Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 18 februari 2011 heeft het college van gedeputeerde staten aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor de uitbreiding van de vleesvarkenshouderij gelegen op het perceel [locatie] te Kruisland (hierna: het perceel). Dit besluit is op 28 februari 2011 ter inzage gelegd.

Uitspraak



201104278/1/A4.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen (hierna: het college van burgemeester en wethouders),

2. de stichting Stichting Anti Big Pig (hierna: ABP), gevestigd te Kruisland, gemeente Steenbergen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college van gedeputeerde staten),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2011 heeft het college van gedeputeerde staten aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor de uitbreiding van de vleesvarkenshouderij gelegen op het perceel [locatie] te Kruisland (hierna: het perceel). Dit besluit is op 28 februari 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben het college van burgemeester en wethouders bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2011, en ABP bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 april 2011, beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2012, waar het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door ING. C. den Hertog, en ABP, vertegenwoordigd door H. Baptist, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. H.J.A. van Ham, werkzaam bij het college van gedeputeerde staten, en ING. R. Verheijen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Ontvankelijkheid

2.2. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat het beroep van het college van burgemeester en wethouders niet-ontvankelijk is wat betreft de gronden over ammoniak, de toepassing van de beste beschikbare technieken, en de opslag van zuur en geurhinder, omdat hierover geen zienswijzen naar voren zijn gebracht.

2.2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht , voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Uit artikel 6:13 vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning die, zoals hier, vóór 1 april 2011 bekend zijn gemaakt, worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt. Bij besluiten die op of na 1 april 2011 zijn bekendgemaakt, worden dergelijke beslissingen voor de toepassing van artikel 6:13 niet langer als besluitonderdelen aangemerkt (zie de uitspraak van 9 maart 2011 in zaak nr. 201006983/1/M2).

Nu de beroepsgronden over de toepassing van de beste beschikbare technieken en de opslag van zuur geen betrekking hebben op besluitonderdelen als hiervoor bedoeld, staat artikel 6:13 van de Awb er niet aan in de weg dat deze gronden eerst in beroep worden aangevoerd.

Voor zover de beroepsgrond betrekking heeft op geurhinder, heeft het college van burgemeester en wethouders hierover zienswijzen naar voren gebracht.

Gelet hierop bestaat, anders dan het college van gedeputeerde staten stelt, dan ook geen aanleiding om het beroep van het college van burgemeester en wethouders op deze punten niet-ontvankelijk te verklaren.

2.2.2. Het college van burgemeester en wethouders heeft geen zienswijze naar voren gebracht over ammoniak. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Het beroep is, voor zover dat betrekking heeft op ammoniak, daarom niet-ontvankelijk.

Vergunde situatie

2.3. Het college en burgemeester en wethouders betoogt dat het college van gedeputeerde staten er bij de vergunningverlening ten onrechte van is uitgegaan dat een eerder, bij besluit van 30 maart 1999, voor de inrichting verleende vergunning in werking is. Deze vergunning is volgens het college van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 20.8 van de Wet milieubeheer niet in werking getreden. Daartoe wordt aangevoerd dat bij dit besluit vergunning is verleend voor het in de aanvraag van die vergunning genoemde stalsysteem BB.93.11.011, maar dat voor dit stalsysteem geen bouwvergunning is verleend.

2.3.1. Ingevolge artikel 20.8 van de Wet milieubeheer treedt een besluit tot verlening van een milieuvergunning die betrekking heeft op een verandering die tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet, niet eerder in werking dan nadat de betrokken bouwvergunning is verleend.

2.3.2. Op 31 juli 1997 is een vergunning verleend voor de bouw van de stallen met stalsysteem BB.93.06.010, en er moet van worden uitgegaan dat de stallen overeenkomstig deze vergunning zijn gebouwd. Vervolgens is bij het besluit van 30 maart 1999 krachtens de Wet milieubeheer een vergunning verleend die - voor zover hier van belang - betrekking heeft op het in werking hebben van de stallen. Uit zowel de overwegingen als het dictum van het besluit van 30 maart 1999 kan worden afgeleid dat - zoals de Afdeling overigens ook al in haar uitspraak van 28 november 2001 in zaak nrs. E03.99.0519/1 en 199900156/2 heeft geoordeeld - vergunning is verleend voor het stalsysteem BB.93.06.010 waarvoor al in 1997 bouwvergunning was verleend. Of, zoals het college van burgemeester en wethouders betoogt, de grondslag van de aanvraag zou zijn verlaten door een ander stalsysteem te vergunnen dan dat welke is genoemd in de aanvraag, staat thans niet ter beoordeling: het besluit van 30 maart 1999 is inmiddels onherroepelijk.

Gelet hierop heeft artikel 20.8 van de Wet milieubeheer in zoverre geen beletsel gevormd voor de inwerkingtreding van de milieuvergunning van 30 maart 1999. Ook voor het overige is er geen grond voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten er bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte van is uitgegaan dat deze milieuvergunning voor de inrichting gold.

De beroepsgrond faalt.

Milieueffectrapport

2.4. Het college van burgemeester en wethouders en ABP betogen dat ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld, omdat de daarvoor geldende drempelwaarde van 3000 vleesvarkens wordt overschreden indien rekening wordt gehouden met de toename van het aantal vleesvarkens in stal 2 met 168. Voorts voert het college van burgemeester en wethouders aan dat stal 1 en stal 2 zodanig worden gewijzigd dat er sprake is van een wijziging als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage 1994 (hierna: het Besluit m.e.r.). ABP betoogt dat het college van gedeputeerde staten bij de beoordeling of de drempelwaarde wordt overschreden ten onrechte niet van het aantal dierplaatsen is uitgaan.

2.4.1. In categorie 14 van onderdeel C van de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r is onder meer als activiteit waarvoor bij de voorbereiding van de verlening van een milieuvergunning een milieueffectrapport moet worden gemaakt, aangewezen de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van varkens in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met meer dan 3.000 plaatsen voor mestvarkens.

Uit hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 30 maart 2011 in zaak nr. 201006537/1/M2, volgt dat een toetsing aan deze drempelwaarde moet plaatsvinden aan de hand van de toename van het aantal varkens ten opzichte van de eerder vergunde situatie. Verder moet bij deze toetsing, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 mei 2005 in zaak nr. 200404617/1), niet worden uitgegaan van het aantal dierplaatsen, maar van het aantal aangevraagde of vergunde dieren.

2.4.2. Voor de inrichting is bij besluit van 30 maart 1999 een vergunning verleend voor het houden van 5.040 vleesvarkens in de stallen 1 en 2. Zoals eerder, onder 2.3.2, is overwogen moet ervan worden uitgegaan dat deze vergunning in werking is getreden. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 8.000 vleesvarkens. Van dit aantal worden 2.880 vleesvarkens gehouden in de nieuwe stal 4 en voor het overige worden de vleesvarkens in de reeds bestaande stallen 1 en 2 gehouden, waarvan de hokindeling wordt gewijzigd.

Door de vergunde wijziging van de dierenaantallen in de bestaande stallen en oprichting van de nieuwe stal neemt het aantal vleesvarkens niet met meer dan 3.000 toe, zodat het college van gedeputeerde staten terecht heeft geconstateerd dat in zoverre geen verplichting bestond tot het opstellen van een milieueffectrapport.

De beroepsgronden falen.

2.5. Niet in geschil is dat ingevolge onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. moest worden beoordeeld of vanwege de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting zou kunnen hebben, een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Bij besluit van 8 januari 2010 heeft het college van gedeputeerde staten op grond van deze beoordeling besloten dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Daarbij heeft het college van gedeputeerde staten beoordeeld of de voorgenomen activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu en de omgeving.

ABP betoogt dat dit besluit onvoldoende is gemotiveerd, maar heeft hiervoor in haar beroepschrift geen concrete argumenten aangevoerd.

De beroepsgrond faalt.

Ammoniak / Beste beschikbare technieken

2.6. Het college van burgemeester en wethouders en ABP betogen dat binnen de inrichting niet de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

2.6.1. Zoals volgt uit hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 1 juli 2009 in zaak nr. 200804185/1, moet er ten aanzien van een huisvestingsysteem dat voldoet aan de daaraan in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: het Besluit huisvesting) gestelde eisen van worden uitgegaan dat dit huisvestingsysteem een van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken is.

2.6.2. Het college van gedeputeerde staten heeft blijkens het bestreden besluit beoordeeld of de stallen voldoen aan het Besluit huisvesting, en is tot de conclusie gekomen dat dit het geval is omdat de ammoniakemissie van de stallen per dierplaats voldoet aan de in het Besluit huisvesting gestelde maximale emissiewaarden. Gelet op deze door partijen op zichzelf niet bestreden conclusie heeft het college van gedeputeerde staten zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat wordt voldaan aan het vereiste dat de beste beschikbare technieken worden toegepast.

De beroepsgronden falen.

2.7. Met betrekking tot de ammoniakemissie van de stallen heeft ABP verder betoogd dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de zogenoemde interne saldering als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit huisvesting, omdat dit in strijd is met de richtlijn 96/61/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/1/EG van 15 januari 2008 (hierna: de IPPC-richtlijn).

Dit betoog faalt, reeds omdat bij deze vergunningverlening de zogenoemde interne saldering niet is toegepast. Een dergelijke saldering is uitsluitend aan de orde indien niet alle stallen in de inrichting voldoen aan de in het Besluit huisvesting gestelde maximale emissiewaarden. Die situatie doet zich hier niet voor.

Opslag zuur

2.8. Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat het vergunde stalsysteem niet in werking zal kunnen zijn. In dit stalsysteem wordt zuur voor het aanzuren van de mestvloeistof toegepast, terwijl de opslag van zuur niet zou zijn aangevraagd.

2.8.1. Op de tekening bij de aanvraag is vermeld dat het stalsysteem waarvoor vergunning wordt gevraagd een voorziening voor zuuropslag kent. Het betoog van het college van burgemeester en wethouders, dat voor deze opslag geen vergunning is gevraagd, mist reeds hierom feitelijke grondslag.

Geur

2.9. Het college van burgemeester en wethouders en ABP betogen dat bij de berekening van geurbelasting vanwege de inrichting, stal 2 ten onrechte is aangemerkt als emissiearme huisvesting, waardoor de geurbelasting is onderschat. Verder betoogt het college van burgemeester en wethouders dat de geurhinder van de opslag en scheiding van mest in deze stal onvoldoende is beoordeeld. Voorts betoogt het college van burgemeester en wethouders dat de geurhinder van de opslag en scheiding van mest in de mestbassins niet onderzocht is. Hij betoogt tot slot dat de mogelijke geurhinder door het morsen van bijproducten en de opslag van gemorste producten niet is beoordeeld en dat de voorschriften op dit punt ontoereikend zijn.

2.9.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder) betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichtingen of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder voor zover hier van belang, wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting op een geurgevoelig object meer bedraagt dan de in dit artikel genoemde waarden.

2.9.2. In de bijlage bij de regeling Geurhinder en veehouderij zijn voor de berekening van geurbelasting geuremissiefactoren gegeven. Bij de berekening van de geurbelasting is uitgegaan van de in deze bijlage gestelde emissiefactor voor een emissiearme huisvesting. Het college van burgemeester en wethouders en ABP betogen dat dit niet juist is, omdat in de bijlage, voor zover hier van belang, is bepaald dat een stalsysteem voor varkens met spoelgoten niet wordt gewaardeerd als emissiearme huisvesting maar als overige huisvesting.

Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat uit de bij de aanvraag behorende detailtekening van 21 december 2010 volgt dat het aangevraagde stalsysteem niet is voorzien van een spoelsysteem met spoelgoten, maar met een vlakke vloer, spoelbuizen en geleidingsprofielen. In hetgeen het college van burgemeester en wethouders en ABP aanvoeren, ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt. Het betoog dat het stalsysteem ten onrechte als emissiearm is aangemerkt omdat het om een stalsysteem met spoelgoten gaat, faalt dan ook. In zoverre is er geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de berekening van de geurbelasting.

2.9.3. Wat de geurbelasting vanwege de opslag en scheiding van mest in stal 2 betreft, overweegt de Afdeling dat deze onderdeel is van de geurbelasting vanwege de tot de veehouderij behorende dierenverblijven. Deze geurbelasting moet ingevolge artikel 2 van de Wet geurhinder uitsluitend op de in deze wet aangegeven wijze worden beoordeeld. De vanwege stal 2 veroorzaakte geur is met toepassing van de krachtens de Wet geurhinder gegeven rekenregels vastgesteld. Het stond het college van gedeputeerde staten niet vrij om de vanwege stal 2 veroorzaakte geur op andere wijze te beoordelen. Het betoog dat bij deze beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met de geur vanwege opslag en scheiding van mest, faalt gelet hierop.

2.9.4. Wat het betoog dat de geur vanwege de opslag en scheiding van mest in de mestbassins niet voldoende is onderzocht, overweegt de Afdeling als volgt.

Blijkens het bestreden besluit heeft het college van gedeputeerde staten de geurhinder van de opslag en scheiding van mest in de mestbassins bij de beoordeling betrokken. Ter voorkoming dan wel beperking van geurhinder uit deze mestbassins zijn aan de vergunning voorschriften verbonden.

Gelet hierop heeft het college van gedeputeerde staten bij het nemen van het besluit aandacht geschonken aan de geurhinder vanwege de mestbassins. Het college van burgemeester en wethouders heeft in beroep niet aannemelijk gemaakt, dat het college van gedeputeerde staten op dit punt onvoldoende kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard.

De beroepsgrond faalt.

2.9.5. Wat het betoog van het college van burgemeester en wethouders over de mogelijke geurhinder door het morsen van bijproducten en de opslag van gemorste producten betreft, overweegt de Afdeling dat in het bestreden besluit is vermeld dat binnen de inrichting bijproducten worden opgeslagen die weinig tot geen geurhinder geven. Voorts is vermeld dat de afstand van de opslag van de bijproducten en de dichtstbijzijnde woning 230 meter is. Tevens zijn voorschriften aan de vergunning verbonden om geurhinder te voorkomen dan wel te beperken. In hoofdstuk 7 van de vergunningvoorschriften is onder meer opgenomen dat de dichtheid van de bijproductenbunkers verzekerd moet zijn, bij de brijvoerkeuken een zodanige directe afzuiging plaats dient te vinden dat geen verspreiding van geurstoffen kan plaatsvinden, dat morsen moet worden voorkomen en eventueel gemorste producten direct moeten worden verwijderd.

Gelet hierop heeft het college van gedeputeerde staten bij het nemen van het besluit aandacht geschonken aan de geurhinder vanwege gemorste (bij)producten. Het college van burgemeester en wethouders heeft in beroep niet aannemelijk gemaakt, dat het college van gedeputeerde staten op dit punt onvoldoende kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard. Evenmin zijn argumenten naar voren gebracht op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het college van gedeputeerde staten de ter zake gestelde vergunningvoorschriften niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten.

De beroepsgrond faalt.

Tijdvak vergunningverlening

2.10. ABP voert aan dat het college van gedeputeerde staten, gezien de strengere welzijnsnormen die ingevolge het Varkensbesluit op 1 januari 2013 gaan gelden, ten onrechte een vergunning voor onbepaalde termijn heeft verleend.

2.11. In artikel 8.17 van de Wet milieubeheer is bepaald in welke gevallen een vergunning voor een bepaalde termijn kan worden verleend. Geen van deze gevallen doet zich voor. Reeds gelet daarop heeft het college van gedeputeerde staten terecht de vergunning niet voor een bepaalde termijn verleend.

De beroepsgrond faalt.

Bestemmingsplan

2.12. ABP betoogt dat het college van gedeputeerde staten de gevraagde vergunning had moeten weigeren met toepassing van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer , nu het bedrijfsplan niet past binnen het huidige bouwblok.

2.12.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat uit de bij het bestreden besluit behorende tekening van 21 december 2010 volgt dat de inrichting binnen het huidige bouwblok valt. ABP heeft geen argumenten aangevoerd op grond waarvan getwijfeld dient te worden aan de juistheid van dit standpunt.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverweging

2.13. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Het beroep van ABP is ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen, voor zover het de beroepsgrond inzake ammoniak betreft, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen voor het overige ongegrond;

III. verklaart het beroep van de stichting Stichting Anti Big Pig ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

262-720.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature