Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 12 april 2011 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van de aan [verzoeker] bij besluit van 2 februari 2010 opgelegde dwangsom tot een bedrag van € 40.000,00.

Uitspraak



201207306/2/A1.

Datum uitspraak: 28 september 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2], wonend te Ouderkerk aan den IJssel, gemeente Ouderkerk (hierna tezamen in enkelvoud: [verzoeker]),

verzoekers,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 juli 2012 in zaken nrs. 12/4432 en 12/4431 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ouderkerk.

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2011 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van de aan [verzoeker] bij besluit van 2 februari 2010 opgelegde dwangsom tot een bedrag van € 40.000,00.

Bij besluit van 3 oktober 2011 heeft het college het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, voor zover het de hoogte van het in te vorderen bedrag betreft, en het besluit van 12 april 2011 voor het overige in stand gelaten.

Bij uitspraak van 28 maart 2012 heeft de rechtbank het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 oktober 2011 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 12 april 2011 heeft het college [verzoeker] gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel [locatie] te Ouderkerk aan de IJssel (hierna: het woonperceel) en van het perceel aan de [locatie] tussen de huisnummers […] en […] te Ouderkerk aan de IJssel (hierna: het weiland) te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 3 oktober 2011 heeft het college het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de dwangsom voor het woonperceel betreft, en het besluit van 12 april 2011 voor het overige in stand gelaten.

Bij uitspraak van 28 maart 2012 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover dit beroep ziet op de bij besluit van 3 oktober 2011 gehandhaafde last inzake het woonperceel, het besluit van 3 oktober 2011 in zoverre vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 24 mei 2012 heeft het college opnieuw op de bezwaren van [verzoeker] tegen de afzonderlijke besluiten van 12 april 2011 beslist en het besluit van 2 februari 2010 en het besluit van 12 april 2011, waarin het heeft besloten tot invordering over te gaan, ingetrokken.

Bij besluit van 28 juni 2012 heeft het college het besluit van 24 mei 2012 ingetrokken. Het heeft voorts opnieuw op de bezwaren van [verzoeker] tegen de afzonderlijke besluiten van 12 april 2011 beslist en het besluit van 12 april 2011, voor zover het de last onder dwangsom inzake het woonperceel betreft, en het besluit van 12 april 2011, waarin het heeft besloten tot invordering over te gaan, ingetrokken.

Bij uitspraak van 12 juli 2012 heeft de voorzieningenrechter het door [verzoeker] tegen het besluit van 24 mei 2012 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 28 juni 2012 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 september 2012, waar [verzoeker], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door J.A. Veldhuizen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Bij besluit van 2 februari 2010 heeft het college [verzoeker] gelast de bedrijfsmatige activiteiten op het woonperceel te beëindigen en beëindigd te houden en de opgeslagen voorraden (hard)hout op het woonperceel te verwijderen en verwijderd te houden. Bij besluit op bezwaar van 29 juni 2010 is dit besluit gehandhaafd. Omdat [verzoeker] het daartegen ingestelde beroep heeft ingetrokken, heeft dit besluit rechtskracht verkregen.

Bij besluit van 12 april 2011, gehandhaafd bij besluit van 3 oktober 2011, heeft het college [verzoeker] gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het woonperceel en het weiland te beëindigen en beëindigd te houden. Het besluit van 3 oktober 2011, voor zover dat betrekking heeft op het woonperceel, is bij uitspraak van 28 maart 2012 vernietigd. In navolging van die uitspraak heeft het college bij besluit van 28 juni 2012 het besluit van 12 april 2011, voor zover dat ziet op het woonperceel, ingetrokken. De bij het besluit van 3 oktober 2011 gehandhaafde last ten aanzien van het weiland is met de uitspraak van 28 maart 2012 in stand gebleven. Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] geen hoger beroep ingesteld, zodat de last met betrekking tot het weiland formele rechtskracht heeft verkregen.

Nu het besluit van 2 februari 2010, waarbij aan [verzoeker] een last onder dwangsom met betrekking tot het woonperceel is opgelegd, en het in bezwaar gehandhaafde besluit van 12 april 2011, waarbij aan [verzoeker] een last onder dwangsom met betrekking tot het weiland is opgelegd, onherroepelijk zijn geworden, heeft [verzoeker] bij het treffen van een voorlopige voorziening in zoverre geen spoedeisend belang.

3. Bij besluit van 12 april 2011, dat bij besluit van 3 oktober 2011 is gehandhaafd, heeft het college besloten over te gaan tot invordering van de bij besluit van 2 februari 2010 opgelegde last onder dwangsom. Bij afzonderlijke uitspraak van 28 maart 2012 heeft de rechtbank het beroep van [verzoeker] tegen het besluit 3 oktober 2011 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. In navolging van de deze uitspraak heeft het college bij besluit van 28 juni 2012 het besluit van 12 april 2011 ingetrokken. Nu er geen sprake is van een besluit tot invordering, heeft [verzoeker] ook in zoverre geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Huijben

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2012

473.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature