Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Anticumulatie. Intrekking en terugvordering WAO-uitkering. Intrekking Toeslag. Inkomsten. Het Uwv heeft ten behoeve van de waardering van de inkomsten terecht een vergelijking gemaakt met de waarde van de werkzaamheden van een directeur-grootaandeelhouder, nu appellante enig bestuurder was en als enige over de winst van het bedrijf kon beschikken. De door appellante gestelde omvang van haar inkomsten waren daarmee niet in overeenstemming nu die zeer laag waren. Er is daarom een verdiencapaciteit toegekend die bij de waarde van de arbeid past en die op grond van de winst van het bedrijf verantwoord is, waarbij ervan is uitgegaan dat de werkzaamheden gedurende twintig uur per week werden verricht. Het Uwv heeft aldus geen onjuiste maatstaf gehanteerd. Overschrijding van de redelijke termijn toe te rekenen aan het Uwv.

Uitspraak



11/2950 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 april 2011, 10/562 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 3 oktober 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2012. Appellante en haar gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is met ingang van 18 augustus 1988 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 30 september 1991 is haar een toeslag op grond van de Toeslagenwet toegekend. Naar aanleiding van een fraudeonderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante vanaf 1 oktober 1999 werkzaamheden heeft verricht zonder dat zij daarvan melding had gedaan aan het Uwv en dat zij met die werkzaamheden inkomsten heeft verworven. Dit heeft geleid tot een aantal besluiten en beslissingen op bezwaar waarbij de uitkeringen van appellante zijn herzien en waarbij een bedrag aan onverschuldigd betaalde uitkering van appellante is teruggevorderd. Nadat de rechtbank de twee eerder daartegen gerichte beroepen gegrond had verklaard, heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 22 februari 2010 (bestreden besluit) besloten:

-de WAO-uitkering met toepassing van artikel 44 van de WAO met ingang van

1 oktober 1999 te betalen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met ingang van 1 januari 2000 te betalen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% en met ingang van 1 januari 2001 niet meer uit te betalen;

-de WAO-uitkering met ingang van 1 oktober 2002 in te trekken;

-de toeslag met ingang van 1 oktober 1999 op het maximale bedrag vast te stellen en met ingang van 1 oktober 2002 in te trekken;

-de over de periode van 1 oktober 1999 tot 1 februari 2005 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering tot een bedrag van € 40.100,13 terug te vorderen.

2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat de inkomsten van appellante, die bestonden uit een reiskostenvergoeding en een managementfee van fl. 150,- (€ 68,07) per maand, niet in verhouding stonden tot de 20 uur arbeid die zij in haar onderneming verrichtte. Gelet op haar positie was appellante naar het oordeel van de rechtbank de feitelijk directeur/leidinggevende en verkeerde zij in een zodanige positie, dat zij volledig over de gemaakte winst kon beschikken en deze naar eigen goeddunken kon gebruiken. De behaalde winst heeft het Uwv daarom terecht voor de toepassing van artikel 44 van de WAO als inkomsten uit arbeid aangemerkt.

3. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het Uwv (weer) een andere methode kon kiezen voor de berekening van haar inkomsten. Daarbij heeft appellante aangegeven hoe die inkomsten wel zouden moeten worden berekend. Appellante stelt, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 september 2003, C-167/01, Inspire Art Ltd, dat het Uwv haar niet had mogen aanmerken als een directeur-grootaandeelhouder. Appellante heeft tenslotte verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor het wettelijke kader van het bestreden besluit wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2. Appellante verrichtte werkzaamheden als bestuurder van de buitenlandse vennootschap [naam vennootschap] die werkte onder de handelsnaam [handelsnaam]. Van deze werkzaamheden heeft zij, in strijd met de op haar rustende verplichting, geen mededeling gedaan aan het Uwv. Partijen verschillen daarover niet van mening. Zij verschillen wel van mening over de vraag hoe de door appellante verrichte werkzaamheden gewaardeerd dienen te worden. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv ten behoeve van die waardering terecht een vergelijking gemaakt met de waarde van de werkzaamheden van een directeur-grootaandeelhouder, nu appellante enig bestuurder was en als enige over de winst van het bedrijf kon beschikken. De door appellante gestelde omvang van haar inkomsten waren daarmee niet in overeenstemming nu die zeer laag waren. Er is daarom een verdiencapaciteit toegekend die bij de waarde van de arbeid past en die op grond van de winst van het bedrijf verantwoord is, waarbij ervan is uitgegaan dat de werkzaamheden gedurende twintig uur per week werden verricht. Het Uwv heeft aldus geen onjuiste maatstaf gehanteerd. Eveneens is daarbij inzichtelijk gemaakt hoe het Uwv tot de gehanteerde percentages van arbeidsongeschiktheid is gekomen en welke berekening daaraan ten grondslag heeft gelegen.

4.3. Het Uwv heeft in verband met de vergelijking van de werkzaamheden het onder 3 genoemde arrest aangehaald. Anders dan appellante lijkt te veronderstellen is daarmee niet getracht om aan te geven dat een Limited volledig gelijkgesteld wordt aan de Nederlandse B.V., maar is dat arrest gebruikt ter onderbouwing van de vergelijkbaarheid van de werkzaamheden van een bestuurder, onderscheidenlijk een directeur-grootaandeelhouder. Dat de rechtsvraag die in dat arrest aan de orde was, een andere was dan het Uwv blijkbaar aanvankelijk voor ogen stond, doet aan de vergelijkbaarheid van de werkzaamheden niet af.

4.4. In de eerdere procedures die appellante heeft gevoerd tegen de toepassing van artikel 44 van de WAO en de daaruit voortvloeiende terugvordering heeft de rechtbank in de twee daarop betrekking hebbende uitspraken niet geoordeeld dat het Uwv was gehouden om ten aanzien van die toepassing een bepaalde methode te hanteren. Het Uwv heeft dan ook niet in strijd met die eerdere uitspraken gehandeld door bij het bestreden besluit en in afwijking van de eerdere besluitvorming, uit te gaan van de hiervoor weergegeven methode.

4.5. Er is geen aanleiding om de winst uit de onderneming niet toe te rekenen aan appellante vanwege de door haar ter zitting gestelde bijzondere omstandigheden. Het feit dat met die winst leningen werden afgelost of dat daarmee investeringen werden gepleegd wijst er juist op dat het appellante vrij stond om over die winst te beschikken, hetgeen bevestigt dat haar positie vergelijkbaar was met die van een directeur-grootaandeelhouder.

4.6. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante, door de Raad bij het ontbreken van nadere gegevens gesteld op de dag na de verzending ervan, 2 maart 2005, tot de datum van deze uitspraak zijn zeven jaar en ongeveer zeven maanden verstreken zodat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met drie jaar en bijna zeven maanden. Zoals ter zitting door het Uwv is erkend, is in de rechterlijke fase de redelijke termijn niet overschreden zodat deze overschrijding geheel voor rekening van het Uwv komt. Het bestreden besluit dient dan ook vernietigd te worden wegens strijd met artikel 6 van het EVRM. De duur van de overschrijding brengt mee dat appellante aanspraak heeft op een vergoeding van acht maal € 500,-, dit is € 4.000,-. Gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen dienen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te blijven.

5. Er is aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 874,- in beroep en € 874,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.748,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 februari 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 22 februari 2010 geheel in stand blijven;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.748,-;

- veroordeelt het Uwv tot schadevergoeding van € 4.000,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en H. Bolt en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2012.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D. Heeremans

TM


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature