Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Toebedeling woning aan de man, overeenkomstig zijn eigen verzoek in eerste aanleg; daling van de waarde van de woning komt voor rekening en risico van de man, zoals hij anderzijds baat heeft bij een waardestijging. De man heeft zich - na het vertrek van de vrouw uit de woning - ook van meet af aan gedragen als eigenaar van de woning, hetgeen onder andere blijkt uit het aanbrengen van nieuwe sloten (zoals de vrouw onbestreden heeft gesteld) en het (doen) bouwen van een hooischuur bij de woning. De man heeft daarnaast onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij (de financiering in verband met) het op zijn naam stellen van de hypotheek en het ontslag van de vrouw van haar hoofdelijke verplichtingen jegens de bank niet rond krijgt en dat hij daarom met toedeling van de woning aan hem wordt geconfronteerd met een onmogelijke last.

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.092.529

(zaaknummers rechtbank 176408 / ES RK 08-741 en 187767 / VD RK 09-2060)

beschikking van de familiekamer van 30 augustus 2012

inzake

[appellant],

wonende te [Woonplaats],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen "de man",

advocaat: voorheen mr. M.E.A.T. Oude Luttikhuis te ‘s-Hertogenbosch, thans mr. L.A. van Els-van den Berg te ’s-Hertogenbosch,

en

[geïntimeerde],

wonende te [Woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen "de vrouw",

advocaat: mr. C.H.M. Jacobs te Nijmegen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Arnhem van 20 juli 2009, uitgesproken onder zaaknummer 176408 / ES RK 08-741, en 9 maart 2010, 9 juli 2010, 1 december 2010 en 20 mei 2011, uitgesproken onder zaaknummer 187767 / VD RK 09-2060.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 19 augustus 2011, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen. Hij verzoekt het hof bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad die beschikkingen te vernietigen ten aanzien van het gestelde ter zake van de woning, de hypothecaire geldlening, het bouwdepot, de premie overlijdensrisicoverzekering, de inboedel, de witgouden ring en de belastingteruggave en, opnieuw beschikkende, te bepalen zoals omschreven in het petitum van het beroepschrift onder 1 tot en met 17.

2.2 Bij aanvullend beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 22 augustus 2011, verzoekt de man het hof bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad die beschikkingen te vernietigen ten aanzien van het gestelde ter zake van de hypothecaire geldlening, de beleggingspolis en de beleggingsrekening.

2.3 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 oktober 2011, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Daarbij heeft zij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Zij verzoekt het hof bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad

het hoger beroep van de man als ongegrond en/of onvoldoende gemotiveerd af te wijzen en

- in het incidenteel hoger beroep - de beschikkingen van 9 maart 2010, 9 juli 2010, 1 december 2010 en 20 mei 2011 te vernietigen wat betreft de waarde van de woning en de te verrekenen hypotheekschuld en de verrekening aan te vullen met de verplichting van de man de helft van de banksaldi per 18 juli 2008 aan de vrouw te voldoen alsmede € 3.500,-, aldus en voor zover opnieuw beschikkende te beslissen zoals omschreven in het petitum van het verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, onder 1 tot en met 7.

2.4 Daarop heeft de man in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 5 december 2011, waarin hij het hof verzoekt bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad het incidenteel hoger beroep als ongegrond en/of onvoldoende gemotiveerd af te wijzen.

2.5 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 27 april 2012 een brief van mr. Jacobs van 25 april 2012 met bijlagen;

- op 27 april 2012 een brief van mr. L.A. van Els-van den Berg van 26 april 2012 met bijlagen.

2.6 De mondelinge behandeling heeft op 8 mei 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr. Van Els-van den Berg en de vrouw door mr. Jacobs.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 4 januari 2005 onder partnerschapsvoorwaarden een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan.

3.2 De bij notariële akte van 20 december 2004 opgemaakte partnerschapsvoorwaarden luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 1

a. Tussen de partners zal geen enkele gemeenschap van goederen bestaan.

(…)

Artikel 3

(…)

b. Het bestuur over de goederen, die aan de partners gezamenlijk mochten toebehoren, berust bij de partners tezamen.

Artikel 5

a. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder mede begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, alsmede de kosten van ontwikkeling en ontspanning van de gezinsleden, worden voldaan uit de inkomens van de partners naar evenredigheid daarvan; voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan.

(…)

Artikel 6

a. De partner, die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn of haar aandeel ingevolge het in artikel 5 bepaalde, heeft het recht het teveel bijgedragene terug te vorderen van de andere partner.

(…)

Artikel 8

Premies en koopsommen van een levensverzekering (daaronder een ongevallenverzekering begrepen) en al hetgeen overigens in dit verband wordt verschuldigd, vallen niet onder de kosten van de huishouding, maar worden gedragen door degene die deze is verschuldigd. Deze premies en koopsommen zijn en blijven, ook in geval van verrekening van jaarlijks overgespaarde inkomens, voor rekening van de premieplichtige.

(…)

Artikel 1 3

De partners zijn verplicht de toename of afname van hun vermogen, voorzover deze een gevolg is van waardeverandering van de gezamenlijke woning (…), bij helfte te delen overeenkomstig de volgende regels:

a. De verplichting tot verdeling zal bestaan:

(…)

- indien het geregistreerd partnerschap anders dan door het overlijden van één van de partners wordt ontbonden.

(…)

b. Het ingevolge het vorenstaande voor verdeling in aanmerking komende bedrag wordt berekend als volgt:

I. ten aanzien van de gezamenlijke woning, aanwezig in het vermogen van (één van) de partners op de datum van ontbinding van het geregistreerd partnerschap wordt het te verdelen bedrag gesteld op het voordelig, respectievelijk het nadelig verschil tussen de waarde van de gezamenlijke woning op bedoelde datum en de verkrijgingsprijs;

(…)

d. Onder “waarde”, als bedoeld onder b.I., wordt verstaan de verkoopwaarde, waarop de echtelijke woning zal worden geschat door drie deskundigen, waarvan ieder van partijen er één benoemt, terwijl de twee aldus benoemde deskundigen de derde zullen aanwijzen.

(…)

Aanbrengsten

(…)

De comparant sub 1 (de man, toevoeging hof) heeft een studieschuld. Aan deze schuld is een polis gekoppeld.

De comparanten verklaren te zijn overeengekomen dat in verband met de schuld/polis te betalen rente en premie door hen gezamenlijk wordt voldaan, de comparant sub 1 voor vier/vijfde gedeelt (4/5) en de comparante sub 2 (de vrouw, toevoeging hof) voor één/vijfde gedeelte (1/5).

De comparanten verklaren te zijn overeengekomen dat de comparante sub 2 alsdan ook recht heeft op een gedeelte van de uitkering uit de polis.

Dit gedeelte zal worden berekend overeenkomstig de pensioenverevening zoals vastgesteld in de wet pensioenverevening.

In verband met de aankoop van de woning [adres], dient op beleggingsrekening gekoppeld aan de hypotheek een eenmalige storting te worden gedaan.

Deze wordt volledig door de comparant sub 1. uit eigen middelen voldaan.

De comparante sub 2. verklaarde zo spoedig mogelijk de helft van het door de comparant sub 1. voldane bedrag te vergoeden.

Het nog niet vergoedde deel van het door comparant sub 1 aangebrachte bedrag is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij beëindiging van het geregistreerd partnerschap, anders dan door overlijden.

De comparanten verklaarden dat zij beiden voor de helft gerechtigd zijn voor de gelden welke op deze beleggingsrekening staan.

Alle inboedelgoederen als bedoeld in artikel 5 Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek worden geacht gezamenlijk eigendom te zijn van de comparanten sub 1. en sub 2., tenzij partijen schriftelijk anders zijn overeengekomen.

Alle overige zaken zijn eigendom van de degene door wie zij zijn verkregen.

Goederen (waaronder bankrekeningen) op naam zijn eigendom van degene op wiens naam zij zijn gesteld. Saldi op “en/of rekeningen” worden geacht gemeenschappelijk eigendom te zijn.

3.3 Uit het geregistreerd partnerschap van partijen zijn geboren:

- [kind 1], op [geboortedatum] 2006, en

- [kind 2], op [geboortedatum] 2008.

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 15 oktober 2008, heeft de vrouw verzocht het geregistreerd partnerschap tussen partijen te ontbinden en (verkort weergegeven) te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij haar zullen hebben onder vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en de kinderen, door de man te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen en te bepalen dat zij gerechtigd is tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning.

3.5 Bij verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, ingekomen bij de rechtbank op 12 december 2008, heeft de man ingestemd met het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, de overige verzoeken van de vrouw bestreden en de rechtbank verzocht de partnerschapsvoorwaarden af te wikkelen en de tussen partijen bestaande gemeenschap - de gezamenlijke woning en hypothecaire geldleningen - te verdelen.

3.6 Partijen hebben op 13 mei 2009 in het kader van mediation een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij zij tot overeenstemming zijn gekomen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, over de zorg- en omgangsregeling met betrekking tot de kinderen en over de kinder- en partneralimentatie.

3.7 Bij de bestreden beschikking van 20 juli 2009 heeft de rechtbank de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen uitgesproken en iedere verdere beslissing aangehouden. Deze beschikking is op 23 september 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.8 Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - bestreden beschikking van 20 mei 2011 heeft de rechtbank de wijze van afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden en de wijze van verdeling van de gezamenlijke vermogensbestanddelen van partijen gelast zoals overwogen onder 2.8 en 2.9 van deze beschikking, bepaald dat partijen ieder de helft van de aanvullende declaratie van de deskundige dienen te betalen aan de griffier van de rechtbank en het meer of anders verzochte afgewezen.

4. De ontvankelijkheid van de man in het principaal hoger beroep

4.1 De termijn om hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van 20 mei 2011 eindigde op zaterdag 20 augustus 2011. Op grond van artikel 1 van de Algemene Termijnenwet is deze termijn verlengd tot en met maandag 22 augustus 2011 (de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag, of algemeen erkende feestdag is). De man heeft zijn aanvullend beroepschrift per telefax op laatstgenoemde datum en dus tijdig ingediend en hij kan daarom, anders dan de vrouw stelt, worden ontvangen in zijn aanvullend verzoek in het principaal hoger beroep.

4.2 Wat betreft het verzoek van de man strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking van 20 juli 2009 overweegt het hof dat de gronden waarop het verzoek berust ontbreken, zodat dit verzoek in hoger beroep moeten worden afgewezen.

5. De motivering van de beslissing

5.1 In hoger beroep zijn aan de orde de door de rechtbank gelaste wijze van afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden en de wijze van verdeling van de gemeenschap van partijen. Partijen verschillen van mening over:

- de peildatum voor de waardering van de gezamenlijke woning van partijen (grief 1 in het incidenteel hoger beroep);

- de toedeling van de woning aan de man, de waarde van die woning en de verrekening van die waarde met bedragen die de man in de woning heeft geïnvesteerd, de hypothecaire schulden en het bouwdepot en (voorwaardelijk) het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid (grieven I, II, III, V en VI in het principaal hoger beroep, grief II in het incidenteel hoger beroep);

- de benoeming van een deskundige ter bepaling van de waarde van de woning (grief IV in het principaal hoger beroep);

- de betaling van de premie overlijdensrisicoverzekering in het jaar 2008 (grief VII in het principaal hoger beroep);

- (de verdeling van) de inboedel (grief VIII in het principaal hoger beroep);

- het eigendomsvoorbehoud met betrekking tot een witgouden ring (grief IX in het principaal hoger beroep);

- (de verrekening van) de belastingteruggave over het jaar 2009 (grief X in het principaal hoger beroep);

- de uitkering/opbrengst uit de beleggingspolis en -rekening (de aanvulling op grief XI in het principaal hoger beroep);

- de saldi van de gemeenschappelijke bankrekeningen (grief III in het incidenteel hoger beroep);

- de verrekening van de vorderingen van partijen over en weer (grief XI in het principaal hoger beroep, grief IV in het incidenteel hoger beroep).

5.2 Partijen hebben inmiddels een makelaar opdracht gegeven de gezamenlijke woning te verkopen voor een (vraag)prijs van € 795.000,-. Dat laat onverlet dat de vrouw zich verzet tegen toewijzing van het verzoek van de man te bepalen dat de woning niet aan hem wordt toebedeeld, maar dat partijen de woning dienen te verkopen. Naar het oordeel van het hof dient de woning aan de man te worden toebedeeld, overeenkomstig het eigen verzoek van de man in eerste aanleg. Daarmee komt enerzijds daling van de waarde van de woning voor rekening en risico van de man, zoals hij anderzijds baat heeft bij een waardestijging. De man heeft zich - na het vertrek van de vrouw uit de woning op 18 juli 2008 - ook van meet af aan gedragen als eigenaar van de woning, hetgeen onder andere blijkt uit het aanbrengen van nieuwe sloten (zoals de vrouw onbestreden heeft gesteld) en het (doen) bouwen van een hooischuur bij de woning. De man heeft daarnaast onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij (de financiering in verband met) het op zijn naam stellen van de hypotheek en het ontslag van de vrouw van haar hoofdelijke verplichtingen jegens de bank niet rond krijgt en dat hij daarom met toedeling van de woning aan hem wordt geconfronteerd met een onmogelijke last. De enkele door hem in het geding gebrachte verklaring van ABN-AMRO van 17 augustus 2011 is daartoe ontoereikend, mede nu de man - tegenover de stelling van de vrouw dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in welke gegevens hij in dat kader aan de bank heeft verstrekt en welk bedrag hij dan wel kan lenen - geen nadere informatie heeft verstrekt. Hetgeen hierna onder 5.4 wordt overwogen, laat onverlet dat de man de hypothecaire schuld als eigen schuld dient te voldoen en dat het bouwdepot voor rekening van de man dient te blijven. De grieven I (voor zover hier aan de orde), II en III in het principaal hoger beroep falen.

5.3 Wat betreft de peildatum voor de waardering van de woning volgt het hof de vrouw niet in haar stelling dat - in afwijking van de partnerschapsvoorwaarden - moet worden uitgegaan van november/december 2008 in plaats van 23 september 2009. Het hof stelt voorop dat partijen de partnerschapsvoorwaarden niet bij notariële akte hebben gewijzigd. De vrouw heeft voorts tegenover de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende aannemelijk gemaakt dat over een peildatum in november/december 2008 tussen partijen overeenstemming bestond. Dat de man in die periode opdracht heeft gegeven tot een taxatie maakt dat niet anders. Daarnaast heeft de vrouw geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de desbetreffende partnerschapsvoorwaarden, gelet op het onderling overeenstemmend en van die voorwaarden afwijkend gedrag tijdens het partnerschap, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en daarom niet toepasselijk zijn. Dat de man zich sinds eind 2008 feitelijk gedroeg als enig gerechtigde tot de woning is in dit kader onvoldoende om anders te oordelen.

5.4 Wat betreft de waarde van de woning op 23 september 2009 is het hof met de rechtbank van oordeel dat geen reden bestaat af te wijken van de door de deskundige in eerste aanleg vastgestelde waarde van € 625.000,-. Dat de door de rechtbank benoemde deskundige daarmee vrijwel in het midden uitkomt van de door de andere twee makelaars getaxeerde waarden vormt, anders dan de man aanvoert, onvoldoende grond voor de stelling van de man dat deze taxatie niet op basis van objectieve gronden tot stand is gekomen. Het verzoek van de man een nieuwe, onafhankelijke deskundige te benoemen zal daarom als onvoldoende gemotiveerd worden afgewezen. Grief I in het incidenteel hoger beroep en de (voorwaardelijke) grief IV in het principaal hoger beroep falen.

5.5 Met grief VI (voorwaardelijk) in het principaal hoger beroep betoogt de man dat de rechtbank in de bestreden beschikkingen van 9 maart 2010 en 20 mei 2011 ten onrechte heeft overwogen en beslist dat de man bij toedeling van de woning aan hem ervoor dient te zorgen dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van de hypothecaire schuld. Het hof overweegt daaromtrent dat de man verplicht is al datgene te doen wat nodig is voor ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke verbondenheid voor zover dat in zijn macht ligt, maar dat hij het niet in zijn macht heeft eenzijdig te bewerkstelligen dat de bank de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ontslaat. In zoverre slaagt de grief.

5.6 Grief V (voorwaardelijk) in het principaal hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het saldo van het bouwdepot op 23 september 2009 € 52.727,97 bedroeg. Volgens de man dient rekening te worden gehouden met betalingsverplichtingen van partijen ter grootte van € 4.598,68, die voor die datum zijn ontstaan, maar pas na die datum zijn voldaan. De vrouw heeft gemotiveerd de stellingen van de man betwist. De man heeft - tegenover deze gemotiveerde betwisting - zijn stelling dat partijen gezamenlijke besluiten hebben genomen ten aanzien van de besteding van het bouwdepot niet, althans onvoldoende onderbouwd met bescheiden waaruit blijkt dat partijen gezamenlijk opdrachten hebben verstrekt, materialen hebben aangeschaft en/of nota’s hebben betaald. Evenmin heeft de man aangetoond dat de opname uit het depot ziet op betalingen van facturen uit de periode gelegen voor de peildatum. Deze grief faalt.

5.7 Op het voorgaande stuit eveneens af dat de bedragen die de man uit zijn privévermogen in de woning heeft geïnvesteerd van in totaal € 28.799,- en de aflossingen tot en met de datum van verkoop van de woning in mindering op de verkoopopbrengst worden gebracht, zoals de man in de toelichting op grief I in het principaal hoger beroep aanvoert. Deze grief faalt in zoverre eveneens.

5.8 Partijen verschillen voorts van mening over de hoogte en verhoging van de hypothecaire schuld. De vrouw stelt dat de verhoging van € 115.000,- voor rekening van de man komt, nu deze verhoging primair was gericht op de herfinanciering van de studieschuld van de man en ten laste van het (resterende) bouwdepot geen betalingen zijn verricht door partijen gezamenlijk. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van de oorspronkelijke hypotheek van € 600.000,-, te vermeerderen met het saldo van het restauratiefonds van € 92.574,- per 31 december 2008, in totaal € 692.574,-. De man stelt de hypothecaire schuld per 23 september 2009 op € 712.996,45 (waaronder het bouwdepot van € 48.130,-), te vermeerderen met het restauratiefonds van € 90.492,-, in totaal € 755.358,- op 23 september 2009. Hij kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank in haar beschikking van 9 maart 2010 dat € 52.137,- van de verhoging van de hypotheek is aangewend voor aflossing van zijn studieschuld en dat dit bedrag voor zijn rekening komt, maar hij is van mening dat hij niet daarnaast nog de helft van dat bedrag (€ 26.068,50) aan de vrouw hoeft te betalen, omdat in dat geval sprake is van een dubbeltelling.

5.9 Zoals ook de rechtbank (in hoger beroep onbestreden) heeft overwogen, zijn partijen het erover eens dat zij, in afwijking van hetgeen in de partnerschapsvoorwaarden is bepaald, ieder voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van de hypotheekschuld, behoudens het deel waarmee de man zijn studieschuld heeft afgelost en het bouwdepot, dat eveneens voor de rekening van de man dient te blijven. Het hof is - uitgaande van de hiervoor in rechtsoverweging 5.3 bepaalde peildatum voor de waardering van de woning, 23 september 2009, en het uitgangspunt dat de (verhoogde) hypotheekschuld een gezamenlijke schuld van partijen is - met de rechtbank van oordeel dat de berekening van de man grotendeels dient te worden gevolgd, overeenkomstig rechtsoverweging 3.4 van de beschikking van de rechtbank van 9 maart 2010. Rekening houdend met een saldo van het bouwdepot van € 52.727,97 (in plaats van het door de man genoemde bedrag van € 48.130,-, zoals hiervoor onder 5.5 is overwogen), moet worden uitgegaan van een hypothecaire schuld van in totaal € 750.760,- op 23 september 2009. Het hof kan de man niet volgen in zijn stelling dat sprake is van een dubbeltelling indien hij de helft van het bedrag dat is aangewend voor aflossing van zijn studieschuld (€ 52.137,-) aan de vrouw dient te betalen. Partijen zijn ieder voor de helft draagplichtig voor de totale hypotheekschuld en de vrouw heeft wat betreft het deel dat is aangewend voor de aflossing van de studieschuld een vordering op de man.

5.10 Wat betreft de uitkering en de opbrengst uit de beleggingspolis en -rekening is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat partijen gehouden zijn aan hetgeen zij daarover in de partnerschapsvoorwaarden zijn overeengekomen en dat de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende (te bewijzen) feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat partijen van die voorwaarden zijn afgeweken. Dat de vrouw door instemming met herfinanciering afstand heeft gedaan van haar recht op haar deel van de opbrengst uit de beleggingspolis en -rekening (uit hoofde van de partnerschapsvoorwaarden) is niet gebleken, zodat ook de (afkoop)waarden van die polis en rekening verrekend moeten worden zoals de rechtbank heeft gedaan.

5.11 Uit het voorgaande volgt dat grief XI zoals geformuleerd in het aanvullend beroepschrift en grief II in incidenteel hoger beroep tevergeefs zijn voorgedragen.

5.12 Ten aanzien van de premie overlijdensrisicoverzekering van DBV (thans Reaal) overweegt het hof dat de man niet inzichtelijk heeft gemaakt op grond waarvan de vrouw negen maandelijkse termijnen over het jaar 2008 verschuldigd zou zijn. De vrouw erkent dat zij de door haar verschuldigde premie over vijf maanden (augustus tot en met december) in 2008, in totaal € 418,80, niet heeft voldaan. In zoverre slaagt grief VII in het principaal hoger beroep. De stelling van de vrouw dat op grond van de redelijkheid en billijkheid die premie geheel voor rekening van de man dient te blijven, omdat de man de eerste maanden na het vertrek van de vrouw uit de woning geen bijdrage in kosten van haar levensonderhoud en in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen heeft betaald, gaat naar het oordeel van het hof niet op. Wel beroept de vrouw zich terecht op verrekening van voormeld bedrag met de premie die vanaf 1 januari 2009 door haar is en wordt betaald. Partijen hebben bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep toegezegd over en weer medewerking te zullen verlenen aan splitsing en vervolgens, indien gewenst, opheffing van deze verzekering, waarbij het hof ervan uitgaat dat de over en weer betaalde premie zal worden verrekend.

5.13 Partijen strijden voorts over de waarde en verdeling van de inboedel. De man stelt dat de door de vrouw opgestelde lijsten zijn gebaseerd op onjuiste uitgangspunten (omdat veel van de zaken geen persoonlijke goederen zijn), dat de verdeling door de rechtbank (daarom) in strijd is met beginselen van redelijkheid en billijkheid en dat de verdeling gebaseerd moet zijn op de dagwaarde van de zaken. De man kan ermee instemmen dat partijen de onder hem/haar zijnde inboedelgoederen zonder verrekening behouden. De vrouw kan zich verenigen met de door de rechtbank vastgestelde verdeling en is, subsidiair, van mening dat indien het hof de man volgt rekening moet worden gehouden met de waardevermindering van de door haar in 2010 op basis van een kortgedingvonnis verkregen zaken, de extra kosten die zij heeft moeten maken en aftrek van het bedrag aan zaken die de man haar niet heeft meegegeven.

5.14 Het hof overweegt dat partijen in eerste aanleg het kennelijk erover eens waren dat moest worden uitgegaan van de aanschafwaarde van de (gezamenlijk aangeschafte) inboedelzaken en dat de rechtbank aan de hand van de door beide partijen in het geding gebrachte overzichten heeft verdeeld. De man heeft onvoldoende gemotiveerd waarom nu moet worden uitgegaan van de dagwaarde van de zaken en waarom die verdeling anders zou moeten. Hij kan niet volstaan met enkele voorbeelden van - volgens hem - onjuiste of onjuist bepaalde waarde van enkele zaken. De man heeft voorts zijn stelling dat veel van de zaken op de door de vrouw opgestelde lijsten geen persoonlijke goederen zijn onvoldoende toegelicht. Dat de rechtbank heeft verdeeld zoals zij heeft gedaan, levert dan ook, anders dan de man aanvoert, geen strijd op met beginselen van redelijkheid en billijkheid. Grief VIII in het principaal hoger beroep faalt.

5.15 Partijen verschillen voorts van mening over de vraag of een witgouden ring, die de vrouw in haar bezit heeft, onder eigendomsvoorbehoud aan de vrouw is gegeven of dat deze aan de vrouw is geschonken. De man heeft naar ’s hofs oordeel zijn stellingen dat de ring is gemaakt met materialen van een familie-erfstuk, dat de ring is gegeven aan de vrouw onder voorwaarde dat deze in de familie van de man zou blijven en dat daarom geen sprake van is van een schenking - tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw - onvoldoende aannemelijk gemaakt. De man heeft evenmin bewijs aangeboden van zijn stellingen, zodat het hof deze zal passeren. Grief IX in het principaal hoger beroep faalt daarom eveneens.

5.16 Met grief X in het principaal hoger beroep bestrijdt de man het oordeel van de rechtbank dat hij de belastingteruggaven over 2009 dient te verrekenen. Hij heeft daartoe (niet meer) gesteld (dan) dat hem uit nader onderzoek is gebleken dat hij - anders dan hij in eerste aanleg heeft erkend - niet € 1280,- ten name van de vrouw heeft ontvangen, zodat dit bedrag niet valt te verrekenen. De vrouw stelt dat de man heeft erkend dat hij die teruggave heeft ontvangen en verwijst naar de in eerste aanleg bij brief van 14 oktober 2010 overgelegde brief van de belastingdienst van 15 augustus 2009, waarin de vrouw wordt medegedeeld dat € 1.280,- wordt overgemaakt op rekeningnummer 479498156. Volgens haar kon alleen de man over het in die brief genoemde rekeningnummer beschikken, hetgeen de man niet heeft bestreden. De grief faalt dan ook.

5.17 Met grief III in het incidenteel hoger beroep stelt de vrouw (de verrekening van) de saldi van de gemeenschappelijke bankrekeningen aan de orde. Zij wenst volledige inzage in die saldi per peildatum 18 juli 2008 en verzoekt het hof te bepalen dat de man de helft aan haar dient te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de datum van indiening van het incidenteel hoger beroep. Voorts voert zij aan dat € 7.000,- (het verschil tussen het opgenomen bedrag van de verhoogde hypotheek en bedrag dat is aangewend voor aflossing van de studieschuld van de man) is overgemaakt op de (gezamenlijke) ATB-rekening en dat het niet onaannemelijk is dat dit bedrag naar een privérekening van de man is overgemaakt. Zij verzoekt de man alle afschriften van de ATB-rekening tussen de datum van bijschrijving van het hiervoor genoemde bedrag tot en met 18 juli 2008 te overleggen. De man stelt dat de vrouw geen vordering in dit kader heeft en verwijst naar de door hem bij het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep overgelegde afschriften. Volgens hem hebben partijen afgesproken van voornoemd bedrag (van € 7.000,-) gezamenlijke kosten te voldoen.

5.18 Het hof overweegt daaromtrent het volgende. Kennelijk gaan partijen voor de peildatum voor de saldi van de bankrekeningen uit van 18 juli 2008. De in het geding gebrachte stukken verschaffen onvoldoende duidelijkheid met betrekking tot de saldi van de (gemeenschappelijke) rekeningen op die datum. Daarom zal het hof, alvorens verder te beslissen, de man verzoeken de bankafschriften in het geding te brengen waaruit de saldi per 18 juli 2008 dan wel de beëindigingen/opheffingen blijken de van de navolgende rekeningen:

- [rekeningnr. 1];

- [rekeningnr. 2];

- [rekeningnr. 3];

- alsmede afschriften van de ATB-(spaar)rekening(en) - nummers [rekeningnummers] - vanaf de datum van storting van voornoemde € 7.000,- tot en met 18 juli 2008.

Rekeningnummer [......] is kennelijk gekoppeld aan een overlijdensrisicoverzekering en is de man niet bekend, nummer [.......] betreft een (spaar)rekening van (een van) de kinderen en nummer [...........] betreft een gezamenlijke rekening van de man en zijn echtgenote, hetgeen de vrouw niet, althans onvoldoende, heeft betwist. Bankafschriften van deze bankrekeningen behoeven dan ook niet toe worden overgelegd.

5.19 Iedere verder beslissing zal worden aangehouden.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

wijst het verzoek van de man tot vernietiging van de bestreden beschikking van 20 juli 2009 af;

alvorens verder te beslissen:

stelt de man in de gelegenheid uiterlijk 20 september 2012 de onder 5.18 vermelde stukken over te leggen met afschrift daarvan aan de wederpartij;

stelt de vrouw in de gelegenheid - desgewenst - op de door de man overgelegde stukken te reageren tot uiterlijk 4 oktober 2012 , waarna het hof naar bevind van zaken zal beslissen;

benoemt tot raadsheer-commissaris mr. M.H.H.A. Moes, lid van het hof, en bepaalt dat partijen zich voor vragen of opmerkingen betreffende de in het geding te brengen stukken kunnen wenden tot de raadsheer-commissaris;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.H.A. Moes, A.E.F. Hillen en J.H. Lieber, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 30 augustus 2012 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature