Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Onvoorwaardelijk strafontslag politieambtenaar. Overtreding van de Opiumwet en het zich niet distantiëren van een persoon van wie eiseres wordt geacht te hebben geweten dat deze persoon een crimineel is. Arbeidsongeschiktheidsbegrip in het kader van het Besluit bezoldiging politie. Beroep ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/6026 AW

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen:

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. M.H. Welter,

en

de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland,

verweerder,

gemachtigde mr. Th. Tanja.

Procesverloop

De rechtbank heeft op 20 december 2011 een beroepschrift ontvangen tegen het besluit op bezwaar van verweerder van 10 november 2011 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres is sinds 1 april 1996 werkzaam bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, laatstelijk als [functie] bij de Dienst Executieve Ondersteuning (DEO).

1.2. Op 2 augustus 2010 ontving het Bureau Integriteit van de politie Amsterdam-Amstelland (hierna: het Bureau Integriteit) een melding van de coördinator bureau interne onderzoeken regiopolitie Zaanstreek-Waterland. In een onderzoek onder de naam RASHO naar handel in verdovende middelen werd op 21 juli 2010 in de woning van verdachte Rasho een Blackberry aangetroffen waarin het telefoonnummer van eiseres bleek voor te komen. Het Bureau Integriteit heeft onderzocht of sprake was van het lekken van politie-informatie of het onjuist gebruiken van politiesystemen anders dan voor de politietaak door eiseres. Hiervan is niet gebleken. De zaak is op 17 september 2010 overgedragen aan de chef DEO teneinde eiseres hierover te horen.

1.3. Op 4 oktober 2010 ontving het Bureau Integriteit een melding van de politie Zaanstreek-Waterland, afdeling Purmerend, inhoudende dat uit een ander opsporingsonderzoek naar de handel in verdovende middelen onder de naam ‘[onderzoek]’ is gebleken dat een medewerkster van de politie Amsterdam-Amstelland (lees: eiseres) vermoedelijk cocaïne af zou nemen van een drugsdealer, genaamd [A] (hierna: [A]). Hierop is het Bureau Integriteit een disciplinair onderzoek gestart naar het vermoedelijk afnemen en gebruiken van cocaïne door eiseres, waarbij tevens telefoontaps zijn gebruikt. Eiseres is op 9 oktober 2010 gehoord als getuige in het strafrechtelijk onderzoek ‘[onderzoek]’. Op 21 oktober 2010, 3 november 2010 en 17 november 2010 is eiseres gehoord als betrokkene in het kader van het tegen haar gestarte disciplinaire onderzoek.

1.4. Bij besluit van 11 oktober 2010 is aan eiseres met ingang van 9 oktober 2010, hangende het onderzoek, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend.

1.5. Bij besluit van 21 oktober 2010 is eiseres met onmiddellijke ingang geschorst wegens zeer ernstig plichtsverzuim.

1.6. Bij brief van 24 december 2010 heeft verweerder aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om haar primair de disciplinaire straf van ontslag op te leggen overeenkomstig artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), en subsidiair ontslag te verlenen wegens gebleken onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, overeenkomstig artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp . Eiseres heeft bij brieven van 4 februari 2011, 18 februari 2011 en 21 februari 2011 haar zienswijze op dit voornemen kenbaar gemaakt.

1.7. Eiseres heeft zich op 21 februari 2011 ziek gemeld. Verweerder heeft deze ziekmelding bij e-mail van 23 februari 2011 geweigerd. Eiseres heeft zich op 11 en

13 mei 2011 opnieuw ziek gemeld per 21 februari 2011, toen bleek dat zij niet ziek gemeld stond.

1.8. Bij besluit van 9 mei 2011, uitgereikt op 13 mei 2011, heeft verweerder eiseres conform het voornemen met onmiddellijke ingang ontslagen. Hiertoe heeft verweerder - samengevat - overwogen dat eiseres zich niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt en dat sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim. Eiseres heeft hiertegen op

23 juni 2011 bezwaar gemaakt.

1.9. Bij besluit van 1 juni 2011 heeft verweerder, onder verwijzing naar de rapportage van de bedrijfsarts van 23 mei 2011, overwogen dat de ziekmelding van eiseres niet wordt geaccepteerd, omdat eiseres in staat moet worden geacht haar loonwaarde te verdienen met (andere/aangepaste) arbeid. Eiseres heeft hiertegen op 1 juli 2011 bezwaar gemaakt.

1.10. Eiseres heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen tegen het besluit van 1 juni 2011. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op

5 augustus 2011 afgewezen (zaaknummer: AWB 11/3244 AW).

2. Standpunten van partijen

2.1. In het bestreden besluit heeft verweerder, conform het advies van de hoor- en adviescommissie van 24 oktober 2011, overwogen geen aanleiding te zien om het primaire standpunt te herroepen. Ten aanzien van het strafontslag heeft verweerder overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van zeer ernstig plichtsverzuim. Verweerder verwijt eiseres het gedurende langere tijd overtreden van de Opiumwet door het kopen, voorhanden hebben en gebruiken van cocaïne en het zich niet distantiëren van de persoon die haar cocaïne leverde en van wie zij moet worden geacht te hebben geweten dat deze persoon een crimineel is.

Met betrekking tot de subsidiaire ontslaggrond stelt verweerder zich op het standpunt dat de gedragingen van eiseres ongeoorloofd en niet verenigbaar zijn met het ambt van politieambtenaar. Haar gedrag toont aan dat zij niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die van een politieambtenaar mogen worden verwacht. Ook deze ontslaggrond kan daarom volgens verweerder in stand blijven.

Ten aanzien van de ziekmelding heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat eiseres ten tijde van het ontslag niet ziek was voor soortgelijke arbeid.

2.2. Eiseres heeft in beroep - samengevat - aangevoerd dat de gedragingen die haar worden verweten onvoldoende zijn komen vast te staan, zodat niet kan worden volgehouden dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Het ontslag mist feitelijke grondslag en is ondeugdelijk gemotiveerd. Met betrekking tot haar ziekmelding heeft eiseres, onder verwijzing naar een rapportage van de bedrijfsarts van 23 mei 2011, aangevoerd dat zij als gevolg van het ontslag arbeidsongeschikt moet worden geacht voor soortgelijke arbeid, zodat zij recht heeft op doorbetaling van haar bezoldiging.

3. Het juridisch kader

3.1. Op grond van artikel 76, eerste lid, van het Barp kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift omvat als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

3.2. Op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp , kan onder meer als straf worden opgelegd: ontslag.

3.3. Op grond van artikel 82 van het Barp wordt de straf (…) niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij het opleggen van de straf is bevolen dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.

3.4. Op grond van artikel 94, eerste lid, onder g. van het Barp (…) kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

3.5. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder w, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) wordt onder arbeidsongeschiktheid verstaan: arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Wao).

In artikel 18, eerste lid, van de Wao is bepaald dat arbeidsongeschikt is, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

3.6. Op grond van artikel 39, eerste lid van het Bbp heeft de gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, niet zijnde een ontslag op grond van artikel 87a, artikel 88, artikel 88a, artikel 88b dan wel artikel 94, eerste lid, aanhef, onderdelen e of f, van het Barp nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte, doch niet langer dan een tijdvak van ten hoogste 78 weken, aanspraak op de doorbetaling van zijn bezoldiging (…).

4. Beoordeling van het beroep

Het strafontslag

4.1. Voor zover het bestreden besluit ziet op het strafontslag van eiseres, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 3 januari 2008, LJ-nummer BC1677) geldt voor het bewijs van plichtsverzuim dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de betrokken ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de gedragingen (zeer ernstig) plichtsverzuim vormen en, zo ja, of de in dit geval opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag evenredig is te achten aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

4.2. De rechtbank stelt vast dat aan eiseres twee gedragingen worden verweten, te weten:

het overtreden van de Opiumwet door het kopen, voorhanden hebben en gebruiken van cocaïne (A) en het zich niet distantiëren van de persoon die haar cocaïne leverde en van wie zij wordt geacht te hebben geweten dat deze persoon een crimineel is (B).

4.2.1. Eiseres heeft de gedraging onder (A) stellig ontkend. Eiseres heeft ter onderbouwing hiervan de uitslag van een urinetest en verklaringen van haar huisarts en een medisch specialist overgelegd. Eiseres erkent wel dat zij [A] kent en veel (telefonisch) contact met hem heeft gehad, maar ontkent de haar verweten gedraging onder (B), omdat voor haar niet kenbaar was dat [A] in drugs handelde. [A]

heeft eiseres veel geholpen in de periode dat zij ziek thuis zat door haar te voorzien van films op dvd. De telefonische contacten hadden dan ook geen betrekking op drugs maar op dvd’s die Amgoune voor eiseres brandde. De frequentie van de telefonische contacten valt volgens eiseres in het niet bij haar totale belgedrag. Eiseres heeft verder aangevoerd dat aan de enige belastende verklaring van een drugsgebruiker geen waarde mag worden gehecht, nu deze uit rancune tegen eiseres is afgelegd.

4.2.2. Ten aanzien van de verweten gedraging onder (A) stelt de rechtbank het volgende vast. De verdenking tegen eiseres is gerezen naar aanleiding van het feit dat zij veelvuldig telefonisch contact bleek te hebben met [A], die door de regiopolitie Zaanstreek-Waterland was aangehouden als verdachte van handel in cocaïne.

Via de afdeling CIE was informatie binnengekomen dat [A] zich al jaren bezighield met de handel in verdovende middelen. In het kader van het tegen [A] ingestelde strafrechtelijke onderzoek zijn telefoongesprekken opgenomen, beluisterd en uitgewerkt. In totaal zijn in de periode van 8 september 2010 tot 5 oktober 2010, 99 telefonische contacten geregistreerd tussen het telefoonnummer van [A] en de telefoon van – naar later bleek – eiseres. Deze contacten bestaan uit gespreks- en smsverkeer. Op 21 oktober 2010 zijn in het kader van een tegen eiseres ingesteld disciplinair onderzoek de resultaten van deze taps aan eiseres voorgehouden. Daarnaast is er in het onderzoek tegen [A] door het observatieteam geobserveerd. Op 5 oktober 2010 is [A] aangehouden. In de auto waarmee [A] op het moment van de aanhouding reed werden onder meer vijf wikkels aangetroffen. Deze wikkels bevatten vermoedelijk cocaïne. Verder heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van [A]. Daarbij is een groot geldbedrag aangetroffen.

In het strafrechtelijk onderzoek ‘[onderzoek]’ heeft een historisch telecomonderzoek van de de telefoon van [A] plaatsgevonden. Daaruit is gebleken dat er in de periode

10 oktober 2009 tot en met 3 oktober 2010, 1189 telefonische contacten (sms-tekstberichten en telefoneren) tussen [A] en eiseres hebben plaatsgevonden.

Het strafrechtelijk onderzoek heeft verder uitgewezen dat de telefoon van [A] uitsluitend werd gebruikt voor drugstransacties (cocaïne). Dit blijkt uit de taps en ook uit de verklaringen van afnemers van drugs van [A]. De aard en inhoud van de telefonische contacten tussen [A] en eiseres zijn blijkens de taps zeer vergelijkbaar met de telefonische contacten tussen [A] en zijn andere drugsklanten. Zo zijn hun gesprekken ook steeds van (zeer) korte duur en betreffen het vooral gesprekken waarin of een afspraak wordt gemaakt, of de gemaakte afspraak wordt verfijnd dan wel gewijzigd, of er wordt gemeld dat men op de plaats van de afspraak is aangekomen.

Gedurende het onderzoek naar [A] heeft een van zijn afnemers, een bekende van eiseres genaamd mevrouw [B] (hierna: [B]), ten laste van eiseres verklaard dat zij eens heeft gezien dat eiseres cocaïne heeft gebruikt, dat zij van eiseres heeft geleerd hoe zij cocaïne moest gebruiken en dat zij van eiseres het telefoonnummer van [A] heeft gekregen om drugs te kopen.

4.2.3. De rechtbank heeft gelet op de vastgestelde frequentie, de aard en inhoud van de telefonische contacten tussen [A] en eiseres, alsmede het feit dat de telefoon van [A] uitsluitend voor drugstransacties is gebruikt, de overtuiging gekregen dat eiseres drugs van [A] heeft gekocht en daarmee drugs voorhanden heeft gehad. De ontkennende verklaring van eiseres dat de telefonische contacten uitsluitend betrekking hadden op dvd’s acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk, gelet op de inhoud en de wijze waarop de contacten plaatsvonden, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4.2.2. omschreven. Ook waarschuwt eiseres [A] in een van de gesprekken voor de aanwezigheid van politie, hetgeen voor het overdragen van dvd’s niet voor de hand ligt. In dit verband acht de rechtbank ook nog van belang dat een afnemer van [A] heeft verklaard dat “dvd” als codewoord voor cocaïne wordt gebruikt.

Eiseres heeft verder nog aangevoerd dat de veelheid van contacten te maken heeft met de slechte ontvangst in haar woonomgeving. De rechtbank volgt deze stelling niet. Uit de inhoud van de contacten komt immers op geen enkele wijze naar voren dat sprake is van een structureel wegvallende verbinding of dat er anderszins problemen zouden zijn met het leggen van telefonisch contact. Ter zitting heeft eiseres nog naar voren gebracht dat zij door haar ADHD veelvuldig en kortstondig gesprekken voert en dat een aantal van 1189 niet opvallend veel is gelet op haar belgedrag in het algemeen. Wat er ook zij van deze stelling, eiseres heeft daarmee niet ontkend veelvuldig contact met [A] te hebben gehad.

De rechtbank is voorts niet gebleken dat [B] haar verklaring uit rancune jegens eiseres heeft afgelegd of dat de verbalisanten [B] hebben aangespoord ten laste van eiseres te verklaren. Het proces-verbaal van het verhoor van [B] geeft daar in ieder geval geen aanleiding toe. In dat verband acht de rechtbank met name relevant dat [B] in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen [A] is gehoord en uit eigen beweging ten laste van eiseres heeft verklaard.

De rechtbank heeft, zoals reeds hiervoor is overwogen, op grond van de binnen het strafrechtelijk onderzoek jegens [A] en op grond van de in het disciplinaire onderzoek vastgestelde bevindingen de overtuiging gekregen dat eiseres langere tijd en met grote regelmaat cocaïne heeft aangeschaft en voorhanden heeft gehad. Dat eiseres ook cocaïne heeft gebruikt heeft verweerder op grond van de ter beschikking staande gegevens onvoldoende aannemelijk gemaakt. De medische verklaringen die eiseres heeft ingebracht ter onderbouwing van haar standpunt dat zij geen cocaïne heeft gebruikt, kunnen dan ook onbesproken blijven.

4.2.4. Ten aanzien van de verweten gedraging onder (B) overweegt de rechtbank dat van eiseres als professionele agente met jarenlange ervaring, waaronder ervaring in een drugsteam, mag worden verwacht een drugsdealer te herkennen. Eiseres moet ervan op de hoogte worden geacht wat voor soort contacten drugsdealers en drugsgebruikers onderhouden. Nu verder aannemelijk is gemaakt dat eiseres de Opiumwet heeft overtreden door drugs van [A] af te nemen heeft verweerder verder terecht verondersteld dat eiseres wist dat [A] een drugsdealer was. Vast staat verder dat eiseres zich niet van [A] heeft gedistantieerd. De rechtbank heeft met betrekking tot de verweten gedraging onder (B) dan ook eveneens de overtuiging gekregen dat eiseres zich daaraan heeft schuldig gemaakt.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat de verweten gedragingen zonder meer zeer ernstig plichtsverzuim opleveren. Bij het beantwoorden van de vraag of de straf van ontslag evenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder een streng beleid voert ten aanzien van integriteitschending door een politiefunctionaris. De integriteit van een politiefunctionaris moet boven iedere twijfel verheven zijn en het onderhouden van ongewenste contacten moet te allen tijde worden voorkomen. Gelet op de aard en ernst van het onder (A) en (B) genoemde plichtsverzuim dat, in onderling verband bezien, een aanzienlijke kans op integriteitrisico’s met zich brengt, acht de rechtbank de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig. Het strafontslag houdt daarom stand. Aan beoordeling van de subsidiaire ontslaggrond komt de rechtbank daarom niet toe.

De ziekmelding en het recht op loondoorbetaling

4.4. De rechtbank stelt vast dat eiseres zich – wat er ook zij van de ziekmelding rond

21 februari 2011 – in elk geval vóór het ontslagbesluit van 13 mei 2011 namelijk op

11 mei 2011 heeft ziek gemeld. Een recht op doorbetaling van de bezoldiging op grond van artikel 39, eerste lid, van het Bbp kan slechts dan ontstaan, wanneer eiseres wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van het ontslag, nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen.

4.5. In laatstgenoemd artikel is voor het begrip arbeidsongeschiktheid aansluiting gezocht bij de definitie zoals die wordt gehanteerd in de Wao, hetgeen verschilt van de definitie uit de Ziektewet, waar het gaat om ongeschiktheid voor eigen werk. Naar aanleiding van de ziekmelding op 11 mei 2011 heeft een onderzoek door de bedrijfsarts plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat de bedrijfsarts in zijn rapportage van 23 mei 2011 heeft overwogen dat eiseres vanwege de spanningen rondom het ontslag situationeel arbeidsongeschikt is, maar geen beperkingen heeft als het werk passend is. In zijn brief van 31 augustus 2011 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat eiseres wel beperkingen heeft, maar dat die haar niet arbeidsongeschikt maken. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat de rapportage en de brief van de bedrijfsarts niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is. Gelijk de voorzieningenrechter hierover op 5 augustus 2011 heeft overwogen is de rechtbank van oordeel dat eiseres per 23 mei 2011 arbeidsgeschikt was voor soortgelijke arbeid, zodat zij geen recht heeft op voortzetting van de bezoldiging op grond van artikel 39, eerste lid, van het Bbp .

5. Conclusie

5.1. Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

5.2. Nu het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Reichert, voorzitter,

mrs. A.M. van der Linden-Kaajan en A.D. Belcheva, leden, in aanwezigheid van

mr. M. Vogel-Frishert, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2012.

de griffier, de voorzitter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature