Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Teruggaveverplichting van brieven, documenten en foto's die eigendom zijn van eisers . Opzegging van bruikleenovereenkomst voor onbepaalde duur. Voldoende zwaarwegende grond. Redelijke opzegtermijn? Redelijke kostenvergoeding?

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 500408 / HA ZA 11-2528

Vonnis van 25 juli 2012

in de zaak van

1. de stichting naar Zwitsers recht

[A]-FONDS,

gevestigd te Basel, Zwitserland,

2. [B],

wonende te [plaats],

eisers,

advocaat mr. K.J. Koelman te Amsterdam,

tegen

de stichting

[A] STICHTING,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M.E. Wallheimer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna het Fonds, de heer [B] en de Stichting genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 7 december 2011 waarin een comparitie van partijen werd gelast,

- de akte overlegging producties ten behoeve van de comparitie van de zijde van het Fonds,

- de akte overlegging producties ten behoeve van de comparitie van de zijde van de Stichting,

- het proces-verbaal van de comparitie van 25 april 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Het Fonds is in 1963 opgericht door de heer [C], de vader van [A]. De doelstelling van het Fonds is om een sociale en culturele rol te spelen in de geest van [A].

2.2. De heer [B] (roepnaam: [B]), de neef van [A] en het laatst

levende familielid dat [A] nog persoonlijk heeft gekend, is de huidige voorzitter van het Fonds.

2.3. Het Fonds en de heer [B] zijn eigenaar van vele objecten, zoals brieven,

documenten en foto’s, die direct of indirect betrekking hebben op het leven van [A] en haar familie. Ten aanzien van een aantal objecten bestaat een geschil tussen het Fonds en de heer [B] over de vraag wie van hen eigenaar is.

2.4. De Stichting is opgericht in 1957 en heeft als doelstelling het beheren van het [A] Huis op de [adres] te [plaats] alsmede het levensverhaal en de idealen van [A], nagelaten in haar dagboek, uit te dragen.

2.5. In 2005 is ten behoeve van het zogenaamde ‘Metamorfose-project’ een aantal

objecten van eisers vanuit Zwitserland naar Amsterdam vervoerd om digitaal en op microfilm te worden vastgelegd door de Stichting.

2.6. Een aantal van de objecten die in het kader van dit Metamorfose-project in

Amsterdam waren, zijn in 2006 door het Fonds in bruikleen gegeven aan het Amsterdams Historisch Museum ten behoeve van de tentoonstelling

‘[A] – Haar leven in brieven’. Deze tentoonstelling liep van 12 april 2006 tot 3 september 2006.

2.7. In september/oktober 2007 zijn ten behoeve van het zogenaamde ‘Beeldbank

Project’ diverse objecten van eisers aan de Stichting overgedragen om gedigitaliseerd te worden.

2.8. De uit het archief van eisers afkomstige collectie objecten komt in aanmerking

voor subsidie van het Nationaal Programma voor het Behoud van het Papieren Erfgoed. De collectie wordt gezien als cultuurhistorisch erfgoed.

2.9. In 2007 hebben partijen uitvoering gegeven aan het idee om een gezamenlijk

archief op te richten (hierna ook ‘het [A] archief of ‘de [A] archieven’). Op 25 juni 2007 zijn de objecten van eisers in een officiële overhandiging aan de Stichting overgedragen.

2.10. In een ‘Vorvertrag’ dat eisers in dit verband in 2007 hebben opgesteld en aan de

Stichting hebben overgelegd staat, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

(…)

‘[A] Archieven

Het [A]-Fonds en [B] te [plaats] en de [A] Stichting te Amsterdam hebben besloten om het [C] Archief ([A STICHTING]), het Familiearchief [achternaam A]/[B] ([B]/[A FONDS]) en het archief van het [A]-Fonds (…) bijeen te brengen en te omschrijven als de [A] Archieven. Deze archieven worden beheerd door de [A] Stichting.

Doelstellling

Doelstelling van dit initiatief is om alle archieven die verband houden met de familie [achternaam A] bijeen te brengen en professioneel op één plek te beheren. Daartoe worden schenkingen en bruikleen van documenten en objecten aanvaard die gerelateerd zijn aan bovengenoemde doelstelling. Schenkingen komen ofwel ten gunste van het [A]-Fonds óf van de [A] Stichting. Een bruikleen wordt uitsluitend overeengekomen met de [A] Stichting, omdat deze de verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van de collectie.

Het [A]-Fonds en de [A] Stichting zullen gezamenlijk proberen relevante archieven en collecties in handen van derden te verwerven en te ontsluiten. De verworven archief- en collectiestukken worden als onderdeel van de [A] Archieven ondergebracht bij de [A] Stichting. Het doen van onderzoek zal actief worden gestimuleerd middels het Stipendium van het [A]-Fonds.

Beheer

Het [A]-Fonds en [B] stellen hun aandelen in de [A] Archieven als duurzame bruikleen ter beschikking aan de [A] Stichting in Amsterdam. De [A] Stichting op haar beurt voegt het [C] archief hier aan toe. Het [A]-Fonds vertrouwt de [A] Stichting het dagelijkse beheer, behoud en de ontsluiting van de [A] Archieven toe. De bestaande eigendomsverhoudingen en auteursrechten blijven ongewijzigd gehandhaafd. (…)

Het in beheer geven van het Familiearchief [achternaam A]/[B] en het archief van het [A]-Fonds (…) aan de [A] Stichting wordt vastgelegd in een duurzame duurovereenkomst. De [A] Stichting is gehouden, het dagelijkse beheer, behoud en de ontsluiting van de [A] Archieven op doelmatige wijze naar “best practices” op archiefgebied uit te voeren.

Beirat

Het [A]-Fonds en de [A] Stichting benoemen een paritär bezette adviesraad (zogenaamde “Beirat”) (…) met als doel advies te geven aan de directie van de [A] Stichting en het bestuur van het [A]-Fonds over het beheer en de ontsluiting/openstelling/raadpleging van de [A] Archieven (…).

Financiën

Het [A]-Fonds en de [A] Stichting nemen de kosten van het beheer en de ontsluiting van de [A] Archieven voor hun rekening volgens een nog nader te bepalen verdeelsleutel. Tot de kosten behoren de jaarlijks terugkerende en de periodieke uitgaven ten behoeve van klimaatregeling, verzekering en onderhoud, waaronder afschrijvingen en investeringen. (…)

Werkzaamheden die nog uitgevoerd moeten worden

1. Het opstellen en ondertekenen van het bruikleencontract voor het Familiearchief tussen [A FONDS]/[achternaam A]-[B] tussen [A FONDS]/[B] en de [A STICHTING] en voor het Archief van het [A]-Fonds (oudste delen) tussen [A FONDS] en [A STICHTING].

(…).

Het Vorvertrag is niet ondertekend.

2.11. In verband met het op te richten gezamenlijke archief is door partijen een

adviesraad geformeerd, door partijen aangeduid als ‘de Beirat’. In deze Beirat namen twee mensen van de Stichting (mevrouw [D] en mevrouw [E]) en één bestuurslid van het Fonds (de heer [F]) deel, alsmede een door het Fonds ingehuurde externe archivaris, de heer [G].

2.12. De Beirat is van 2007 tot 2010 met enige regelmaat bij elkaar gekomen. Tijdens de

bijeenkomsten van de Beirat is onder meer gesproken over een schriftelijke regeling voor een permanent gezamenlijk archief.

2.13. In een verslag van de Beirat van een bijeenkomst in Amsterdam op 14 en 15 april

2008 is onder meer het volgende opgenomen:

(…)

Bruikleenovereenkomst

De bruikleenovereenkomst voor het [achternaam A]-[B] familiearchief en het historisch archief van het [A FONDS] die, toegevoegd aan het [C] Archief in Amsterdam nu tezamen de [A] Archieven vormen, is de basis van het functioneren van de Beirat. Deze bruikleenovereenkomst is daarom een eerste vereiste en moet zo spoedig mogelijk afgesloten worden.

Een vertragende factor is dat de eigendomsverhoudingen van de collecties die uit Bazel naar Amsterdam zijn gekomen, nog steeds niet helemaal duidelijk zijn. De Beirat heeft een leidraad geformuleerd voor de bruikleenovereenkomst (zie Bijlage 1). Aan de eerstkomende gemeenschappelijke vergadering van de [A STICHTING] en het [A FONDS] in Bazel op 28 mei, kan deze leidraad voorgelegd worden. Het streven is om per 1 januari 2009 de bruikleenovereenkomst in werking te laten treden.

(…)

Kaders voor het functioneren van de Beirat

(…)

In Bijlage 2 zijn de kaders waarbinnen de Beirat zou kunnen functioneren geformuleerd. (…).

2.14. In Bijlage 1, waarnaar in het hiervoor genoemde deel uit het verslag van de Beirat

wordt verwezen, is het volgende opgenomen:

Bijlage 1:

Leidraad voor de bruikleenovereenkomst van het [achternaam A]-[B] familiearchief en het historisch archief van het [A FONDS] die, toegevoegd aan het [C] Archief in Amsterdam, tezamen de [A] Archieven vormen.

* Het streven is om de bruikleenovereenkomst per 1 januari 2009 in werking te laten treden. Alle partijen spreken zich uit de overeenkomst binnen de mogelijkheden een goede invulling te geven.

* de Bruikleenovereenkomst wil continuïteit bieden. De voorkeur gaat uit naar een duur van onbepaalde tijd die na een eerste termijn van 10 jaar per 1 jaar opzegbaar is of stilzwijgend wordt verlengd.

* De bruikleenovereenkomst is gebaseerd op bestaande modellen t.a.v. het beheer, behoud, ontsluiting en gebruik van archieven en sluit daarbij aan op gangbare praktijk in de archiefwereld.

* Rechten en plichten wat betreft auteursrecht, copyright, privacy en eigendomsrechten worden daarin gevolgd.

* De bruikleenovereenkomst heeft ook betrekking op de volgende nog in Bazel aanwezige collecties:

- Collectie [B]

- Collectie [H]

- Foto’s [B]

- Foto’s [H]

- Documentatie [B]

- Documentatie van alle collecties uit het [achternaam A]-[B] familiearchief

(Bovengenoemde collecties betreft ongeveer 8 strekkende meter, geïnventariseerd archief.

- Historisch Archief [A] Fonds

(Dit archief betreft ongeveer 16 strekkende meter ongeïnventariseerd archief over de periode 1960-1995 (periode van het voorzitterschap van [C] t/m [I]) geborgen in ordners.

- Een naar verhouding bepaalde financiële bijdrage voor de kosten van het behoud, beheer, ontsluiting en gebruik worden doorberekend aan de bruikleengever.

* Nadere bijzonderheden met betrekking tot de inzage en het gebruik van de archieven worden in een specifieke instructie en regelingen uitgewerkt.

2.15. In Bijlage 2, waarnaar eveneens in het hiervoor genoemde verslag van de Beirat

verwezen wordt, is, voor zover hier van belang, nog opgenomen:

Bijlage 2: Voorstel voor de kaders waarbinnen de Beirat kan opereren. Ter beoordeling aan het bestuur en de directie van [A FONDS] en [A STICHTING].

(…)

* Openheid en vertrouwen over en weer zijn vanzelfsprekende vereisten.

2.16. Uit de notulen van de bijeenkomst van de Beirat van 1 december 2008 volgt onder

meer:

(…)

7. De bruikleenovereenkomst tussen [A FONDS] en [A STICHTING] wacht op de totstandkoming van de ontvlechting van de [A FONDS]-stukken en de bestanden van het familiearchief [achternaam A]-[B].

(…)

2.17. Onder punt 1 van de notulen van de Beiratvergadering van 9 februari 2009 staat,

voor zover hier van belang, opgenomen:

1. (…)

[A FONDS] betaalt aan de [A STICHTING] elk jaar € 20’000 fixkosten voor de archiefwerkzaamheden, hoewel de bruikleenovereenkomst nog niet afgesloten is. Bovendien kunnen in de toekomst aanvullende projecten voor financiële ondersteuning aangedragen worden, die door het [A FONDS] net zo beoordeeld worden als andere projecten. De [A STICHTING] wil op de vaste kosten en op de mogelijkheid van projectvoorslagen nog eens terugkomen, wanneer de bruikleenovereenkomst een thema is.

(…).

6. (…)

Het is momenteel niet zinvol, de Archivbeirat verder uit te bouwen. Voorlopig blijft het wachten op de bruikleenovereenkomst enz.

(…).

2.18. De notulen van de bijeenkomst van 30 juni 2009 melden, voor zover hier van

belang:

(…)

10. Stand van zaken bruikleen

Dit is een ingewikkelde en gecompliceerde kwestie. [J] heeft een stuk voorbereid dat ter tafel ligt met betrekking tot de verdeling van de archieven tussen het [A FONDS] en de familie [B]. [K] merkt op dat het niet aan de Stichting is om zich in deze discussie te mengen. Besloten wordt dat de competenties van de Beirat hierin zich beperken tot de volgende onderwerpen:

* Wat de [A FONDS] en de [A STICHTING] tot nu toe allemaal gedaan hebben om deze collectie te ontsluiten, verpakken, digitaliseren etc. en de financiële consequenties.

* Benadrukken van het grote belang om de collectie als een geheel en onder één dak ([A] Huis) te beheren, behouden en ontsluiten.

* Benadrukken wat de consequenties zijn van het uit elkaar halen van het [C] Archief en het Familie [achternaam A]/[B] archief.

(…)

11. Financiën

De bijdrage van het [A FONDS] aan de [A STICHTING] van dit jaar (€ 20.000) wordt niet automatisch ook het volgende jaar toegekend. Ieder jaar weer opnieuw bekeken.

(…).

2.19. In de notulen van de bijeenkomst van de Beirat van 15 februari 2010 valt onder

meer het volgende te lezen:

(…)

4. Naam [A] Archieven

Zolang er geen bruikleenovereenkomst is, laten we de situatie zoals die is.

(…).

2.20. Tot een definitieve schriftelijke regeling over de bruikleen van de [A]

archieven is het tussen partijen nooit gekomen. De collectie objecten bevindt zich nog steeds in de archieven van de Stichting.

2.21. Op 30 november 2010 hebben eisers een brief aan de Stichting gestuurd waarin zij

hebben medegedeeld dat zij de objecten terug willen en dat, als er tussen partijen al een overeenkomst zou gelden, deze overeenkomst per 31 december 2010 wordt opgezegd.

2.22. De Stichting heeft aan eisers te kennen gegeven de [A] archieven niet te

willen retourneren.

2.23. Op 29, 30 en 31 augustus 2011 is op verzoek van eisers conservatoir beslag tot

afgifte gelegd op de objecten die door eisers zijn gespecificeerd in de door haar opgestelde lijsten A, B en C.

3. Het geschil

3.1. Eisers vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1) de Stichting beveelt om de objecten op de lijsten van producties A, B, C en 5 op het eerste verzoek daartoe van eisers, onmiddellijk aan eisers af te geven en onvoorwaardelijk en volledig haar medewerking te verlenen aan het retourneren van deze objecten naar het kantoor van het Fonds in Basel (zie echter hierna onder 4.3 en verder);

2) de Stichting te veroordelen tot betaling van een direct opeisbare dwangsom van € 50.000,- met een maximum van € 25.000.000,-, voor iedere dag of dagdeel dat niet tijdig of onvolledig in overeenstemming met het bevel onder 1 wordt gehandeld;

3) de Stichting te veroordelen in de kosten van dit geding en het gelegde beslag.

3.2. Eisers legggen primair aan hun vordering ten grondslag dat zij eigenaar zijn van de

objecten en de Stichting deze objecten zonder recht onder zich houdt. De Stichting handelt daarmee onrechtmatig. Op grond van artikel 5:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn eisers gerechtigd deze objecten op te eisen, aldus het Fonds en de heer [B].

3.3. Subsidiair stellen eisers dat er een teruggaveverplichting voor de Stichting bestaat

nu er tussen partijen sprake is van (een) bruikleenovereenkomst(en) voor bepaalde tijd die is/zijn afgelopen omdat het hierin gestelde doel bereikt is. Meer subsidiair stellen eisers dat er sprake is van een bruikleenovereenkomst voor onbepaalde tijd die te allen tijde kan worden opgezegd zonder (zwaarwegende) reden. Uiterst subsidiair stellen eisers dat, indien voor opzegging van de bruikleenovereenkomst wel een zwaarwegende reden vereist is, hieraan is voldaan.

3.4. De Stichting voert verweer en heeft allereerst aangevoerd dat niet alle door eisers

opgeëiste objecten bij de Stichting aanwezig zijn dan wel dat deze objecten geen eigendom zijn van eisers. Om die reden dient de vordering ten aanzien van deze objecten te worden afgewezen, aldus de Stichting. Voor zover de objecten wel eigendom zijn van eisers, heeft de Stichting aangevoerd dat deze objecten onderwerp zijn van een bruikleenovereenkomst voor onbepaalde tijd die niet zonder zwaarwegende grond door eisers kan worden opgezegd. De door eisers aangevoerde redenen leveren geen zwaarwegende gronden op, aldus de Stichting. De Stichting heeft in dit verband verder aangevoerd dat moet worden meegewogen dat zij jarenlang aanzienlijke hoeveelheden tijd, zorg en financiële middelen aan de collecties heeft besteed en derhalve kosten heeft gemaakt ten behoeve van de bruikleen. Tenslotte stelt de Stichting dat, als de overeenkomst al kan worden opgezegd, hierbij een te korte opzegtermijn in acht is genomen zodat de overeenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Eigendom

4.1. Tussen partijen staat allereerst ter discussie om welke objecten het gaat. In dat verband bestaan er geschilpunten zowel over de vraag welke objecten zich bij de Stichting bevinden als over de vraag welke objecten eigendom zijn van eisers. Eisers hebben vier lijsten overgelegd (lijst A, lijst B, lijst C en Lijst 5) en stellen eigenaar te zijn van de in deze lijsten genoemde objecten, die zich volgens hen bij de Stichting bevinden.

4.2. De Stichting heeft hier – kort samengevat - tegenin gebracht dat:

a) een deel van de objecten niet (meer) bij de Stichting aanwezig is,

b) ten onrechte wordt verondersteld dat alle objecten eigendom zijn van eisers omdat diverse objecten door [L], de dochter van de tweede vrouw van [C], aan de Stichting zijn toebedeeld en daarmee eigendom van de Stichting zijn geworden,

c) een deel van de objecten onderwerp is van een schriftelijke bruikleenovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen de heer [B] en de Stichting,

d) de Staat der Nederlanden eigenaar is van de handschriften van [A].

4.3. Ten tijde van de comparitie van partijen hebben eisers ten aanzien van een aantal

objecten erkend dat deze zich niet (meer) in Amsterdam bevinden. Zo hebben de objecten, gemerkt met ‘BL2003’ in productie 8, geen onderdeel uitgemaakt van de verzendingen naar Amsterdam in 2005 en 2007. Verder zouden de stukken, genoemd op de Transfer Agreement van 30 januari 2008 (door eisers overgelegd als productie 9), niet meer in Amsterdam zijn. Tenslotte maken eisers geen aanspraak op de objecten die met ‘nicht bei [A STICHTING]’ zijn gemerkt op de producties A en B. Ten aanzien van deze objecten hebben eisers hun eis verminderd.

4.4. Mr. Wallheimer heeft ter zitting over deze eisvermindering opgemerkt dat voor de

Stichting op dat moment niet duidelijk was wat er nog precies tot de door eisers gevorderde objecten behoort.

4.5. Nu op basis van de thans voorliggende stukken niet eenduidig kan worden

vastgesteld bij wie de eigendom van de gevorderde objecten ligt, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen om hun standpunt ten aanzien van de eigendom nog nader toe te lichten. De rechtbank zal de zaak met dit doel naar de rol verwijzen voor een door eisers te nemen akte waarna de Stichting de gelegenheid krijgt om hierop bij antwoordakte te reageren. De rechtbank gaat er op basis van het verhandelde ter comparitie, zoals hierboven onder 4.3 weergegeven, wel van uit dat met de eisvermindering is tegemoetgekomen aan het verweer dat niet alle objecten zich bij de Stichting bevinden.

4.6. De rechtbank stelt eisers in de gelegenheid in de door hen te nemen akte één lijst

over te leggen waarin overzichtelijk is opgenomen van welke objecten zij stellen eigenaar te zijn en daarbij in te gaan op de specifiek daartegen ingebrachte weren van de Stichting. Zo mogelijk kan hierin - als subcategorie(ën) - worden opgenomen van welke objecten de Stichting heeft gesteld dat zij het eigendom heeft (verkregen) en van welke objecten het eigendom (volgens de Stichting) bij de Staat der Nederlanden ligt. De Stichting zal daarop bij akte mogen reageren.

Bruikleenovereenkomst voor onbepaalde duur?

4.7. Eisers stellen dat indien sommige van de gevorderde objecten geen eigendom van

eisers zijn, de Stichting toch gehouden is om ze aan eisers te retourneren omdat de objecten die in 2005 en 2007 naar Amsterdam kwamen daar bleven uit hoofde van de door de Stichting beweerde bruikleenovereenkomst.

4.8. De Stichting heeft aangevoerd dat voor zover de objecten eigendom van eisers zijn,

de vorderingen niet voor toewijzing vatbaar zijn omdat de objecten in langdurig bruikleen zijn gegeven aan de Stichting.

4.9. De rechtbank overweegt dat voormelde subsidiaire stelling van eisers dat objecten

die zich uit hoofde van een bruikleenovereenkomst bij de Stichting bevinden ook teruggevorderd kunnen worden door eisers in hun hoedanigheid van als bruikleengever in het geval deze objecten geen eigendom zijn van eisers, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet kan slagen. De door de Stichting beweerde bruikleenovereenkomst, waar eisers naar verwijzen, veronderstelt immers dat eisers de objecten waarvan juist wèl wordt vastgesteld dat die hun eigendom zijn in bruikleen hebben gegeven aan de Stichting. In dat licht bezien kan de subsidiare stelling van eisers, dat zij ook zonder eigendom als bruikleengevers kunnen worden beschouwd, niet worden gevolgd.

4.10. Hieruit volgt dat eerst moet komen vast te staan welke van de teruggevorderde

objecten eigendom zijn van eisers, waartoe eerst voormelde aktewisseling zal plaatsvinden.

4.11. Indien en voorzover die eigendom niet komt vast te staan, zal gelet op het

vooroverwogene, de gevorderde teruggave worden afgewezen.

4.12. Indien en voorzover van de gevorderde objecten wel kan worden vastgesteld dat de

eigendom bij (een van) eisers ligt, komt de rechtbank toe aan de beoordeling van het daarop gerichte verweer van de Stichting, als weergegeven in r.o. 4.8., en de verdere betwisting van dat verweer door eisers. De rechtbank overweegt hierover reeds als volgt.

4.13. De totstandkoming van een overeenkomst vereist wilsovereenstemming tussen

partijen. Anders dan eisers betogen is het niet ondertekenen van de bruikleenovereenkomst op zichzelf geen grond voor de conclusie dat de vereiste wilsovereenstemming tussen partijen niet is bereikt, nu dit ook op andere wijze kan geschieden. Dit dient te worden uitgemaakt aan de hand van de zogenoemde wilsvertrouwensleer. Hierbij geldt dat een wilsverklaring ook in een of meer gedragingen besloten kan liggen.

4.14. Vast staat dat partijen rond 2007 de wens hadden om alle archieven die verband

hielden met de familie [achternaam A], professioneel op één plek te beheren en integraal te ontsluiten. Partijen hebben om die reden het plan opgevat om hun archieven samen te voegen tot één archief. Dat gezamenlijke archief, door partijen ‘de [A] archieven’ genoemd, zou door de Stichting worden beheerd en ontsloten. Ook staat vast dat eisers de [A] archieven in 2007 feitelijk aan de Stichting hebben overgedragen en dat partijen in dit verband gezamenlijk de Beirat hebben opgericht, een en ander juist met het oog op deze bijzondere samenwerking. Partijen hebben tijdens de vergaderingen van de Beirat gesproken over het op schrift zetten van een bruikleenovereenkomst voor de [A] archieven danwel over een bepaalde vorm van samenwerking in de vorm van een gezamenlijk archief.

4.15. Uit het hiervoor onder rechtsoverweging 2.13 en 2.14 weergegeven verslag (met

bijlagen) van de Beirat van 14/15 april 2008 volgt dat er door partijen een leidraad was opgesteld voor de bruikleenovereenkomst. Uit deze leidraad blijkt dat partijen het eens waren over een aantal belangrijke aspecten van de bruikleen. Zo volgt uit de leidraad dat de bruikleenovereenkomst continuïteit zou moeten bieden en dat de voorkeur van partijen uitging naar een duur van onbepaalde tijd die na een eerste termijn van 10 jaar per 1 jaar opzegbaar was of stilzwijgend zou worden verlengd. Verder werd tussen partijen afgesproken dat een naar verhouding bepaalde financiële bijdrage voor de kosten van het behoud, beheer, ontsluiting en gebruik aan eisers zou worden doorberekend. In dit verband is in 2009 € 20.000,- door eisers aan de Stichting betaald. Tussen partijen bestond voorts de afspraak dat er elk jaar opnieuw zou worden bekeken welke bedrag aan deze kosten zou worden vergoed door eisers. De kosten van het vervoer van de archieven zouden voor rekening van eisers komen. Uit notulen van latere data van de Beirat volgt verder dat partijen het eens zijn geworden over een collectiebeheerder die voor de [A] archieven zou worden ingesteld en over een voor wetenschappers opgestelde inzageregeling voor het archief. Ook was er overeenstemming over een jaarlijks stipendium die in het leven werd geroepen en over begrotingen over een lange periode.

4.16. Uit de door partijen overgelegde stukken is voorts niet gebleken van grote tussen

partijen bestaande meningsverschillen over de inhoud van de te tekenen bruikleenovereenkomst. Partijen hebben wel gediscussieerd over de wijze waarop de archieven waren opgeslagen: volgens eisers bracht het feit dat de archieven op slechts tien meter van een gracht in een kelder waren opgeslagen een waterrisico met zich mee. Uit de overgelegde stukken volgt echter niet dat deze discussie over waterrisico voor partijen reden was om de definitieve bruikleenovereenkomst niet te tekenen. Voor het uitstellen van het ondertekenen van dit document is als reden slechts kenbaar uit deze stukken de onenigheid tussen het Fonds en de heer [B] over de onderlinge eigendom van bepaalde objecten. Zo volgt onder meer uit de notulen van de Beirat van 1 december 2008 dat de bruikleenovereenkomst ‘wacht op de totstandkoming van de ontvlechting van de [A FONDS]-stukken en de bestanden van het familiearchief [achternaam A]-[B]’. Verder vermelden de notulen van de bijeenkomst van 30 juni 2009 ten aanzien van de stand van zaken van de bruikleen: ‘Dit is een ingewikkelde en gecompliceerde kwestie. [J] heeft een stuk voorbereid dat ter tafel ligt met betrekking tot de verdeling van de archieven tussen het [A FONDS] en de familie [B]. [K] merkt op dat het niet aan de Stichting is om zich in deze discussie te mengen’.

De rechtbank neemt derhalve aan dat het feit dat de definitieve bruikleenovereenkomst nog niet getekend was, vooral te wijten was aan deze interne discussie aan de zijde van eisers.

Daarbij komt dat, zoals onbetwist door de Stichting is gesteld, eisers de samenvoeging van de archieven zelf bij het publiek onder de aandacht hebben gebracht als langdurige bruikleen. Zo hebben het Fonds en de heer [B] in een persbericht van 25 juni 2007 gemeld: ‘Today, historical records from Switzerland belonging tot the [achternaam A] Family were presented tot the [A] House on long-term loan’. Verder hebben partijen in een persbericht van 9 juni 2009 gemeld: ‘Die archive wurden dem [A] Haus als langfristige Leihgabe übergeben’. Dat deze overeenkomst gekwalificeerd moet worden als een bruikleenovereenkomst, geldt temeer nu partijen deze overeenkomst, c.q. de beoogde schriftelijke vastlegging daarvan, ook blijkens de overige processtukken en in het procesdebat steeds hebben aangeduid als een bruikleenovereenkomst.

4.17. Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, in het bijzonder ook de

gedragingen van eisers, leidt de rechtbank af dat partijen zich vanaf 2007 over en weer hebben gedragen als bruikleengever en bruikleennemer. Tussen partijen werd overeenstemming bereikt over diverse kernaspecten van de bruikleen, zodat de verbintenis tussen partijen in hoofdlijnen bepaalbaar was. Bovendien werd feitelijk vanaf 2007 al uitvoering gegeven aan de bruikleenovereenkomst. Verder was ondertekening van de bruikleenovereenkomst enkel in afwachting van een oplossing van het interne geschil aan de zijde van eisers.

4.18. Hieruit volgt dat de Stichting, gezien de daartoe strekkende gedragingen van eisers,

gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat de wil van eisers evenals die van de Stichting gericht was op het aangaan van een bruikleenovereenkomst. Deze overeenkomst is, gelet op de uitvoeringshandelingen betreffende de essentialia daarvan door beide partijen, ook daadwerkelijk tot stand gekomen. Anders dan gesteld door eisers, doet daaraan in de onderhavige situatie niet af dat de definitieve bruikleenovereenkomst nimmer is ondertekend. Naar het oordeel van de rechtbank kan de rechtsverhouding tussen partijen overeenkomstig het daartoe strekkende verweer van de Stichting worden gekwalificeerd als een bruikleen- danwel samenwerkingsovereenkomst.

4.19. Partijen twisten vervolgens – met het oog op de opzegbaarheid – allereerst over de

vraag of sprake is van een bruikleenovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde duur.

4.20. De rechtbank is met de Stichting van oordeel dat de tussen partijen

totstandgekomen bruikleenovereenkomst zich kenmerkt door voortdurende of telkens terugkerende verplichtingen. De archieven waren reeds drie jaar in gebruik gegeven aan de Stichting en de Stichting heeft gedurende die jaren geld en tijd besteed aan het beheren en ontsluiten van deze archieven. Voorts staat vast dat door partijen geen einddatum voor de bruikleen overeengekomen is, maar dat in de leidraad voor de beoogde schriftelijke overeenkomst is uitgegaan van een duur van onbepaalde tijd die na een eerste termijn van 10 jaar per 1 jaar opzegbaar was of stilzwijgend zou worden verlengd.

4.21. Eisers hebben in dit verband aangevoerd dat, als er al sprake is van een

bruikleenovereenkomst, het drie overeenkomsten voor bepaalde tijd betrof nu de uitleensituaties verband hielden met de projecten ‘Metamorfose’, ‘Nationale Beeldbank’ en ‘Amsterdams Historisch Museum’. Omdat deze projecten waren geëindigd was ook het doel van de overeenkomsten bereikt en was opzegging niet meer nodig, aldus eisers.

Deze stelling wordt door de rechtbank niet gevolgd. Eisers gaan er in hun betoog aan voorbij dat eisers destijds, na afloop van deze projecten geen aanspraak hebben gemaakt op retournering van de archieven en dat partijen, als ook overwogen in r.o. 4.14, in 2007 – dus los van dan wel na afloop van genoemde projecten – juist waren overgegaan tot de overdracht van de [A] archieven aan de Stichting met het oog op een gezamenlijk archief en een langdurige vorm van uitlenen aan de Stichting met deze bijzondere samenwerking als centrale doelstelling. De [A] archieven werden, zo hebben eisers zelf betoogd, met het oog op het idee van het gezamenlijk archief, in Amsterdam gelaten. Uit de hiervoor genoemde omstandigheden en gedragingen van partijen volgt dat de bedoeling van partijen was om de archieven langdurig in Amsterdam te houden en dat de projecten werden ingehaald door het overkoepelende grotere plan van partijen om een gezamenlijk archief te vormen. Dit betekent dat de stelling van eisers, dat opzegging van de thans vastgestelde bruikleenovereenkomst niet nodig was omdat het doel uit hoofde van genoemde eerdere projecten was bereikt, wordt verworpen.

4.22. De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat partijen de

bruikleenovereenkomst zijn aangegaan voor onbepaalde tijd.

Opzegging (c.q. teruggave) mogelijk?

4.23. Eisers betogen dat zij de overeenkomst hebben opgezegd zodat de

teruggaveverplichting van de Stichting als rechtsgevolg van die opzegging daarmee gegeven is. Zij beroepen zich in dat verband op de opzeggingsbrief als weergegeven in r.o. 2.21. Zij stellen dat een zwaarwegende grond voor die opzegging in dit geval niet vereist, terwijl de opzeggingsbrief voorziet in een redelijke opzegtermijn. Subsidiair bepleiten eisers omzetting in een wel redelijke opzegtermijn. Een kostenvergoeding is niet aan de orde, althans niet voorzover deze kosten ex artikel 7A:1785 BW voor rekening van de bruiklener dienen te komen, aldus nog steeds eisers. De Stichting betoogt daarentegen dat een zwaarwegende reden voor opzegging wèl vereist is en dat daarvan in dit geval geen sprake is zodat de opzegging niet rechtsgeldig is. Subsidiair voert de Stichting aan dat de opzeggingsbrief niet voorziet in een redelijke opzegtermijn en daarom het beoogde rechtsgevolg ontbeert. Tot slot is volgens de Stichting in geval van opzegging een redelijke kostenvergoeding op zijn plaats is.

4.24. De rechtbank stelt voorop dat ook voor een bruikleenovereenkomst voor

onbepaalde tijd geldt dat de uitlener steeds teruggave kan eisen, maar dat de uitlener daarbij wel de redelijkheid en billijkheid in acht heeft te nemen. Nu partijen in dit verband een dispuut hebben gevoerd over de vraag of opzegging mogelijk is, overweegt de rechtbank als volgt. Nu het hier een duurovereenkomst betreft, waarbij wet (het regime van de artikelen 7A:1777-1800 BW inzake de bruikleenovereenkomst ) en overeenkomst (ten aanzien van de eerste tien jaar, gerekend vanaf 2007) niet voorzien in een regeling voor opzegging, geldt dat een dergelijke overeenkomst in beginsel opzegbaar is, maar dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod van een (schade)vergoeding (Hoge Raad 28 oktober 2011, LJN: BQ 9854). Het geschil met betrekking tot de opzegging (met als rechtsgevolg de teruggaveverplichting) zal met inachtneming van deze maatstaf worden beoordeeld.

4.25. De rechtbank weegt in haar waardering van de omstandigheden mee dat het in de

onderhavige situatie om unieke, onvervangbare objecten gaat van een grote culterele en historische waarde. Bovendien wordt in aanmerking genomen dat deze objecten aan de Stichting in bruikleen zijn gegeven zonder dat daarvoor een financiële tegenprestatie door de Stichting verschuldigd was. Daarbij moet ook in ogenschouw worden genomen het bijzondere doel dat partijen voor ogen hadden met de bruikleenovereenkomst, te weten voormelde specifieke samenwerking met het oog op het beheren en ontsluiten van een gezamenlijk archief betreffende de familie [achternaam A]. Verder acht de rechtbank van belang dat partijen, zo volgt uit hiervoor reeds aangehaalde notulen van de Beirat, blijkens hun leidraad voor de bruikleenovereenkomst zelf zijn uitgegaan van de mogelijkheid van opzegging van de bruikleenovereenkomst, zij het pas na tien jaar met een opzeggingstermijn van één jaar.

4.26. Gelet op de hiervoor gegeven maatstaf op grond waarvan in beginsel

opzegbaarheid moet worden aangenomen, alsmede de bijzondere invulling van en de bedoelingen van partijen bij de onderhavige bruikleenovereenkomst, is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige overeenkomst opzegbaar is, maar dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat deze opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat en mits een in de onderhavige situatie redelijke opzegtermijn wordt gehanteerd en een redelijke kostenvergoeding wordt betaald, zij het met inachtneming van artikel 7A:1785 BW .

Voldoende zwaarwegende grond?

4.27. Ten aanzien van de reden voor opzegging is door eisers aangevoerd dat het

uitgeleende archiefmateriaal zich ongebruikt in de kelder van de Stichting bevindt, er daar sprake is van waterrisico en de vraag voorligt of er voldoende verzekerd is en er bovendien sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk tussen partijen. Ten aanzien van dit laatste heeft de heer [F] ten tijde van de comparitie van partijen benadrukt dat het ontbreken van vertrouwen van doorslaggevend belang is geweest voor het Fonds. De verhouding met de Stichting was niet meer goed, onder meer vanwege het feit dat de Stichting zich, naar het oordeel van het Fonds, presenteerde alsof het [A] archief aan haar was overgedragen terwijl het Fonds uitging van een gezamenlijk, door beide partijen, te beheren archief, aldus de heer [F]. Hoewel de Stichting ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft betoogd dat er wat haar betreft uit de notulen van de Beirat geen wantrouwen spreekt, is het ontbreken van vertrouwen aan de zijde van het Fonds niet door de Stichting betwist. Daaraan doet niet of dat partijen het oneens zijn over de vraag of voor enige vertrouwensbreuk reële aanleiding bestond. De heer [M] heeft ter zitting bevestigd dat hij bij zijn aantreden in januari 2010 met conflicten werd geconfronteerd en hij vervolgens vergeefs heeft geprobeerd het vertrouwen tussen partijen te herstellen. De rechtbank zal er dan ook vanuit gaan dat er inderdaad sprake is van de door het Fonds gestelde vertrouwensbreuk tussen partijen.

4.28. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde wijze van samenwerken tussen

partijen, waarbij eisers hun onvervangbare archieven met grote cultuurhistorische waarde om niet aan de Stichting hebben uitgeleend, van partijen een groot vertrouwen in elkaar vraagt. Gelet op deze bijzondere aard van de overeenkomst, waarbij het bewaren en beheren van dit cultuurhistorisch erfgoed van [A] in handen van de Stichting is gelegd, is de rechtbank van oordeel dat instandhouding van de overeenkomst zonder vertrouwensbasis niet van eisers kan worden verwacht.

4.29. Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het door eisers gestelde

geschonden vertrouwen in de Stichting een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging van de overeenkomst.

Redelijke opzegtermijn?

4.30. Nu uit de stukken volgt dat partijen een langdurige samenvoeging van de

[A] archieven voor ogen hadden, en hierover in de leidraad voor de bruikleen is opgenomen dat bij de bruikleenovereenkomst is uitgegaan van een duur van onbepaalde tijd die na een eerste termijn van 10 jaar per één jaar opzegbaar was of stilzwijgend zou worden verlengd, acht de rechtbank de door eisers in acht genomen opzegtermijn van een maand niet redelijk. Eisers hebben geen omstandigheden aangevoerd die opzegging met inachtneming van een dergelijke korte opzegtermijn rechtvaardigen.

4.31. Voor de beantwoording van de vraag wat wel een redelijke opzegtermijn is dienen

de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen.

4.32. Zo heeft het Fonds onder meer aangegeven dat zij al vanaf 2009 aan de Stichting

heeft medegedeeld dat zij de mogelijkheid open wilde houden om haar archieven elders te plaatsen. Voorts heeft zij aangegeven dat zij eind 2011 heeft besloten haar archieven in 2015 onder te brengen bij het Joods Museum in Frankfurt. Ook heeft het Fonds aangevoerd dat sinds de opzegging al anderhalf jaar verstreken is en de Stichting daardoor voldoende tijd heeft gehad om maatregelen te nemen.

4.33. Daarentegen heeft de Stichting betoogd dat bij haar de verwachting bestond dat de

overeenkomst nog lange tijd zou voortduren, dat zij met het oog hierop aanzienlijke investeringen heeft verricht en dat het tenminste zes maanden duurt om de archieven klaar te maken voor de terugreis naar Basel. Ook heeft de Stichting gesteld dat zij de overeenkomst niet voor 2017 beëindigd wil zien. De rechtbank acht voor haar verdere beoordeling overigens van belang dat, zoals door de Stichting ter comparitie is toegelicht, de aanwezigheid van de originele documenten voor tentoonstellingen niet (langer) nodig is omdat er veel documenten gedigitaliseerd zijn en niet in origineel worden getoond.

4.34. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over hun belangen in dit verband. Daarbij krijgt de Stichting eerst de gelegenheid bij akte te reageren waarbij aan de Stichting tevens wordt verzocht toe te lichten waarin haar belang bij het nog langer behouden van de originele archieven gelegen is nu, zo begrijpt de rechtbank, de aanwezigheid van originele objecten voor haar tentoonstelling niet nodig is. Eisers, die subsidiair ter zitting de rechtbank hebben verzocht de verrichte opzegging om te zetten in een opzegging met een voldoende opzegtermijn, zullen daarna in de gelegenheid worden gesteld zich op basis van het in r.o. 4.30 weergegeven oordeel van de rechtbank en naar aanleiding van voormeld standpunt van de Stichting bij akte nader uit te laten over haar belang bij het nog zo kort mogelijk voortduren van de overeenkomst.

Redelijke kostenvergoeding?

4.35. De Stichting heeft aangevoerd dat zij heeft geïnvesteerd in onderhoud, verzekering

en beveiliging van de [A] archieven. Verder zou ten behoeve van de archieven een collectiebeheerder zijn aangesteld, waarvan de loonkosten over de periode 2010-2011 al € 92.000,- zouden bedragen, en is er geïnvesteerd in de veiligheid van het depot waar de objecten worden bewaard. Tenslotte heeft de Stichting aangevoerd dat zij de [A] archieven verzekerd heeft gehouden en hieraan eveneens kosten waren verbonden.

4.36. Ten aanzien van de door de Stichting voorgestane kostenvergoeding hebben eisers

gewezen op artikel 7A:1785 BW en aangevoerd dat de kosten voor het daartoe noodzakelijke onderhoud en gebruik op grond van dit artikel voor de bruiklener zijn. Verder hebben eisers aangevoerd dat de Stichting niet heeft aangetoond dat de door haar gemaakte kosten speciaal voor het [A] archief zijn gemaakt. Ter zitting heeft het Fonds betoogd dat zij wel bereid is om de reële en goed onderbouwde en gedocumenteerde kosten voor haar rekening te nemen. Zij wijst er op dat het dan moet gaan om kosten die de Stichting daadwerkelijk heeft gemaakt ten behoeve van het archief en die de reeds door haar betaalde € 20.000,- overstijgen, voor zover die kosten niet op grond van artikel 7A:1785 BW voor rekening van de bruiklener komen. Verder heeft het Fonds ter zitting gesteld bereid te zijn de kosten van het transport naar Basel, waaronder de redelijke kosten van de Stichting, te betalen.

4.37. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het bepaalde in artikel 7A:1785 BW geen

sprake kan zijn van een vergoeding door het Fonds van de daaronder vallende kosten van de Stichting. Voorzover vast komt te staan dat de Stichting daarenboven kosten heeft gemaakt, waarvan geoordeeld wordt dat een vergoeding daarvan in het onderhavige geval redelijk is, dient het Fonds deze aan de Stichting te voldoen. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid zich bij de in r.o. 3.34 vermelde akten eveneens nader over deze kosten uit te laten.

De verdere procedure

4.38. De volgende stap in de procedure is dat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over:

a) de eigendom van de gevorderde objecten;

b) een redelijke opzegtermijn van de bruikleenovereenkomst en

c) redelijke kosten ter vergoeding van eisers aan de Stichting

(ad b en c indien en voorzover komt vast te staan dat eisers eigenaar zijn van de documenten).

4.39. Ten aanzien van het punt genoemd onder a) zullen eisers eerst de gelegenheid

krijgen om een akte te nemen. Ten aanzien van de punten genoemd onder b) en c) zal de Stichting eerst de gelegenheid krijgen om een akte te nemen. Daarna zullen partijen bij antwoordakte op elkaars akte kunnen reageren.

4.40. De rechtbank geeft partijen tenslotte nog in overweging om, gelet op hetgeen thans

is komen vast te staan, alsnog buitengerechtelijk met elkaar in overleg te treden teneinde een minnelijke regeling te bereiken en verdere proceskosten te voorkomen. De zaak zal om die reden worden verwezen naar de rol voor uitlating doorhaling, aanhouding dan wel voortprocederen. Indien partijen de zaak wensen aan te houden voor nader overleg, zal de zaak worden verwezen naar de parkeerrol. Indien wordt voortgeprocedeerd, zullen partijen zich, zoals overwogen, bij akte kunnen uitlaten over de hiervoor genoemde punten.

4.41. Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 8 augustus 2012 voor uitlating doorhaling, aanhouding dan wel voortprocederen;

5.2. bepaalt dat indien de zaak wordt aangehouden, de zaak zal worden verwezen naar de parkeerrol;

5.3. bepaalt dat indien wordt voortgeprocedeerd, de zaak zal worden verwezen naar de rol van woensdag 5 september 2012 voor een akte als bedoeld onder 4.38 a) aan de zijde van eisers en voor een akte als bedoeld onder 4.38 b) en c) aan de zijde van gedaagde,

5.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mans, mr. P.J. van Eekeren en mr. S. Ju en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2012.?


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature