening door het hoofd van dienst vóór het beoordelingsgesprek abusievelijk heeft plaatsgevonden tegelijk met het plaatsen van zijn handtekening als tweede beoordelaar. Het beoordelingsformulier laat immers ook zien dat het hoofd van dienst na het beoordelingsgesprek de beoordeling heeft ondertekend ter voorlopige vaststelling daarvan.

2.4.1. Appellant acht zich voorts geschaad doordat de definitieve vaststelling van de beoordeling pas geruime tijd na het beoordelingsgesprek heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft hij toegelicht dat hij daardoor in de veronderstelling werd gebracht dat de kritiek op zijn functioneren niet echt ernstig was.

2.4.2. De Raad heeft vastgesteld dat appellant het beoordelingsformulier heeft ondertekend. Appellant was dus op de hoogte van de inhoud daarvan. Mede in aanmerking genomen dat appellant inmiddels ter verbetering van zijn functioneren begeleid werd door een externe coach ziet de Raad niet in dat appellant door het uitblijven van de vaststelling van de beoordeling in de veronderstelling is gebracht dat de zienswijze van zijn leidinggevenden op zijn functioneren veranderd zou zijn.

2.5. De Raad kan appellant evenmin volgen in het standpunt dat er in verband met enige bijzondere omstandigheden over het tijdvak van januari 2002 tot februari 2003 geen beoordeling had mogen worden opgemaakt. Ten aanzien van de grief over het tijdstip waarop appellants formele benoeming in de functie van ICT-beheerder A tot stand is gekomen sluit de Raad zich aan bij hetgeen in de aangevallen uitspraak 1 daaromtrent is overwogen. Van uiterst moeilijke werkomstandigheden naar aanleiding van de gemeentelijke herindeling en de reorganisatie van de afdeling ICT, vergelijkbaar met de omstandigheden genoemd in de uitspraak van de Raad van 1 juli 2004, LJN AQ0478, TAR 2004, 142, is de Raad niet gebleken. De Raad wijst erop dat appellant in het beoordelingsgesprek heeft aangegeven dat er geen aanwijsbare omstandigheden zijn die zijn gedrag nadelig hebben beïnvloed.

2.6. Met betrekking tot de inhoud van de beoordeling stelt de Raad vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak 1 de juiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd.

2.6.1. De Raad is niet tot een ander oordeel gekomen dan in de aangevallen uitspraak 1 is neergelegd. De Raad wijst erop dat appellant in het beoordelingsgesprek heeft aangegeven, zoals is vermeld in het verslag daarvan, dat hij de lijn in deze beoordeling herkent en erkent.

2.6.2. Naar aanleiding van hetgeen appellant ter zitting naar voren heeft gebracht met betrekking tot de kritiek op appellants prioriteitsstelling merkt de Raad nog het volgende op.

2.6.3. In de beoordeling is vermeld dat appellant zijn eigen prioriteiten stelt en daarover onvoldoende terugkoppelt naar collega’s, interne klanten en de coördinator. Bijgevolg blijven relatief veel calls te lang openstaan en zijn klanten in het ongewisse over de (termijn van) afwikkeling. De verkeerde prioriteitstelling leidt er ook toe dat appellant geen of weinig wezenlijke taken van de ICT-beheerder A verricht, zoals het opstellen van schriftelijke verbetervoorstellen, adviezen, analyserapporten en het uitvoeren van audits.

Appellant heeft ter zitting zijn eerdere standpunt herhaald, dat hij niet zelf bepaalt welke werkzaamheden hij doet, maar dat het werkaanbod zijn prioriteiten bepaalt. De omvang van de hulpvragen heeft hem steeds belemmerd om ook de taken op A-niveau te verrichten.

2.6.4. De Raad stelt vast dat appellant de opmerkingen over zijn prioriteitstelling in wezen niet bestrijdt, maar aangeeft dat de werkomstandigheden zijn handelwijze onvermijdelijk maakten. De Raad kan appellant hierin echter niet volgen, omdat niet gebleken is dat over de gehele periode van de beoordeling de hulpvraag van derden zodanig dringend is geweest dat appellant met betrekking tot de uitvoering van de overige hem opgedragen werkzaamheden in een overmachtsituatie verkeerde, en hij daar helemaal niet meer aan toe kon komen. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat blijkens een zich onder de gedingstukken bevindende verklaring van de leidinggevende appellants collega’s wel aan de overige werkzaamheden toekwamen. Bovendien had appellant, zeker gelet op zijn relatie met zijn leidinggevende en de gesprekken omtrent hetgeen van hem werd verwacht, moeten beseffen dat het, zeker niet zonder overleg, niet meer aan hem was om eigenmachtig te bepalen welke werkzaamheden hij wel en welke hij niet zou kunnen doen. De Raad kan derhalve niet tot het oordeel komen dat het College ten onrechte de prioriteitsstelling van appellant onvoldoende heeft geoordeeld.

2.7. Het vorenstaande brengt mee dat het besluit van 21 december 2004 in rechte stand kan houden en dat de aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking komt.

3. Uitspraak 2 (het ontslag)

3.1. In het ontslagbesluit is samengevat het volgende overwogen en beslist. De afdeling ICT heeft door de gemeentelijke herindeling en de nieuwe besturingsfilosofie per

1 januari 2002 veranderingen ondergaan, waardoor de medewerkers in nieuwe functies en met nieuwe kwaliteitsnormen moesten gaan werken. Appellant heeft zich niet bereid getoond om loyaal mee te werken aan de gewenste veranderingen. Hij bleef werkzaam-heden op B-niveau verrichten en vertoonde daarbij een storend gedrag. Na de vaststelling dat aanwijzingen aan appellant tot verandering niet hadden geleid tot verbetering is op verzoek van appellant een coachingstraject tot stand gekomen. Daarbij is appellant voorgehouden dat dit zijn laatste kans was. Na afloop van de vier geplande coachings-gesprekken heeft appellant de stelling betrokken - en meermalen herhaald - dat coaching niet nodig was, omdat verbetering van zijn functioneren niet nodig was. Toen appellant blijkens een functioneringsgesprek in oktober 2003 nog immer niet op het niveau van ICT-beheerder A functioneerde heeft het College het vertrouwen verloren dat appellant bereid en in staat was om zijn functioneren te verbeteren. Nadat appellant nog de gelegenheid is geboden om gedurende geruime tijd met externe hulp te trachten elders werk te vinden is hem ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken.

3.2. Appellant is in hoger beroep onverminderd van opvatting gebleven dat het College hem tegen de achtergrond van een zeer langdurig dienstverband met goede beoordelingen niet zorgvuldig heeft behandeld en hem niet wegens ongeschiktheid voor de vervulling van de functie van ICT-beheerder A had mogen ontslaan. Er is volgens appellant onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat een reorganisatie altijd onrust teweegbrengt en dat het niet goed boterde tussen appellant en zijn leidinggevende, waardoor appellant af en toe de hakken in het zand zette. Hem is onvoldoende gelegen-heid gegeven om zijn functioneren in overeenstemming te brengen met de gestelde eisen. Het College had appellant in de gelegenheid moeten stellen om een andere functie te gaan vervullen, hetgeen thans nog immer zou kunnen.

3.3. Het College heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4. De Raad overweegt het navolgende.

3.4.1. De Raad is niet tot een ander oordeel gekomen dan de voorzieningenrechter in de aangevallen uitspraak 2. De Raad moet constateren dat appellant niet bij machte was zich in de periode van januari 2002 tot en met oktober 2003 aan te passen aan de nieuwe werkwijze van de afdeling ICT en de eisen die daarbij aan een ICT-beheerder A werden gesteld, ondanks dat hem de noodzaak daartoe al in oktober 2001 met concrete aanwijzingen was voorgehouden en ondanks een coachingstraject in 2003. Dat appellant een harde werker was en overuren maakte kan hieraan niet afdoen. Hetzelfde geldt voor de verklaringen over appellants hulpvaardigheid en collegialiteit van sommige interne klanten en collega’s. Uit het gewijzigde standpunt van appellant in oktober 2003 over de noodzaak van het op eigen verzoek gevolgde coachingstraject blijkt dat hij niet inzag dat zijn functioneren onder de maat was en verbetering behoefde. Dit brengt mee, dat appellant als ongeschikt voor de vervulling van zijn functie mocht worden aangemerkt. Door de ommezwaai van appellant in oktober 2003 kan ook niet gezegd worden dat appellant onvoldoende tijd is gegund om zich aan te passen aan de nieuwe eisen. Om die reden vormt het langdurige dienstverband van appellant geen beletsel voor de vaststelling dat appellant ongeschikt was voor zijn functie.

3.4.2. De Raad overweegt dat er geen wettelijk voorschrift is aan te wijzen op grond waarvan het College, alvorens op grond van artikel 8:6 van de AGV ontslag te verlenen, gehouden zou zijn te trachten appellant te herplaatsen. De Raad ziet geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om desalniettemin op zorgvuldigheidsgronden een verplichting daartoe aanwezig te achten. Niet onbegrijpelijk is immers dat het College na de gebeurtenissen in oktober 2003 geen enkel vertrouwen meer had in een voortzetting van het dienstverband met appellant. De Raad tekent daarbij aan dat het College appellant voldoende gelegenheid heeft geboden om van zijn ingenomen standpunt terug te komen. Daarvan heeft appellant echter geen gebruik gemaakt. De Raad voegt hier nog aan toe dat appellant gedurende meer dan een jaar vrijgesteld is van werkzaamheden en op kosten van het College met behoud van zijn bezoldiging de gelegenheid heeft gekregen om deel te nemen aan outplacement. De Raad concludeert dan ook dat het College in redelijkheid van zijn bevoegdheid om ontslag te verlenen gebruik heeft kunnen maken.

3.5. Het vorenstaande brengt mee dat het besluit van 15 maart 2005 in rechte standhoudt en dat de aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.A.M. Mollee en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2006.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.

HD

10.08


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature