Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bijstand om niet. Leenbijstand.

Uitspraak



98/8843 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente

Asten, appellant,

en

A te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op in een aanvullend beroepschrift

uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de

Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch op 10 november

1998, nr. AWB 97/2270 NABW, tussen partijen gewezen uitspraak,

waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr W.P.G. Berkers, advocaat te Helmond,

een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 november 2000. Daar

heeft appellant zich doen vertegenwoordigen door

W.M.H. Martens, werkzaam bij de gemeente Asten, en is gedaagde

verschenen bij zijn gemachtigde mr Berkers voornoemd.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant is aangeduid

als verweerder en gedaagde als eiser - ontleent de Raad de

volgende feiten en omstandigheden:

"Eiser is afkomstig uit Iran en heeft sinds januari 1993 een

A-status. Bij besluit van 1 november 1993 is aan hem naast een

algemene bijstandsuitkering onder meer bijzondere bijstand in

de vorm van een geldlening toegekend tot een bedrag van

f 4.551,- - het maximum voor een alleenstaande volgens het

indertijd vigerende beleid - voor de kosten van

woninginrichting. Eiser heeft daartoe een schuldbekentenis

ondertekend, waarmee hij zich tevens akkoord heeft verklaard

met een aflossing in 58 maandelijkse termijnen van f 78,- en

1 termijn van f 27,-. In september 1995 zijn eisers vrouw en

zijn drie kinderen definitief overgekomen uit Iran in het

kader van gezinshereniging. Hierdoor werd het noodzakelijk om

naar een grotere woning te verhuizen, hetgeen ook is geschied.

Bij besluit van 18 december 1995 is in dat verband aan eiser

en zijn vrouw onder meer (opnieuw) leenbijstand voor de kosten

van woninginrichting toegekend tot een bedrag van f 5.710,-.

Blijkens de motivering van het toekenningsbesluit was dit

bedrag het maximum waarop volgens verweerder nog recht

bestond, zijnde het maximale bedrag volgens het geldende

beleid voor een gezin van vijf personen minus de eerder aan

eiser toegekende leenbijstand. Bij datzelfde besluit is het

maandelijkse aflossingsbedrag op de eerdere lening - dat op

dat moment f 102,- bedroeg - verhoogd naar f 114,- in verband

met de wijziging van de algemene bijstandsuitkering van eiser

in een gezamenlijke uitkering naar de norm voor een gezin.

Daarbij heeft verweerder bepaald dat eerst de restantschuld

van de eerdere lening dient te worden afgelost alvorens de

aflossing van de nieuwe lening een aanvang zou nemen.

Bij besluit van 20 november 1996 is de uitkering ingevolge de

Algemene bijstandswet (Abw) van eiser en zijn echtgenote

beƫindigd, omdat zij voldoende inkomsten uit arbeid ontvingen

om zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen

voorzien.

Bij datzelfde besluit is de restantschuld ad f 957,- van de in

november 1993 aan eiser toegekende leenbijstand omgezet in een

bedrag om niet, omdat gedurende 36 maanden correct was

afgelost. Voorts is bij dat besluit bepaald dat de in december

1995 aan eiser en zijn echtgenote toegekende leenbijstand ad

f 5.710,- volledig dient te worden afgelost, waarbij het

aflossingsbedrag per 1 december 1996 is gesteld op f 165,-.

Het tegen deze aflossingsverplichting gerichte bezwaarschrift

is bij besluit van 29 januari 1997 ongegrond verklaard.".

Die feiten en omstandigheden worden door partijen niet betwist

en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt van zijn

oordeelsvorming. Hieraan voegt de Raad enkel toe dat, zoals

namens appellant ter zitting desgevraagd is verklaard, de

eerst aan gedaagde toegekende uitkering op grond van de

Algemene Bijstandswet (ABW) bij besluit van 1 augustus 1996

ingaande die datum is omgezet in een uitkering op grond van de

Abw.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep dat

gedaagde tegen het besluit van 29 januari 1997 heeft

ingediend, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en

bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar dient

te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is

overwogen; voorts zijn beslissingen inzake proceskosten en

griffierecht gegeven.

De rechtbank heeft het bestreden besluit beoordeeld aan de

hand van artikel 21 van de Abw . Zij heeft vervolgens eerst het

beleid besproken dat appellant ten aanzien van het verstrekken

van leenbijstand onder de ABW voerde en onder de Abw voert.

Beschreven is dat dit beleid onder meer inhoudt dat bijstand

voor de aanschaf van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen

in beginsel wordt verstrekt in de vorm van leenbijstand en dat

daarbij het uitgangspunt is dat drie jaar correct dient te

worden afgelost waarna het eventueel bestaande restant wordt

omgezet in bijstand om niet. In dat verband kunnen individuele

omstandigheden onder meer leiden tot opschorting, verlaging of

bekorting van de duur van de aflossing, dan wel omzetting van

de lening in bijstand om niet. De rechtbank is tot de

gegrondverklaring van het beroep gekomen, omdat appellant naar

haar oordeel in het bestreden besluit onvoldoende heeft

gemotiveerd waarom een onverkorte handhaving van de

verplichting om (ook) op de lening uit 1995 tenminste drie

jaren af te lossen, in dit geval gerechtvaardigd is, zodat het

bestreden besluit strijdt met artikel 7:12, eerste lid van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aangezien bij het besluit

van 18 december 1995 voor gedaagde de facto een

aflossingstermijn van (tenminste) zes jaar aaneengesloten in

het leven is geroepen, had van appellant mogen worden

verlangd dat, zo al een langere aflossingstermijn dan (in

totaal) drie jaren aangewezen werd geacht, binnen dat kader

een meer op de individuele situatie van gedaagde toegesneden

- en dus gunstiger - aflossingsmodaliteit was vastgesteld,

aldus de rechtbank.

In hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen het oordeel

van de rechtbank dat het bestreden besluit strijdt met artikel

7:12, eerste lid, van de Awb. Hij heeft uiteengezet dat bij

het besluit van 20 november 1996 - alsook bij het bestreden

besluit - wel degelijk acht is geslagen op de individuele

situatie van gedaagde.

De Raad ziet ambtshalve aanleiding eerst na te gaan of het

bestreden besluit op andere dan door de rechtbank in

aanmerking genomen gronden voor vernietiging in aanmerking

dient te komen. Hierbij neemt hij het volgende in aanmerking.

Het bestreden besluit is, blijkens haar overwegingen, onder

meer - voorzover thans van belang - gebaseerd op de artikelen

1 en 4 van de ABW, het bepaalde in artikel 1, 18 a en 18d,

eerste lid, van het Bijstandsbesluit landelijke normering en

het bepaalde in de artikelen 7 en 40 van de Abw .

De Raad heeft reeds vastgesteld dat gedaagde met ingang van

1 augustus 1996 een uitkering op grond van de Abw ontvangt.

Dit betekent dat het bestreden besluit, voorzover het berust

op bepalingen bij en krachtens de ABW, strijdt met de wet.

Voorts overweegt de Raad dat in dit geval de artikelen 7 en 40

van de Abw niet (mede) van toepassing zijn en dat, zoals de

rechtbank heeft gedaan, het bestreden besluit dient te worden

beoordeeld aan de hand van artikel 21 van de Abw . Derhalve is

het bestreden besluit ook in zoverre met de wet in strijd.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat de rechtbank

terecht is gekomen tot gegrondverklaring van het beroep van

appellant en tot vernietiging van het bestreden besluit.

De Raad zal vervolgens onderzoeken of er aanleiding bestaat

met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te

bepalen dat de rechtsgevolgen van het met inachtneming van het

voorgaande te vernietigen bestreden besluit in stand te laten.

Hiertoe neemt de Raad tot uitgangspunt hetgeen appellant in

hoger beroep naar voren heeft gebracht. Hij overweegt het

volgende.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, oud, van de Abw kan

bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame

gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening

of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet. In

het tweede lid van dit artikel (oud) is onder andere bepaald

dat burgemeester en wethouders, indien een geldlening als

bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, de

aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede afstemmen

op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de

belanghebbende.

De Raad herinnert eraan dat appellant bij het besluit van 18

december 1995 heeft bepaald dat ook de daarbij toegekende

leenbijstand gedurende drie jaar (volgens het besluit van 20

november 1996 te beginnen op 1 december 1996) moet worden

afgelost. Dit besluit is tussen partijen rechtens verbindend

geworden en staat in het kader van dit geding niet ter

beoordeling. Dit laat echter onverlet dat appellant bij het

nemen van het besluit van 20 november 1996 op het bepaalde in

artikel 21, tweede lid, oud, van de Abw acht diende te slaan.

De Raad is - anders dan de rechtbank - van opvatting dat

appellant bij het besluit van 20 november 1996 dat laatste

heeft gedaan. Het bestreden besluit laat dit ook gemotiveerd

zien. Zoals in dat besluit is neergelegd, is bij het besluit

van 20 november 1996 in aanmerking genomen dat gedaagde een

inkomen had dat hoger is dan de voor hem geldende

bijstandsnorm; het vastgestelde aflossingsbedrag van

f 165,-- per maand ingaande 1 december 1996, tast dit

meerinkomen ad f 243,67 per maand derhalve niet volledig aan.

Tevens heeft appellant blijkens het bestreden besluit

aandacht geschonken aan de gevolgen die het inkomen van

gedaagde heeft op de hoogte van de door hem te ontvangen

huursubsidie. Ter zijde - want voor de beslissing van dit

geschil niet van betekenis - wijst de Raad erop dat appellant

hangende de behandeling van het bezwaar van gedaagde tegen het

besluit van 20 november 1996 de aflossing van de leenbijstand

heeft opgeschort en in die fase rekening heeft gehouden met

het feit dat gedaagde na 1 december 1996 een korte periode

(tot 24 februari 1997) geen inkomsten had.

Op grond van het vorenstaande acht de Raad het geraden de

rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit

volledig in stand te laten.

Nu de vernietiging van het bestreden besluit op een geheel

andere grond geschiedt dan de rechtbank in de aangevallen

uitspraak heeft gebezigd, zal de Raad deze uitspraak

vernietigen, behoudens voorzover daarin omtrent de vergoeding

van het griffierecht en de proceskosten in beroep is beslist.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van

artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de

proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden

begroot op f 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover

daarin over de vergoeding van griffierecht en proceskosten in

beroep is beslist;

Verklaart het inleidende beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in

stand blijven;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger

beroep tot een bedrag groot f 1.420,--, te betalen door de

gemeente Asten aan de griffier van de Raad.

Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en

mr G.A.J. van den Hurk en

mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van

mr M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken

in het openbaar op 19 december 2000.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M.C.M. Hamer.

GdJ

15/01


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature