Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

WWB. Niet ontvankelijk bezwaar. Afwijzing proceskostenvergoeding in bezwaar. Afwijzing inkomensvoorziening. Geen aanleiding voor proceskostenvergoeding in bezwaar. De basisbeurs die appellante tot en met 30 december 2009 van de IBG heeft ontvangen moet als een passende en toereikende voorliggende voorziening worden aangemerkt.

Uitspraak



11/1936 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 februari 2011, 10/3700 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. de Rooij hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 9 oktober 2012. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat in dit geding uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 7 december 2009 een werkleeraanbod aangevraagd in het kader van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Op 22 december 2009 heeft het college in verband met het vaststellen van het recht op een inkomensvoorziening aan appellante verzocht om uiterlijk 7 januari 2010 nadere gegevens over te leggen.

1.2. Bij besluit van 12 januari 2010 heeft het college ambtshalve geweigerd een inkomensvoorziening toe te kennen, omdat appellante de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd.

1.3. Bij brief van 8 februari 2010 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van

12 januari 2010. Zij heeft er hierbij op gewezen dat zij de gevraagde gegevens reeds bij brief van 5 januari 2010 had toegestuurd.

1.4. Bij besluit van 10 februari 2010 heeft het college aan appellante vanaf 31 december 2009 een inkomensvoorziening toegekend, omdat zij vanaf die datum geen andere inkomstenbron meer heeft.

1.5. Appellante heeft ook tegen het besluit van 10 februari 2010 bezwaar gemaakt. Het bezwaar richt zich tegen de ingangsdatum van de inkomensvoorziening.

1.6. Bij besluit van 19 april 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 januari 2010 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellante geen belang meer heeft bij de beoordeling van dat besluit omdat het college met het besluit van 10 februari 2010 volledig tegemoet is gekomen aan het bezwaar. Voorts heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 februari 2010 ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de rentedragende lening die appellante tot 31 december 2009 maandelijks van de Informatie Beheer Groep (IBG) ontving, een passende voorziening is om de kosten van het levensonderhoud te betalen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat het college ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de kosten van het bezwaar tegen het besluit van 12 januari 2010. Voorts stelt appellante dat de inkomensvoorziening per een eerdere datum behoort in te gaan, omdat de lening die zij heeft afgesloten bij de IBG niet een naar zijn aard en doel als passend en toereikend aan te merken voorziening is, als bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIJ .

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

4.2. De rechtbank heeft overwogen dat blijkens het dossier het college de stukken, waar bij brief van 22 december 2009 om had verzocht, op 13 januari 2010 heeft ontvangen en dat appellante niet door middel van een bewijs van verzending of anderszins heeft aangetoond dat zij de stukken tijdig, te weten voor 7 januari 2010, heeft verzonden. Gelet daarop valt het verweerder volgens de rechtbank niet te verwijten dat hij het besluit van 12 januari 2010 na ontvangst van de gevraagde stukken, hangende bezwaar, bij besluit van 10 februari 2010 heeft herzien. Appellante heeft in hoger beroep geen andere gronden aangevoerd dan ook bij de rechtbank ter beoordeling voorlagen. De Raad onderschrijft en verwijst naar het oordeel van de rechtbank. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestond voor een proceskostenvergoeding in bezwaar.

4.3. Artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIJ bepaalt dat geen recht op de inkomensvoorziening bestaat voor zover de jongere of zijn gezin een beroep kan doen op een naar zijn aard en doel als passend en toereikend aan te merken voorziening buiten deze wet, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 24 januari 2012, LJN BV1981) is de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) voor degenen die er een beroep op kunnen doen een naar aard en doel als passend en toereikend aan te merken voorziening als bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIJ .

4.4. Appellante heeft tot en met 30 december 2009 een basisbeurs ontvangen.

4.5. Gelet op 4.3 en 4.4 is de Raad met de rechtbank en het college, en anders dan appellante, van oordeel dat de basisbeurs die appellante tot en met 30 december 2009 van de IBG heeft ontvangen als een passende en toereikende voorliggende voorziening moet worden aangemerkt. Nu vaststaat dat appellante tot en met 30 december 2009 een beroep heeft gedaan op de WSF 2000 staat artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIJ in de weg aan het verlenen van een inkomensvoorziening per een datum gelegen voor 31 december 2009.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens en E.C.R. Schut en P.W. van Straalen, in egenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2012.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) M. Sahin

NK


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature