Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

vervallen toeslagrechten; nationale reserve; ongebruikte toeslagrechten

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/762 18 juli 2012

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: mr. M.G. van der Veen

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. S.M. Oude Lage Venterink, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen

1. Het procesverloop

Bij brief van 23 september 2011, bij het College binnengekomen op 26 september 2011, heeft appellante beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 augustus 2011.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het vervallen van 19 toeslagrechten op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 wegens het niet benutten daarvan ongegrond verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 27 april 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante is verschenen. Partijen hebben bij monde van hun gemachtigden hun standpunt toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse

steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidde voor zover en ten tijde hier van belang:

"Artikel 2 8

Minimumvereisten voor het ontvangen van rechtstreekse betalingen

(…)

3. Toeslagrechten die op grond van lid 1 of lid 2 gedurende twee opeenvolgende jaren geen recht op betalingen geven, worden toegevoegd aan de nationale reserve. "

Verordening (EG) nr. 1120/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers, luidde voor zover en ten tijde hier van belang:

" Artikel 1 5

Ongebruikte toeslagrechten

1. Behalve bij overmacht of in uitzonderlijke omstandigheden worden ongebruikte toeslagrechten geacht aan de nationale reserve te zijn vervallen op de dag na de uiterste datum voor wijziging van de aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling, in het kalenderjaar waarin de in artikel 28, lid 3, en artikel 42 van Verordening (EG) nr. 73/2009 vermelde periode verstrijkt.

Een toeslagrecht wordt als ongebruikt beschouwd wanneer daarvoor tijdens de in de eerste alinea bedoelde periode geen betaling is verleend. Toeslagrechten waarvoor een aanvraag is ingediend en die gepaard gaan met een geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 2, punt 23, van Verordening (EG) nr. 1122/2009, worden als gebruikt beschouwd.

(…) "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn de volgende feiten voor het College vast komen te staan.

- Appellante heeft in 2009 haar 33 toeslagrechten verhuurd aan W. van den Brink, die ook voor dat jaar om uitbetaling van de toeslagrechten heeft gevraagd. Op 7 januari 2010 heeft appellante aan verweerder de beëindiging van bedoelde verhuur gemeld.

- Op 10 januari 2010 is W. van den Brink overleden.

- Bij besluit van 10 augustus 2010 is de bedrijfstoeslag 2009 definitief vastgesteld. In het besluit is vastgesteld dat de geconstateerde oppervlakte 39,87 ha bedraagt. Vanwege weigering van fysieke controle is de bedrijfstoeslag op nihil vastgesteld

Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt door de erven van W. van den Brink.

- Op 28 maart 2010 heeft appellante aan verweerder gemeld 19 toeslagrechten te hebben verhuurd aan A. Magré.

- Voor het jaar 2010 is niet om uitbetaling van bedoelde 19 toeslagrechten verzocht.

- Aan appellante is in verband met het vervallen van onbenutte toeslagrechten een “Overzicht geregistreerde toeslagrechten” van 3 maart 2011 gestuurd dat de stand van zaken per 12 juni 2010 weergeeft. Volgens dit overzicht heeft appellante 14 toeslagrechten, die zij heeft verhuurd aan een derde. De overige 19 toeslagrechten van appellante zijn komen te vervallen.

- Appellante heeft tegen het vervallen van haar toeslagrechten bezwaar gemaakt.

3. Het bestreden besluit

Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard en daartoe - samengevat - het volgende overwogen. De toeslagrechten zijn vervallen omdat deze in 2009 en 2010 niet zijn benut en niet gesteld of gebleken is dat sprake is van overmacht of bijzondere omstandigheden, de enige situaties waarin de regelgeving voorziet in een uitzondering. De eventuele nadelige gevolgen van gedragingen van een huurder komen voor rekening van de verhuurder, die met het nemen van de ondernemingsbeslissing zijn toeslagrechten te verhuren het risico heeft genomen dat door gedragingen van die huurder de toeslagrechten zouden kunnen vervallen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft - samengevat - de volgende gronden aangevoerd. Appellante verhuurt haar toeslagrechten. In 2009 heeft de huurder van de toeslagrechten tijdig een Gecombineerde Opgave ingediend. Het opleggen van een sanctie voor het jaar 2009 heeft geen invloed op de benutting van de toeslagrechten voor dat jaar. Van een conclusie dat toeslagrechten onbenut zijn kan alleen sprake zijn als er geen Gecombineerde Opgave is ingediend, dan wel als op basis van die Opgave geen recht op uitbetaling bestaat van de bedrijfstoeslag. Geen van beide was aan de orde in 2009. Er was bovendien sprake van overmacht, dan wel bijzondere omstandigheden, wegens de ziekte en het overlijden van de huurder van de toeslagrechten. Verweerder zou bij de vaststelling of sprake is van vervallen toeslagrechten daar rekening mee moeten houden. Appellante had geen reden om aan te nemen dat de huurder niet aan zijn verplichtingen voldeed en verweerder heeft haar niet gewaarschuwd dat de toeslagrechten dreigden te vervallen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Uit de tweede alinea van het eerste lid van artikel 15 van Verordening (EG) 1120/2009 blijkt dat doorslaggevend voor de vraag of de toeslagrechten als ongebruikt mogen worden beschouwd is of er voor de betrokken toeslagrechten gedurende de in artikel 28 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde periode van twee opvolgende jaren geen betaling is verleend, dan wel of voor die toeslagrechten voor die periode geen aanvraag is ingediend gepaard gaande met een geconstateerde oppervlakte.

5.2 Vast staat dat W. van den Brink voor 2009 wel een aanvraag heeft ingediend waarbij verzocht is om uitbetaling van de toeslagrechten. Volgens de ‘beslissing vaststelling bedrijfstoeslag 2009’ van 10 augustus 2010 bedraagt de geconstateerde oppervlakte 39,87 ha. Voor drie percelen is de opgegeven oppervlakte door verweerder aangepast. De oppervlakte was daarmee voldoende voor uitbetaling van de (33) toeslagrechten. De aanvraag is – desalniettemin – afgewezen, omdat W. van den Brink een fysieke controle voor de GLB-randvoorwaarden had geweigerd. Ter zitting is door verweerder bevestigd dat de weigering van de fysieke controle er niet aan in de weg heeft gestaan dat er voor 2009 sprake is van geconstateerde oppervlakte.

5.3 Artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1120/2009 bepaalt uitdrukkelijk dat toeslagrechten waarvoor een aanvraag is ingediend en die gepaard gaan met een geconstateerde oppervlakte als gebruikt worden beschouwd. Alleen ongebruikte toeslagrechten vervallen aan de nationale reserve. Dat de aanvraag over 2009 is afgewezen en de toeslagrechten niet zijn uitbetaald is in dit geval niet maatgevend. Het College komt dan ook tot de conclusie dat de toeslagrechten niet zijn vervallen, nu er geen sprake is van ongebruikte toeslagrechten gedurende twee opvolgende jaren.

5.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep van appellante gegrond is. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 3 maart 2011 te herroepen.

5.5 Het College ziet voorts aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht berekend op € 874.- (1 punt voor het opstellen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting; wegingsfactor 1).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 17 augustus 2011;

- herroept het besluit van 3 maart 2011;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 874.-(zegge:

achthonderdenvierenzeventig euro);

- bepaalt dat verweerder appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,- (zegge:

honderdtweeënvijftig euro) zal vergoeden.

Aldus gewezen door mr. R.C. Stam, mr. H.O. Kerkmeester en mr. H.L. van der Beek, in tegenwoordigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012.

w.g. R.C. Stam w.g. A.G.J. van Ouwerkerk


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature