Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Intrekking en terugvordering bijstanduitkering. Ontslagvergoeding.

Uitspraak



05/3631 WWB

05/4746 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 april 2005, 04/1780 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.H.M.Ch. Libotte, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. F.Y. Gans, kantoorgenote van mr. Libotte. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.W.W. Bouwens en L.B.W. Heuts, beiden werkzaam bij de gemeente Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij beschikking van 12 juni 2002 van de rechtbank Maastricht, sector kanton, is de tussen appellante en Tempo-Team bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juli 2002 ontbonden en aan appellante ten laste van Tempo-Team een vergoeding toegekend van € 5.431,80 bruto. Sedert 1 juli 2002 ontvangt appellante een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

Uit een door het College in april 2004 ingesteld onderzoek is gebleken dat Tempo-Team in totaal een bedrag van € 4.667,58 netto bij wijze van ontslagvergoeding aan appellante heeft uitgekeerd.

Het College heeft daarop op 27 april 2004 besloten met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB een bedrag van € 4.667,58 van appellante terug te vorderen op de grond dat deze bijstand onverschuldigd is betaald.

Bij besluit van 3 september 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 april 2004 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellante de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat zij onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over de aan haar toegekende ontslagvergoeding. Het College heeft daarin aanleiding gezien om het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 juli 2002 tot 1 januari 2003 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken en met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.667,58 van appellante terug te vorderen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het tegen het besluit van 3 september 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het College terzake van de inlichtingenverplichting had moeten uitgaan van de toepasselijkheid van artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en dat het College heeft miskend dat de bevoegdheid in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB een discretionair karakter heeft.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is het College bij besluit van 28 juni 2005 opnieuw overgegaan tot intrekking van het recht op bijstand en terugvordering met dien verstande dat schending van de inlichtingenverplichting is gebaseerd op artikel 65, eerste lid, van de Abw .

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het toepasselijke recht

Met ingang van 1 januari 2004 is de WWB in werking getreden en is de Abw ingetrokken. Uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2005, LJN AT4358, volgt dat ge-daagde vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54, 58 en 59 van de WWB zijn bevoegdheid ontleent om tot intrekking en terugvordering over te gaan en dat de rechten en verplichtingen van een be-langhebbende in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben. Dit betekent onder meer dat de inlichtingverplichtingen van artikel 65, eerste lid, van de Abw van toe-passing is gebleven gedurende de periode waarop de herziening ziet.

Het hoger beroep

De Raad merkt het besluit van 28 juni 2005 aan als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dit besluit niet geheel aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen, dient de Raad dit besluit gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Awb mede in zijn beoordeling te betrekken. De Raad stelt voorts vast dat het besluit van 28 juni 2005 geheel in de plaats is getreden van het besluit van 3 september 2004, zodat appellante geen belang meer heeft bij een beslissing op het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Dit brengt mee dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het beroep tegen het besluit van 28 juni 2005

Ten aanzien van de grief van appellante dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu het besluit op bezwaar op een andere grondslag berust dan het primaire besluit overweegt de Raad, dat hij reeds vaker tot uitdrukking heeft gebracht dat artikel 7:11 van de Awb daaraan niet in de weg staat omdat de bezwaarprocedure bedoeld is als volledige bestuurlijke heroverweging (zie onder meer de uitspraak van 4 oktober 2005, LJN AU4071). Het stond het College derhalve vrij om na bezwaar toepassing te geven aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB , in welk kader de voor de toepassing van deze bepaling noodzakelijke rechtsvaststelling - dat de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend - kan worden meegenomen.

Met betrekking tot het geschil ten gronde stelt de Raad voorop dat bijstand in beginsel wordt verleend in aanvulling op hetgeen men zelf aan inkomen verwerft. In artikel 47, eerste lid, van de Abw is bepaald wat onder inkomen moet worden verstaan. Uit de wetsgeschiedenis van die bepaling komt naar voren dat middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen, zoals inkomsten uit of in verband met arbeid, kunnen worden aangewend voor levensonderhoud waarop de bijstand slechts hoeft aan te vullen en dat ook een eenmalig ontvangen bedrag dat naar zijn aard daarmee overeenkomt als inkomen in aanmerking dient te worden genomen. Een tweede criterium voor het in aanmerking nemen van middelen als inkomen is de periode waarop de inkomsten betrekking hebben. Bij inkomsten uit arbeid is dat blijkens de wetsgeschiedenis de periode waarin de arbeid is verricht. Bij bedragen ineens dient evenzeer te worden beoordeeld op welke periode deze geacht kunnen worden betrekking te hebben.

Met verwijzing naar zijn uitspraak van 3 januari 2006 (LJN AU9495) stelt de Raad vast dat indien een vergoeding wordt ontvangen als waarvan hier sprake is, deze vergoeding dient te worden beschouwd als inkomsten bestemd om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan voor de periode na de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, tenzij voldoende en ondubbelzinnig blijkt dat deze vergoeding een andere bestemming heeft. Van dit laatste is in het onderhavige geval niet gebleken. Deze eenmalig ontvangen inkomsten moeten toegerekend worden aan de periode waarop deze geacht kunnen worden betrekking te hebben.

De Raad stelt vervolgens vast dat het College in strijd met artikel 47, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw niet heeft vastgesteld op welke periode de ontbindingsvergoeding geacht kan worden betrekking te hebben. Reeds gelet hierop kan de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 1 juli 2002 tot 1 januari 2003 niet in stand blijven.

Overigens bieden de gedingstukken onvoldoende grondslag voor het standpunt van het College dat appellante volledig tekort is geschoten in de nakoming van de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellante bij de aanvraag om bijstand melding heeft gemaakt van de bruto-ontslagvergoeding en bij de periodieke verklaring van juli 2002 een loonspecificatie met een bedrag van € 3.669,95 heeft ingediend. Eerst bij het in april 2004 ingestelde onderzoek is de netto-ontslagvergoeding duidelijk geworden. De Raad ziet derhalve geen toereikende grond om aan te nemen dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB het recht op bijstand in te trekken.

Aangezien de intrekking van het recht op bijstand op de gehanteerde grondslag geen stand kan houden, is ook de grond aan de terugvordering van het bedrag van € 4.667,58 komen te ontvallen.

De Raad zal derhalve het beroep van appellante tegen het besluit van 28 juni 2005 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen wegens strijd met de wet en het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Dit houdt mede in dat het College opnieuw op het verzoek om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase dient te beslissen. Het College zal bij de nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden. De Raad merkt voorts op dat de ontbindingsvergoeding, mede gelet op hetgeen de rechtbank, sector kanton, ter zake heeft overwogen, geacht wordt het door appellante te derven loon vanaf 1 juli 2002 te compenseren. Hiervan uitgaande is het aan het College om te berekenen wat de duur zou zijn geweest van de periode waarop de onderhavige ontbindingsvergoeding geacht kan worden betrekking te hebben. Het recht op bijstand over die nader vast te stellen periode kan vervolgens worden ingetrokken met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB .

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 juni 2005 gegrond;

Vernietigt het besluit van 28 juni 2005;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Maastricht;

Bepaalt dat de gemeente Maastricht aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M. Roelofs en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2006.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) P.E. Broekman.

RB2905


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature