Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Verdacht wordt tenlaste gelegd medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Uitspraak



Rolnummer: 22-006128-11

Parketnummer: 09-672561-11

Datum uitspraak: 29 november 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 14 december 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1951,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 15 november 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1. primair:

hij op of omstreeks de periode van 4 februari 2011 tot en met 24 juni 2011 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 200 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

1. subsidiair:

één of meer onbekend gebleven personen, op of omstreeks de periode van 4 februari 2011 tot en met 24 juni 2011 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan [adres] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 200 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lig van artikel 2a van die wet,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op één of meer tijdstip(pen) in omstreeks de periode van 4 februari 2011 tot en met 24 juni 2011 te Voorburg meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand (voor de teelt/ het kweken van hennepplanten) ter beschikking te stellen.

2.

hij op of omstreeks de periode van 4 februari 2011 tot en met 24 juni 2011 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (telkens) een hoeveelheid stroom, althans een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Stedin Netbeheer B.V., in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verweer van de raadsman

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, aangezien de woning van de verdachte door de verbalisanten is binnengetreden zonder dat daartoe een machtiging in de zin van artikel 2, eerste lid van de Algemene Wet op het Binnentreden was afgegeven. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu voornoemde machtiging ontbreekt, de bevindingen van de verbalisanten in de woning onrechtmatig zijn verkregen en derhalve van het bewijs dienen te worden uitgesloten, zodat de verdachte wegens onvoldoende wettig bewijs dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 25 juni 2011 heeft een verbalisant naar aanleiding van een melding dat er in een flatwoning aan de [adres] te Voorburg een raam was opgebroken een onderzoek ingesteld. Ter plaatse zag de verbalisant dat het raam aan de achterzijde was opengebroken. Ook ontwaarde de verbalisant door het raam een niet meer in werking zijnde hennepkwekerij. Vervolgens is de verbalisant door het gat in het opengebroken raam naar binnen gegaan om een onderzoek in te stellen. Het hof overweegt dat de verbalisant overeenkomstig artikel 2 van de Politiewet heeft gehandeld door na een melding van een mogelijke inbraak de desbetreffende woning te betreden door een opengebroken raam. Immers, een mogelijke dader dan wel slachtoffer zou (nog) aanwezig kunnen zijn. Voortzetting van die bevoegdheid ook nadat door het raam een hennepkwekerij werd ontwaard is dan ook naar het oordeel van het hof niet onrechtmatig. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en hetgeen door de verdediging is betoogd, daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

één of meer onbekend gebleven personen, in de periode van 4 februari 2011 tot en met 24 juni 2011 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, opzettelijk heeft/hebben geteeld en bereid en/of bewerkt en verwerkt in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 200 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in de periode van 4 februari 2011 tot en met 24 juni 2011 te Voorburg opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand (voor de teelt/het kweken van hennepplanten) ter beschikking te stellen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 november 2012, waaruit blijkt dat hij reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke taakstraf, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 48 en 63 zoals zij thans gelden, en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Wiersinga,

mr. C.M. le Clercq-Meijer en mr. H.A. van Brummen, in bijzijn van de griffier mr. R.T. Poort.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 november 2012.

Mr. H.A. van Brummen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature