Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Hoogte vervolguitkering ontslagen ambtenaren.

Uitspraak



05/4136 + 05/4137 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 mei 2005, 04/1207 en 04/1483 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene 1], wonende te [woonplaats 1] en

[betrokkene 2], wonende te [woonplaats 2] (hierna: betrokkenen)

en

appellant

Datum uitspraak: 17 augustus 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkenen zijn verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. de Wit, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkenen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Gerritsen, werkzaam bij de Stichting Univé Rechtshulp en door mr. M. Koolhoven, werkzaam bij DAS rechtsbijstand.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkenen waren als hoofd afdeling Invordering respectievelijk hoofd Secretariaat werkzaam bij de Bouw- en Woningdienst van de gemeente Amsterdam. Per 1 juli 1991 respectievelijk 1 januari 1991 is aan hen ontslag verleend wegens opheffing van hun betrekking en is wachtgeld toegekend tot 1 april 2003. Bij besluiten van 17 april 2003 is een vervolguitkering toegekend op grond van artikel 22a, vierde lid, van de Wachtgeld-verordening van de gemeente Amsterdam, bestaande uit een maandelijkse uitkering van 1 april 2003 tot 1 maart 2014. De hoogte van die uitkering is bepaald op 50% van de berekeningsbasis gedurende de periode van 1 april 2003 tot 1 april 2004, en op 40,08% respectievelijk 42,58% voor de periode daarna. Betrokkenen hebben daartegen bezwaar gemaakt, stellende dat zij recht hebben op een percentage van 57,24, althans - wat [betrokkene 2] betreft - een hoger percentage dan in het bestreden besluit is neergelegd. Het bezwaar is ongegrond verklaard bij besluiten van 24 februari 2004.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen deze besluiten ingestelde beroepen van betrokkenen gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. De rechtbank was kort samengevat van oordeel dat betrokkenen voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat met hen een bijzondere regeling over het verlengde wachtgeld is getroffen, waaraan appellant gebonden is.

3. In hoger beroep heeft appellant bestreden dat een besluit, dat zo ingrijpend afwijkt van de geldende wachtgeldregeling, genomen is. Volgens appellant is evenmin sprake geweest van enigerlei toezegging of van een stilzwijgend akkoord met een afwijking van de wachtgeldregeling, waaraan betrokkenen rechtens te honoreren verwachtingen konden ontlenen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In de ontslagbesluiten van 17 mei 1991 ([betrokkene 1]) en 16 maart 1990 ([betrokkene 2]) is

- onder meer - bepaald dat het ontslag aanspraak geeft op wachtgeld krachtens de Wachtgeldverordening. Aan appellant kan worden toegegeven dat daaruit niet blijkt dat hij heeft ingestemd met het door betrokkenen genoemde hoge percentage.

4.2. Uit de gedingstukken komt naar voren dat met betrokkenen voorafgaand aan hun ontslag door de directeur van de Bouw- en Woningdienst onderhandelingen zijn gevoerd over een vertrekregeling. In de ontslagbesluiten wordt dan ook verwezen naar brieven van deze directeur waarin de inhoud van de getroffen regeling is omschreven. Onder de gedingstukken bevindt zich voorts een voorstel van de directeur aan betrokkene [betrokkene 1] gedateerd 27 augustus 1990, en bestemd voor de afrondende bespreking op 28 augustus 1990, waarin onder punt 5 is opgenomen dat het Pensioenbureau bij de toepassing van de wachtgeldregeling een berekening heeft gemaakt van het betrokkene toekomende wacht-geld per maand (bijlage I) en van het uit te keren bedrag bij afkoop van het wachtgeld (bijlage II). Uit die bijlagen blijkt dat voor het verlengde wachtgeld is uitgegaan van een percentage van 57,24.

4.3. Betrokkenen hebben gesteld dat over dit voorstel - aan betrokkene [betrokkene 2] is een soortgelijk voorstel gedaan - met de leiding van hun dienst een akkoord is bereikt in die zin dat is gekozen voor de maandelijkse uitkering. Appellant heeft er terecht op gewezen dat zodanig akkoord geen bevestiging vindt in een schriftelijk stuk. Appellant heeft echter geen enkele verklaring kunnen geven voor het in de genoemde bijlage I voorkomende percentage van 57,24. Betrokkenen daarentegen hebben erop gewezen dat het Pensioen-bureau door hun onderhandelingspartner R, voormalig Hoofd personeelszaken van de Bouw- en Woningdienst en nadien directeur van het gemeentelijk mobiliteitsbureau, opdracht was gegeven berekeningen uit te voeren uitgaande van een hoger percentage dan waarop ingevolge de Wachtgeldverordening recht bestond. Deze stelling is bevestigd door R, die door de rechtbank onder ede is gehoord. De stelling dat het hoge percentage deel uitmaakte van het voorstel wordt voorts onderschreven door een schriftelijke verklaring uit 2005 van N, gepensioneerd directeur van de Bouw- en Woningdienst, aan wie betrokkenen destijds advies hebben gevraagd over het voorstel. Nu door appellant geen verklaringen in het geding zijn gebracht, bijvoorbeeld van de andere gespreksdeel-nemers aan gemeentezijde of van de opstellers van de berekeningen, waaruit het tegendeel blijkt, houdt de Raad de lezing van betrokkenen voor juist. De Raad neemt daarbij in aanmerking de mededeling van betrokkenen dat alle aanleiding bestond voor een gunstige vertrekregeling, nu zij voor de gemeente enkele miljoenen guldens wisten te incasseren aan vorderingen, die reeds oninbaar waren verklaard. Van de zijde van appellant is die mededeling niet weersproken.

4.4. In de gedingstukken zijn voorts geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat appellant in afwijking van het akkoord zou hebben beslist. Die stelling is ook overigens niet aannemelijk geworden. Gezien deze bijzondere omstandigheden is de Raad dan ook met de rechtbank van oordeel dat betrokkenen er op mochten vertrouwen dat de besluitvorming over hun ontslag en wachtgeld overeenkomstig het bereikte akkoord had plaatsgevonden, ook al is in de betreffende besluiten het hoge percentage voor het verlengde wachtgeld niet met zoveel woorden opgenomen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2006.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) O.C. Boute.

HD

15.08


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature