Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Ingangsdatum verhoging WAO-uitkering. 1) Primaire beroepsgrond wordt niet beoordeeld omdat de Raad daarmee buiten de omvang van het geding zou treden. 2) Geen aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat de ziekte MDS in enig oorzakelijk verband valt te brengen met de beperkingen aan het bewegingsapparaat waaraan appellant zijn WAO-uitkering ontleent. Geen medische gegevens die aanleiding geven tot het oordeel dat de toename van arbeidsongeschiktheid die voortvloeit uit de verergering van de knieproblematiek van appellant, op een eerder tijdstip zou dienen te worden bepaald dan op 1 oktober 2008.

Uitspraak



11/1224 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 17 januari 2011, 10/1055 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 november 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.A.J.M. Niederer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2012. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 1999 wegens knie- en rugklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als operator. Aan hem is met ingang van 20 december 2000 een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 11 april 2005 is appellants WAO-uitkering met ingang van 12 juni 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het beroep tegen het besluit van 30 november 2006, waarbij het besluit van 11 april 2005 in bezwaar is gehandhaafd, is bij uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 juli 2007, 07/27, ongegrond verklaard.

1.3. Bij ongedateerde brief, waarbij als bijlage was gevoegd een schrijven van 7 november 2009 van de behandelende orthopedisch chirurg M. Braakman, heeft appellant bij het Uwv melding gemaakt van toegenomen problemen aan zijn linkerknie. Hij heeft daarbij gewezen op een reeds in mei 2008 door hem gedaan verzoek om herkeuring.

1.4. In september 2009 heeft verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. In het van dat onderzoek opgestelde verslag van 15 september 2009 heeft de verzekeringsarts aangegeven dat bij appellant, naast een instabiele endocriene stoornis en de bloedziekte MDS, sprake is van forse beperkingen aan het bewegingsapparaat. De aanvang van toename van laatstbedoelde beperkingen is door de verzekeringsarts - arbitrair - bepaald op 1 oktober 2008.

1.5. Uit het arbeidsdeskundig rapport van 24 november 2009 komt naar voren dat raadpleging door de arbeidsdeskundige van het CBBS-systeem op basis van de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 september 2009, onvoldoende voor appellant passend te achten functies oplevert, in waarmee de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant dient te worden bepaald op 80 tot 100%.

2.1. Bij besluit van 1 februari 2010 heeft het Uwv, in overeenstemming met de uitkomsten van de onder 1.4 en 1.5 vermelde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken, de WAO-uitkering van appellant met inachtneming van een verkorte wachttijd van vier weken, zoals bedoeld in artikel 39a van de WAO, met ingang van 29 oktober 2008 verhoogd naar 80 tot 100 %.

2.2. Bij besluit van 5 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 1 februari 2010 gemaakte bezwaar, dat zich uitsluitend richt tegen de door het Uwv met betrekking tot de ophoging van de uitkering aangehouden ingangsdatum, ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.2. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, overwogen dat aan appellant destijds in 2000 uitkering is toegekend in verband met - met name - rug-, been- en knieklachten. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de bij appellant geconstateerde bloedziekte MDS als oorzaak kan worden aangemerkt van de ziekte of het gebrek ter zake waarvan toekenning van uitkering aan appellant heeft plaatsgevonden.

3.3. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat bij eerdere beoordelingen van appellants belastbaarheid, waarvan in het bijzonder bij het onderzoek door de verzekeringsarts op 22 mei 2008, niet is gebleken dat de beperkingen van appellant als gevolg van de klachten van het bewegingsapparaat toen al zodanig waren veranderd dat de FML moest worden aangepast. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen de verwijzing door de bezwaarverzekeringsarts naar het schrijven van de orthopedisch chirurg Braakman van 7 november 2008, die daarin vermeldt dat appellant op de polikliniek is gezien wegens het sedert drie tot vier weken door de knie zakken. Tevens heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts geen medische gegevens voorhanden zijn die wezenlijke veranderingen van klachten (vier weken) voor de datum van

7 november 2008 kunnen onderbouwen.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep primair zijn reeds in beroep naar voren gebrachte standpunt herhaald dat de ingangsdatum van de verhoging van zijn WAO-uitkering dient te worden verlegd naar een tijdstip voorafgaande aan 12 juni 2005 (appellant gaat hierbij abusievelijk uit van de datum 7 juli 2004), de datum met ingang waarvan zijn eerder naar een volledige arbeidsongeschiktheid berekende WAO-uitkering was herzien naar 35 tot 45%. Appellant stelt hiertoe dat het ervoor dient te worden gehouden dat de bij hem in 2008 gediagnosticeerde bloedziekte MDS ook reeds speelde in 1999, toen hij uitviel voor zijn werkzaamheden als operator.

4.2. Subsidiair heeft appellant in hoger beroep zijn opvatting staande gehouden dat de ingangsdatum van de toename van zijn arbeidsongeschiktheid dient te worden vervroegd naar 8 mei 2008, de datum waarop hij bij het Uwv melding heeft gemaakt van toename van arbeidsongeschiktheid in verband met problemen met zijn bloed en verergering van zijn artrose.

5.1. De Raad overweegt dat hij aan een inhoudelijke beoordeling van de onder 4.1 weergegeven primaire beroepsgrond niet toekomt, nu daarmee buiten de omvang van het onderhavige geding zou worden getreden. Het bestreden besluit bevat immers geen beslissing waarbij is geweigerd terug te komen van de onder 1.2 vermelde, in rechte vaststaande, besluiten van 11 april 2005 en 30 november 2006, waarbij zijn volledige WAO-uitkering ingaande 12 juni 2005 was verlaagd naar 35 tot 45%.

5.2. Met betrekking tot de onder 4.2 weergegeven subsidiaire beroepsgrond overweegt de Raad dat hij zich volledig kan vinden in het oordeel daarover van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanknopingspunten bestaan om ervan uit te gaan dat de ziekte MDS in enig oorzakelijk verband valt te brengen met de beperkingen aan het bewegingsapparaat waaraan appellant zijn WAO-uitkering ontleent. De MDS valt derhalve niet aan te merken als dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid voortkomt ter zake waarvan door appellant uitkering wordt genoten, als bedoeld in artikel 39a van de WAO . Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die twijfel oproepen aan de juistheid van dit oordeel van de rechtbank.

5.3. Eveneens stelt de Raad zich achter het oordeel van de rechtbank dat er geen medische gegevens voorliggen die aanleiding geven tot het oordeel dat de toename van arbeidsongeschiktheid die voortvloeit uit de verergering van de knieproblematiek van appellant, op een eerder tijdstip zou dienen te worden bepaald dan op 1 oktober 2008. De rechtbank heeft hierbij terecht in het bijzonder betekenis toegekend aan de informatie afkomstig van orthopedisch chirurg Braakman. Ook met betrekking tot dit onderdeel van de subsidiaire beroepsgrond geldt dat appellant geen nadere medische gegevens heeft ingebracht die steun verlenen aan zijn eigen opvatting. De bij het beroepschrift meegezonden verklaring van de behandelende ergotherapeute kan niet als zodanig worden aangemerkt.

5.4. Uit het overwogene onder 5.1 tot en met 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.C.W. Lange en R.C. Schoemaker als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) K.E. Haan

SG


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature