Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Functiewaardering ambtenaar.

Uitspraak



05/1557 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 januari 2005, 04/695 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lisse (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding 05/1502 AW tussen [mede-appellant] en het College, plaatsgevonden op 18 mei 2006. Appellant en [mede-appellant], voornoemd, zijn beiden verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A.C. van Leeuwen, werkzaam bij de gemeente Lisse. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst; thans wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is werkzaam als Chef afdeling [naam afdeling], sector Openbare Werken, bij de gemeente Lisse. Waardering van deze functie heeft plaatsgevonden met toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Regeling Organieke Functiewaardering 2001, waarin is bepaald dat het niveau van alle bij de gemeente voorkomende organieke functies zal worden vastgelegd volgens de methode van het ODRP-functiewaarderingssysteem 2000. Deze waardering heeft geleid tot indeling in hoofdgroep IV met een score van 17 punten voor de verschillende secundaire factoren, waaronder 3 punten voor het aspect keuzemogelijkheden.

1.2. Het College heeft dit waarderingsresultaat, na daartegen door appellant gemaakt bezwaar, in overeenstemming met het advies van de bezwarencommissie bij besluit van

6 januari 2004 (hierna: bestreden besluit) gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. In het bestreden besluit wordt ter motivering van de afwijzing van de bezwaren verwezen naar het advies van de bezwarencommissie. In dat advies is evenwel niet inhoudelijk ingegaan op de bezwaren die zijn aangevoerd tegen de hoofdgroepindeling in combinatie met de waardering van het aspect functionele vorming en tegen de waardering van het aspect keuzemogelijkheden. Appellant heeft dan ook in beroep terecht aange-voerd dat het onjuist is te achten dat het bestreden besluit op deze punten niet was voorzien van een motivering. Het College heeft naar aanleiding van hetgeen dienaan-gaande in beroep is aangevoerd aanleiding gezien nader advies te vragen aan een functiewaarderingsdeskundige. Mede onder verwijzing naar dat advies heeft het College de waardering met betrekking tot de hoofdgroepindeling en de aspecten functionele vorming en keuzemogelijkheden nader gemotiveerd, waarop appellant vervolgens heeft kunnen reageren. Daarmee acht de Raad het aan het bestreden besluit klevende formele motiveringsgebrek voldoende hersteld, op een wijze waardoor appellant niet in zijn belang is geschaad, zodat de Raad aan dit gebrek verder geen gevolgen zal verbinden.

3.2.1. Appellant heeft voorts betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen strijd met het gelijkheidsbeginsel aanwezig heeft geacht. Volgens hem is de rechtbank te veel inhoudelijk op de verschillen van de functies ingegaan, vooral waar het gaat om het verschil in beleidstaken en beheerstaken. Nu de chefs, op verzoek van het College, zoveel mogelijk een gelijkluidende functieomschrijving hebben opgesteld, dient volgens hem de functiewaardering tot hetzelfde resultaat te leiden. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat ook zijn afdeling [naam afdeling] beleid maakt.

3.2.2. Het College heeft daartegen ingebracht dat bij de waardering weliswaar de functiebeschrijving als uitgangspunt wordt genomen, maar dat deze beschrijving niet los kan worden gezien van de positie van de afdeling in de organisatie en het product dat de afdeling dient te leveren, waarbij de aard en de breedte van het beleidsterrein dat de afdeling bestrijkt van belang zijn. Naar gelang de aard en de breedte van het beleidsterrein gelden verschillende eisen op het gebied van beleidsadvisering en beleidsontwikkeling. Die factoren spelen daarom een rol, aldus het College, bij de waardering van de betrokken functie, zowel bij het bepalen van het aantal jaren aanvullende opleiding en ervaring dat, naast de vereiste opleiding op HBO-niveau, benodigd is voor verbreding en verdieping teneinde de functie goed te kunnen vervullen, als ook bij het bepalen van de score voor keuzemogelijkheden.

3.2.3. Het standpunt van het College dat de onderscheiden cheffuncties niet gelijk zijn, omdat deze een verschillend vakgebied bestrijken waarvoor, al naar gelang de aard en de breedte van het betrokken beleidsterrein, verschillende eisen gelden op het gebied van beleidsadvisering en beleidsontwikkeling, is naar het oordeel van de Raad genoegzaam gemotiveerd. Dat de afdeling van appellant ook beleid maakt wordt door het College niet ontkend, maar gezien het beperkte beleidsterrein heeft het College zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de functie van appellant niet op één lijn is te stellen met de door appellant ter vergelijking genoemde functies van Chef afdeling Weg- en Waterbouw, Chef afdeling Milieu en Bouwkunde en Chef afdeling Financieel beleid & belastingen. Laatstgenoemde afdelingen bestrijken onmiskenbaar een breder beleids-terrein, hetgeen ook al blijkt uit het feit dat op laatstgenoemde afdelingen verscheidene ambtenaren werken die beleid maken, terwijl appellant op zijn afdeling, naast de leidinggevende taken op het terrein van de uitvoering, in feite als enige beleid maakt.

3.2.4. De Raad deelt dan ook het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel is genomen.

3.3. De Raad is voorts van oordeel dat het standpunt van het College dat de functie, gezien het beperkte beleidsterrein - uitgaande van een HBO-opleiding, waarin blijkens het functiewaarderingssysteem tevens drie jaar ervaring is begrepen om de theoretisch opgedane kennis in de praktijk te leren toepassen - kan worden vervuld op basis van 4 tot 5 jaar aanvullende theoretische en praktische kennis, niet onhoudbaar is te achten.

4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.C.F. Talman en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) O.C. Boute.

HD

07.06


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature